Op het snijvlak van autisme, genderdiversiteit en seksualiteit: Een pleidooi voor netwerkzorg en leren uit ervaring

  • Auteur Jeroen Dewinter, Anna I.R. van der Miesen, Sascha E. Klomp, Marijn Maassen , & Wilma Mathurin
  • Pdf openbaar No

Ondanks de toenemende evidentie dat seksuele en genderdiversiteit en genderdysforie relatief vaak voorkomen bij kinderen, jongeren en volwassenen met autisme, is de kennis bij hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) over het ondersteunen van mensen met autisme bij seksuele en gendervragen beperkt. Seksualiteit kan -naast genderidentiteit- een belangrijk thema zijn voor deze jongeren en volwassenen, voor, tijdens en na een behandeling van genderdysforie, maar praten over seks en gender lijkt nog steeds onzekerheid op te roepen bij hulpverleners in de ggz. Autistische, maar ook niet-autistische, jongeren en volwassenen blijven nog te vaak alleen met vragen en klachten over seksualiteit. Specialistische genderteams bieden begeleiding, diagnostiek en behandeling rond gen- derdysforie, maar blijft de voor- en nazorg bij andere hulpverleners, ook op seksueel vlak, blijft nog vaak beperkt en afhankelijk van wie iemand treft. Het ontbreken van kennis speelt hierbij een rol: er bestaat enkel een eerste richtlijn rond diagnostiek en behandeling van adolescenten met autisme en gendervragen die wijst op het belang van een multidisciplinair, laagdrempelig netwerk rond deze jongeren met kennis van zowel autisme als genderdiversiteit/ genderdysforie. We stellen vast dat dit netwerk in Nederland en Vlaanderen nog in ontwikkeling is. De auteurs pleiten er daarom voor dat het versterken van kennis en kennisuitwisseling over autisme, genderdiversiteit en seksualiteit bij hulpverleners en deskundigen in de ggz een noodzakelijke én haalbare eerste stap is, waarbij de ervaringsdeskundig- heid van autistische trans*personen een onmisbare bron van informatie is.

Gepubliceerd in 2021, jaargang 45, Nummer 4

Theorievorming over genderidentiteit en genderincongruentie

  • Auteur Baudewijntje P.C. Kreukels & Thomas D. Steensma
  • Pdf openbaar No

Door de jaren heen werd onderzoek naar de ontwikkeling van genderidentiteit en genderincongruentie steeds uitgevoerdDoor de jaren heen werd onderzoek naar de ontwikkeling van genderidentiteit en genderincongruentie steeds uitgevoerdvanuit een bepaald perspectief dat gedurende de betreffende periode het meest in zwang was. In de jaren70 van de vorige eeuw lag de nadruk op nurture en werd er vooral gekeken hoe factoren in de opvoeding bijdroegenaan de ontwikkeling van genderidentiteit. De laatste decennia was er juist vooral aandacht voor nature en richtte hetonderzoek vanuit dat perspectief zich vooral op de neurobiologische achtergrond van genderincongruentie. In ditartikel bespreken we het onderzoek vanuit deze verschillende perspectieven. Tevens behandelen we de uitdagingenvan het samenbrengen van deze verschillende perspectieven in het onderzoek naar genderidentiteitsontwikkelingmet het doel te komen tot een integratief biopsychosociaal model van genderincongruentie.

Gepubliceerd in 2020, jaargang 44, Nummer 4

Vrouwen van Mars, mannen van Venus

  • Auteur Thomas Wormgoor
  • Pdf openbaar Yes

In dit artikel worden handvaten aangereikt voor seksuologen in de praktijk die te maken krijgen met een genderdysfore cliënt. De auteur acht het van groot belang te beseffen wat opgroeien met genderdysforie kan betekenen voor de lichaams- en seksualiteitsbeleving van een mens.

Gepubliceerd in 2011, jaargang 35, Nummer 3

Transgenders in Nederland: prevalentie en attitudes

  • Auteur Lisette Kuyper
  • Pdf openbaar Yes

Transgender is een overkoepelende term die wordt gebruikt voor mensen bij wie het geboortegeslacht, de genderidentiteit en de genderexpressie niet overeenkomen. Er is weinig tot niets bekend over de prevalentie van transgenders in de Nederlandse bevolking en over de houding van de algemene bevolking ten opzichte van transgenders. De huidige editie van de Seksuele Gezondheid in Nederland is aangegrepen om hier een eerste aanzet voor te geven. De vragenlijst bevatte vragen over verschillende aspecten van transgenderisme: een ambivalente of incongruente genderidentiteit, genderdysfore gevoelens en een medische behandelwens. Ook bevatte de vragenlijst een aantal stellingen over de attitude ten aanzien van transgenders. Uit de resultaten blijkt dat in totaal 0.6% van de mannen en 0.2% van de vrouwen een ambivalente of incongruente genderidentiteit rapporteert in combinatie met onvrede met het eigen mannen/vrouwenlichaam en een wens tot (gedeeltelijke) aanpassing via hormonen en/of operaties van het (toegewezen) geboortegeslacht aan het gewenste en/of ervaren geslacht. De resultaten met betrekking tot de houding ten opzichte van transgenders onder de Nederlandse bevolking laten zien dat transgenders niet vanzelfsprekend op acceptatie kunnen rekenen. Het artikel besluit met enkele kanttekeningen en aanbevelingen op basis van deze resultaten.

Gepubliceerd in 2012, jaargang 36, Nummer 2

Genderidentiteitsdiagnoses in de DSM-5

  • Auteur Peggy Cohen-Kettenis
  • Pdf openbaar Yes

Beschouwing.

De vraag of een genderidentiteitsdiagnose in de vijfde editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5), het classificatiesysteem van de American Psychiatric Association (APA), zou moeten worden gehandhaafd, heeft veel discussie opgeleverd. Immers, handhaving heeft zowel voor- als nadelen. Vooralsnog heeft de APA de voordelen groter geacht dan de nadelen en beslist om genderidentiteitsdiagnoses opnieuw in de DSM-5 op te nemen. In vergelijking met de vorige versie werden er wel belangrijke veranderingen aangebracht, waarmee werd getracht om de nadelen van een handhaving zo goed als mogelijk te ondervangen. De belangrijkste veranderingen in de DSM-5 hebben betrekking op: de naamgeving (genderdysforie i.p.v. genderidentiteitsstoornissen), de positionering in de DSM (los van parafilieën en seksuele disfuncties), de conceptualisatie van het hoofdcriterium (incongruentie tussen ervaren en toegewezen gender als kern), het loslaten van het denken over ‘geslacht’ en ‘gender’ als binaire constructen én strengere criteria voor een genderidentiteitsdiagnose bij kinderen. De keuze voor een andere naamgeving, een andere positionering en strengere kindercriteria werd gemaakt om daarmee stigmatisering van gendervariant gedrag en genderdysforie te kunnen voorkomen. De nieuwe conceptualisering van genderdysforie maakt hopelijk duidelijker dat het een complex verschijnsel is, dat zich op verschillende manieren kan ontwikkelen en manifesteren. Voorheen hield het voldoen aan de criteria vrijwel automatisch een bepaalde behandelvorm in, zoals een geslachtsaanpassende (d.w.z. hormonale en chirurgische) behandeling. In de huidige conceptualisering van genderdysforie is getracht explicieter te maken dat zo’n uitgebreide medische behandeling niet noodzakelijk aan de diagnose gekoppeld is, maar dat ook andere behandelvormen (bijv. alleen hormonen of operaties of combinaties van medische en psychologische interventies) zinvol kunnen zijn.

Gepubliceerd in 2013, jaargang 37, Nummer 4

ISSUES