Auteur(s): Clerick, Michiels, Enzlin & Steyaert
Er is toenemende evidentie dat autisme en genderincongruentie (GI) vaak samen voorkomen. Deze studie had als doel om de kwaliteit van kwantitatief onderzoek naar hypothesen over de associatie tussen autisme en GI te beoordelen en om methodologische sterktes en zwaktes in kaart te brengen. Twee onderzoekers voerden onafhankelijk van elkaar een systematische zoekactie uit in vijf databases (Pubmed, Cochrane, Web of Science, Scopus en Embase). De studie richt zich op peer-reviewed artikelen met originele kwantitatieve data over hypothesen rond de associatie tussen autisme en GI, met uitsluiting van grijze literatuur. Gegevens over studieopzet en methodologie werden geïnventariseerd en bediscussieerd volgens de PRISMA-richtlijnen en JBI Critical Appraisal Tools. In totaal voldeden 68 studies aan de inclusiecriteria. De kwaliteit van de studies werd beoordeeld op het vlak van rekrutering, steekproefselectie, allocatie, uitkomsten en data-analyse. De onderbouwing van hypothesen over de associatie tussen autisme en GI is methodologisch zwak. De geïncludeerde studies vertonen belangrijke beperkingen in termen van steekproefrepresentativiteit, validiteit van meetinstrumenten, vergelijkbaarheid tussen onderzoeksgroepen en controle voor confounders. Voorzichtigheid is daarom geboden bij het gebruik van deze evidentie in zowel klinische als maatschappelijke contexten. Voor robuust kwantitatief onderzoek is vooreerst validatie van meetinstrumenten en een grondige aanpak van de methodologische beperkingen noodzakelijk. Gezien deze grote uitdagingen rijst de vraag of onderzoek zich momenteel beter zou richten op elementen met een relevante impact op het leven van personen met autisme en GI, met aandacht voor geleefde ervaringen. In de klinische praktijk moet ingezet worden op het begrijpen van de individuele noden van een cliënt eerder dan te vertrekken vanuit algemeenheden gebaseerd op beperkt of zwak methodologisch bewijs.