Koos Slob, bioloog, medisch fysioloog en seksuoloog, overleed op 7 juli 2026 op 85-jarige leeftijd. Met hem verliest de seksuologie een markant mens en een van haar grote voortrekkers. Koos was veelzijdig en bijzonder, zoals ook de mooie in memoriam van Rik van Lunsen (2026) en de Erasmus Universiteit (2026) treffend laten zien.
Voor het Tijdschrift voor Seksuologie was Koos van 1987 tot 2001 hoofdredacteur. Zijn verdiensten voor het tijdschrift zijn nauwelijks te overschatten. Ik durf zelfs te stellen dat het Tijdschrift voor Seksuologie zonder Koos vandaag wellicht niet meer zou bestaan. Met schijnbaar onuitputtelijke energie wierf hij auteurs, zorgde hij ervoor dat manuscripten eerlijk, tijdig en constructief werden beoordeeld, stimuleerde hij auteurs om redactionele feedback te verwerken, organiseerde hij financiële steun en bestuurde hij samen met collega's de Stichting Tijdschrift voor Seksuologie. En dat was nog maar een deel van zijn inzet. Dat alles was zeker niet vanzelfsprekend, gezien de toenemende druk om internationaal te publiceren in gespecialiseerde seksuologische of disciplinaire tijdschriften. Toch slaagde Koos daar wonderwel in, wat veel zegt over zijn gezag en aanzien binnen de seksuologie.
Koos was er diep van overtuigd dat seksuologie niet uitsluitend het domein is van academici, al dan niet verscholen in een ivoren toren. Integendeel: het vak heeft juist behoefte aan een voortdurende wisselwerking tussen academici, klinisch seksuologen, preventiewerkers en andere professionals. Alleen die wederzijdse kruisbestuiving kan de seksuologie als geheel verder brengen. Die samenwerking moest bovendien plaatsvinden binnen een interdisciplinair, biopsychosociaal kader dat stevig verankerd is in wetenschappelijk onderzoek (Nimbi, et al., 2021; Perelman, et al., 2025; Robinaugh, et al., 2026). Dat dit vandaag vanzelfsprekend lijkt, betekent niet dat het dat destijds ook was. Ter illustratie citeer ik Rik van Lunsen (2026): "mede dankzij Koos werd het primaat van de medici doorbroken en werd de kiem gelegd voor het structureel bio-psychosociaal karakter van de Nederlandse seksuologie." Koos' eigen invulling van het biopsychosociale paradigma sloot sterk aan bij het sekse-differentiatiemodel (bijv. Diamond, 1965; Balthazart, 2016. 2020; Sakata & Balthazart, 2026). Sterk constructionistische benaderingen konden daarentegen niet op zijn wetenschappelijke goedkeuring rekenen. Foucault behoorde niet tot zijn wetenschappelijke favorieten; het paradigma van Phoenix en collega's (1959) des te meer.
Koos was echter niet alleen hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Seksuologie, maar ook een veelzijdig wetenschapper, een bevlogen verspreider van seksuologische kennis naar niet-seksuologen en een gedreven bestuurder. Voor ik daar verder op inga, wil ik kort stilstaan bij de manier waarop Koos werkte binnen het Stichtingsbestuur van het Tijdschrift voor Seksuologie, waarvan hij jarenlang een prominente kracht was. Zijn bestuursperiode begon met een bijzonder gezelschap: drie Vlamingen en drie Nederlanders, die vanuit heel verschillende persoonlijkheden, loopbanen en culturele achtergronden een vruchtbare samenwerking probeerden uit te bouwen. Ik herinner me nog levendig hoe verbaasd wij als Vlamingen waren dat Koos een maaltijd tijdens bestuursvergaderingen volstrekt overbodig vond en hoe zuinig hij omsprong met de middelen om de financiële gezondheid van het Tijdschrift te bewaken. Evenzeer moesten we wennen aan zijn typisch Hollandse directheid en zijn scherpe argumentatie. Die was echter altijd op de bal gespeeld en nooit op de persoon gericht. Tegelijkertijd was Koos verrassend humoristisch, goedlachs en aangenaam gezelschap.
Onder zijn bezielende leiding, en die van Gaby Van Damme aan Vlaamse zijde, groeide het Stichtingsbestuur uit tot een hechte en plezierige groep, waarin men elkaar respecteerde, elkaar successen gunde en met veel engagement samenwerkte, ondanks soms fundamentele meningsverschillen. Bovendien was Koos oprecht betrokken bij het persoonlijke wel en wee van zijn collega's. Kortom, Koos' manier van werken laat zich misschien nog het best samenvatten als: met de kracht van de beste argumenten en de beste wetenschappelijke evidentie, ethisch en maatschappelijk verantwoord bouwen aan de seksuologisch "goede zaak".
Koos behaalde in 1965 zijn doctoraal Biologie aan de Universiteit Utrecht en promoveerde in 1972 bij Koos van der Werff ten Bosch tot doctor in de Geneeskunde met het proefschrift Perinatal endocrine and nutritional factors controlling physical and behavioral development in the rat. Op 13 februari 1992 hield hij zijn oratie De potentie van psychofysiologisch onderzoek: "Honni soit qui mal y pense" en op 29 juni 2001 sprak hij zijn afscheidsrede uit onder de titel Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen. Van 1967 tot 2001 was Koos verbonden aan de Erasmus Universiteit.
De kernthema's van zijn wetenschappelijk onderzoek waren geslachtshormonen en seksueel gedrag bij zoogdieren, waaronder ratten, cavia's, mensen en andere primaten, seksuele preferenties bij ratten, psychofysiologisch onderzoek naar de seksuele respons en de effecten van farmaca op die seksuele respons. Zelf was Koos bijzonder gehecht aan enkele onderzoekslijnen, waaronder het onderzoek naar orgasme bij vrouwelijke Macaca arctoides (Goldfoot et al., 1980), de ontwikkeling van een paradigma voor het meten van seksuele preferenties bij ratten (bijv. Bakker et al., 1994; zie ook Fernandez-Gusti et al., 2026) en het onderzoek naar de effecten van radiotherapie op de seksualiteit van mannen met prostaatkanker (bijv. Incrocci et al., 2006). Voor een overzicht van Koos' internationale wetenschappelijke publicaties verwijzen wij naar PubMed.
Naast zijn wetenschappelijk onderzoek zette Koos zich met grote overtuiging in voor de verspreiding van seksuologische kennis en kunde naar niet-seksuologen en voor de bevordering van het seksuologieonderwijs aan (toekomstige) professionals in de gezondheidszorg. Zo verzorgde hij onder meer een seksvragenrubriek in het maandblad Men's Health, schreef hij een tweemaandelijkse column voor Het Parool en werkte hij mee aan de films Liefde op leeftijd (1982) en Vrijen in verwachting (1986). Samen met huisarts Ineke Vink schreef hij bovendien voor een breed publiek. Een opstandige jongen. Over seksualiteit en potentie van de man (1993) en Mannen, vrouwen en vrijen (1996).
Koos ijverde sterk voor seksuologie-onderwijs aan artsen (in opleiding) en was initiatiefnemer en mederedacteur van Facetten van Seksualiteit: Een inleiding tot de seksuologie (1984) en van het leerboek Seksuologie voor de arts (1987). Samen met Jan Schraag startte hij in 1992 de Basiscursus seksuologie, die de basis vormde voor de huidige Postcademische opleiding seksuoloog: Een praktijkgerichte opleiding voor BIG-geregistreerden (Voor een kennismaking met Koos’ onderwijsvisie: Everaerd & Slob, 1986).
Redactioneel en wetenschappelijk werk gingen voor Koos moeiteloos samen met bestuurlijke verantwoordelijkheid. Doorheen zijn loopbaan vervulde hij tal van bestuursfuncties. Zo was hij onder meer bestuurder van de Nederlandse Vereniging voor Seksuologie, lid van de Faculteitsraad van de Faculteit Geneeskunde en van de Universiteitsraad van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Als bevestiging van zijn internationale aanzien was hij van 1993 tot 1995 president-elect, president en past-president van de International Academy for Sex Research.
Het is duidelijk: Koos was altijd druk in de weer; zomaar niets doen was niet aan hem besteed. Die grote bedrijvigheid ging echter geenszins ten koste van de kwaliteit van zijn wetenschappelijk werk. Integendeel, zijn veelzijdigheid en wetenschappelijke verdiensten genoten zowel nationaal als internationaal grote waardering.
In 2001 ontving hij van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie de derde Dr. Herman Musaph Prijs voor Medische Seksuologie. Eerder, in 1987, eerden zijn seksuologische collega's hem al met de eerste Van Emde Boas–Van Usselprijs van de Nederlandse Vereniging voor Seksuologie . De toenmalige juryvoorzitter, Walter Everaerd (1987), verwoordde Koos' kwaliteiten treffend: “De verdiensten van de kandidaten zijn uitvoerig besproken, waarbij bijdragen op veel terreinen en op hoog niveau als criterium werd gebruikt…. Dr. Koos Slob heeft een lang en gevarieerd, maar bovenal uitnemend curriculum in seksuologisch onderzoek, onderwijs, vorming en voorlichting en iets recenter ook in de seksuologishe hulpverlening. Door zijn manier van werken levert hij een zeer substantiële bijdrage aan de seksuologie beoefening in Nederland. Hij getuigt van zijn humane en emancipatorische instelling, maar is ook een voorbeeld van interdisciplinaire samenwerking. Zijn wetenschappelijke verdiensten onderstrepen zijn diepgaande deskundigheid”.
Na zijn emeritaat keerde Koos terug naar een van zijn eerste liefdes: bomen en dendrologie. Samen met zijn echtgenote Ineke toverde hij een weiland in Frankrijk om tot een prachtig arboretum. Daar waren Koos en Ineke intens gelukkig. Vele vrienden en collega's kwamen er langs voor een hartelijk weerzien. Koos en Ineke ontvingen hun gasten met grote gastvrijheid, maar gaven hen tegelijkertijd alle ruimte om hun eigen gang te gaan.
Ook na zijn emeritaat bleef Koos actief schrijven. Zo was hij jarenlang lid van de redactiecommissie van Arbor Vitae, het tijdschrift van de Nederlandse Dendrologische Vereniging. De seksuologie bleef hij eveneens met belangstelling volgen, zij het met toenemende distantie. Daarvoor had hij verschillende redenen. Zo vond hij dat er te veel seksuologische opvattingen werden verkondigd die onvoldoende op valide wetenschappelijke data waren gebaseerd. Daarnaast voelde Koos sterk dat iemand van zijn generatie steeds minder aansluiting had bij de cultuur van jonge professionals, en omgekeerd. Dat betekende echter niet dat zijn belangstelling voor het vak verdwenen was. Integendeel, hij bleef genieten van goede seksuologische literatuur. Zo sprak hij met veel waardering over Frans de Waals Anders. Gender door de ogen van een primatoloog (2022) en Cat Bohannons Eva. Wat de evolutie van het vrouwelijke lichaam zegt over wie we zijn (2024).
Koos was niet alleen een gedreven seksuoloog, maar bovenal een fijn mens. Hoewel veel collega's zijn scherpe tong vreesden, kwam hij altijd eloquent op voor zijn standpunten en stak hij zijn visie niet onder stoelen of banken. Dat kon soms confronterend zijn. Tegelijkertijd kon je met Koos uitstekend van mening verschillen – en dat deden we geregeld. We voerden levendige discussies over de theoretische invulling van het biopsychosociale paradigma, over wat (ab)normaal is, over de (on)zin van diermodellen voor het begrijpen van seksueel gedrag bij de mens, over gendergelijkenissen en genderverschillen, en zelfs over de vraag of er eigenlijk wel seksuologen bestaan. Die discussies verliepen steeds met wederzijds respect. Bovendien was Koos bijzonder gevoelig voor de kracht van goede argumenten: als je gelijk had, gaf hij dat snel en zonder aarzelen toe.
Wie Koos beter leerde kennen, ontmoette een gepassioneerd mens met een groot sociaal en maatschappelijk engagement en een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Hij hield van het leven, was gevoelig en aimabel, gunde anderen het beste, leefde mee met hun wel en wee en maakte zich oprecht zorgen over klimatologische, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen.
Wij zullen Koos zeer missen: als inspirator, voorbeeld, mentor en mens. Tegelijk zijn we hem bijzonder dankbaar voor alles wat hij voor het Tijdschrift voor Seksuologie heeft betekend.
Wij wensen zijn echtgenote Ineke Vink, zijn kinderen, kleinkinderen en verdere familie veel mooie, deugddoende en inspirerende herinneringen toe, evenals de steun en veerkracht om dit verlies te dragen.
Literatuur
Baarends, W.M. (10 juli 2026). Prof dr. A.K. Slob . In memoriam namens de afdeling Ontwikkelingsbiologie van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam.
Bakker, J. , van Ophemert, J., Eijskoot, F., & Slob, A.K. (1994). A semiautomated test apparatus for studying partner preference in the rat. Physiology & Behavior, 56, 597-601.
Balthazart, J. (2016). Sex differences in partner preferences in humans and animals. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 371, 20150118.
Balthazart, J. (2020). Sexual partner preference in animals and humans. Neuroscience and Biobehavioral Reviews, 115, 34-47.
Bohannon, C. (2024). Eva. Wat de evolutie van het vrouwelijke lichaam zegt over wie we zijn. De Bezige Bij.
De Waal, F. (2022). Anders. Gender door de ogen van een primatoloog. Atlas Contact.
Diamond, M. (1965). A critical evaluation of the ontogeny of human sexual behavior. Quarterly Review of Biology, 40, 147-175.
Everaerd, W. (1987). Van Emde Boas – Van Ussel prijs 1987 voor dr. Koos Slob. Tijdschrift voor Seksuologie, 11, 96-99.
Everaerd, W., & Slob, A.K. (1986). Onderwijs en opleiding in seksuele hulpverlening. In M.C.T. Moors-Mommers, W. Bezemer, J. Frenken, et al. (Red.). Handboek seksuele hulpverlening. Van Loghum Slaterus.
Fernandez-Gusti, A., Reyes, R., Gomez Quintari, B., & Aburto-Gracia, E. (2026). Animal models for the study of same-sex sexual behavior. Current Sexual Health Reports, 18: 10.
Goldfoot, D.A., Westerborg-van Loon, H., Groeneveld, W. & Slob, A.K. (1980). Behavioral and physiological evidence of sexual climax in the female stump-tailed macaque (Macaca Arctoides). Science, 208, 1477-1479.
Incrocci, L., Slagter, C., Slob, A.K., & Hop, W.C. (2006). A randomized, double-blind, placebo-controlled, cross-over study to assess the efficacy of tadalafil (Cialis) in the treatment of erectile dysfunction following three-dimensional conformal external-beam radiotherapy for prostatic carcinoma. International Journal of Radiation Oncology*Biology*Physics, 66, 439-444.
Nimbi, F., Galizia, R., Rossi, R., et al. (2022). The biopsychosocial model and the sex-positive approach: An integrative perspective for sexology and general health care. Sexuality Research and Social Policy, 19, 894-908.
Perelman, M.A., Giraldi, A., Parish, S., Wittmann, D., Fisher, W., Bober, S.L., Pastuszak, A., & Pfaus, J. (2025). How has the biopsychosocial model feared in sexual medicine and sex therapy? Sexual Medicine Reviews, 13, (4), 663-673.
Phoenix, C.H., Goy, R.W., Gerall, A.A., & Young, W.C. (1959). Organizing action of prenatally administered testosterone proprionate on the tissues mediating mating behavior in the female guinea pig. Endocrinology 65, 369-382.
Robinaugh, D.J., Blanken, T.F., Bridger, E.K., et al. (2026). The future of the biopsychosocial model: Toward a transdisciplinary systems science of mental health. Clinical Psychological Science.
Sakata, J.T. & Balthazart, J. (2026). Cellular mechanisms regulating the timing of organizational effects of sex steroid hormones. Hormones and Behavior, 181, 105923.
Slob, A.K. (1992). De potentie van psychofysiologische onderzoek. “Honni soit qui mal y pense”. Erasmus Universiteit Rotterdam.
Slob, A.K. (2001). Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen. Tijdschrift voor Seksuologie, 25, 116-123.
Slob, A.K., Meulenbelt, A. & Frenken, J. (1984). Facetten van seksualiteit. Een inleiding tot de seksuologie. Samsom/Stafleu.
Slob, A.K., & Vink, I. (1993). Een opstandige jongen. Over seksualiteit en potentie van de man. Elmar.
Slob, A.K., & Vink, I. (1996). Mannen, vrouwen en vrijen. Over seksualiteit en potentie. Elmar.
Slob, A.K., Vink, C.W., Moors, J.P.C. & Everaerd, W. (Red.)(1987). Seksuologie voor de arts. Samsom Stafleu.
Van Lunsen, R. (13 juli 2026). In memoriam Koos Slob. Nederlandse Vereniging voor Seksuologie.