De stand van zaken over seksualiteit na behandeling van prostaatkanker: Is herstel van erectiele functie voldoende?

  • Auteur(s) Cobi Reisman, Woet Gianotten
  • Show to public No

Bij mannen ouder dan 45 jaar is prostaatkanker de meest voorkomende vorm van kanker. Voor deze groep mannen is aandacht voor kwaliteit van het leven en vooral seksualiteit van groot belang.
Alle mogelijke behandelingen voor prostaatkanker veroorzaken functionele schade en psychogene problemen met als gevolg een breed palet aan seksuele verstoringen. Bekende seksuele gevolgen van de behandeling zijn verminderde zin, erectiele disfunctie, anejaculatie, orgasmestoornissen, verlies van urine tijdens het orgasme (climacturia) en verandering in de lengte en de vorm van de penis.
De man met prostaatkanker krijgt niet alleen te maken met onzekerheid over terugkeer van de kanker en over de toekomst, maar hij moet daarnaast leren omgaan met fysieke, cognitieve en seksuele problemen en ook met veranderingen in de relatie met zijn partner.
Waar de literatuur lange tijd alleen aandacht had voor een verstoorde erectie, komt er nu ook meer aandacht voor andere seksuele verstoringen.
Voor sommige mannen werken de medische interventies bij deze seksuele verstoringen, maar erectie en orgasme zijn slechts ingredi├źnten en niet het hele seksuele recept. Een uitgebreide multidisciplinaire aanpak is nodig om de mannen en hun partners beter te begrijpen en optimaal te helpen.

Gepubliceerd in 2017, jaargang 41, Nummer 4

Seksuele training voor revalidatie medewerkers

  • Geschreven door Alexander Witpas

R., Pieters, H., Kedde, & J., Bender. (2017). Training rehabilitation teams in sexual health care: A description and evaluation of a multidisciplinary intervention. Disability and Rehabilitation.

 

Mensen met chronische ziektes en fysieke beperkingen ervaren als groep duidelijk meer seksuele moeilijkheden dan de rest van de bevolking. Toch is de aanpak van die moeilijkheden geen integraal onderdeel van de bestaande zorg. Dit artikel beschrijft de evaluatie van een training bestemd voor multidisciplinaire revalidatieteams, gericht op het creëren van een professionele zorgomgeving waarin seksuele problemen besproken worden, voorkomen als het kan en behandeld als het moet. Zes teams kregen een training op maat, van in totaal zes dagdelen, gespreid over vier maanden. De effecten werden gemeten met een pre-post-testdesign. Participanten kregen twee anonieme online vragenlijsten: één voor de training en een andere vier weken na de training.

Uit de resultaten blijkt dat er een significante verbetering is op het gebied van kennis over seks en seksuele problemen. Teamleden voelen zich geruster in het bespreken en zelf aankaarten van seksuele thema’s, zowel in gesprekken met patiënten als tijdens professioneel overleg. En, cruciaal: ze doen het ook vaker. De training had geen merkbaar effect op de mate waarin ze mogelijkheden zagen om seks ter sprake te brengen in hun werk, of de mate waarin ze dit belangrijk vonden. De effecten waren het grootst bij de paramedische teamleden. Patiënten werden in deze studie niet bevraagd, er is dan ook geen informatie over de mate waarin zij een verandering merkten in hun interactie met de teamleden.

De auteurs van het artikel merken terecht op dat een multidisciplinair revalidatieteam heel wat mogelijkheden biedt die minder aanwezig zijn bij individueel werkende zorgverstrekkers. Zo hebben de teamleden bijvoorbeeld aanvullende expertises, waardoor een bio-psycho-sociale benadering van seksuele problemen waarschijnlijker wordt. De teams hebben ook een breed zicht op de verschillende levensdomeinen, en de begeleiding is meestal van langere duur, waardoor interventies beter ingebed kunnen worden in de globale zorg. Al die mogelijkheden kunnen echter maar optimaal benut worden op voorwaarde dat kennis en expertise worden omgezet in een structurele, beleidsmatige aanpak binnen het team. Dat impliceert bijvoorbeeld een duidelijke verdeling van de rollen, en afspraken over wie bepaalde topics proactief bevraagt. Vier van de negen modules zijn hier dan ook op gericht, en het sluitstuk van de training is een plan waarin één en ander wordt bezegeld. Het zou interessant zijn om te onderzoeken in welke mate teamafspraken werden nageleefd, bijvoorbeeld na een periode van zes maanden, en welke factoren dit beïnvloeden.

Daarnaast valt op dat de attitude bij de participanten al bij aanvang vrij positief was. Dat kan verklaren waarom de training op dat gebied weinig effect had. De studie geeft m.i. aan dat dit soort van interventie goed in staat is om positief gestemde teams te activeren, en dat is ongetwijfeld een meerwaarde. Mochten alle zorgprofessionals met goede maar vage intenties op het gebied van seksuele problemen overgaan tot gestructureerde actie, dan zou dat voor patiënten een wereld van verschil maken. Een intrigerende vraag blijft of de interventie ook in staat is om teams met een negatieve attitude in beweging te krijgen.

 

Gepubliceerd in Internationale Publicaties