Hulpzoekgedrag en route naar zorg bij seksuele problemen

  • Auteur(s) Charles Picavet, Susanne Tonnon, Dirk Franssens, Ciel Wijsen
  • Show to public Yes

Seksuele problemen komen regelmatig voor. Lang niet iedereen met een seksueel probleem ontvangt daar professionele hulp voor. In dit artikel wordt het hulpzoekgedrag van mensen met seksuele problemen in kaart gebracht. Het onderzoek heeft als doel om barrières om hulp te zoeken te inventariseren en in kaart te brengen bij wat voor hulpverleners men terechtkomt als men hulp zoekt. Het overgrote deel (86%) van de mensen die last hebben van seksuele problemen zegt geen behoefte te hebben aan zorg, vaak omdat men het geen probleem (meer) vindt. Van degenen die wel een zorgbehoefte hebben, heeft minder dan de helft ook daadwerkelijk zorg ontvangen. De belangrijkste redenen om geen hulp te zoeken zijn dat men het probleem niet ernstig genoeg vindt om hulp voor te zoeken of omdat men dit probleem zelf denkt op te kunnen lossen. De mensen die wel in de hulpverlening terechtkomen, gaan in de meeste gevallen naar de huisarts voor hulp en zoeken op internet naar informatie. De tweedelijns hulpverlening wordt veel minder frequent bezocht en een seksuoloog wordt slechts door een enkeling gezien. Suggesties worden gedaan voor verbetering van de hulpverlening aan mensen met seksuele problemen.

Gepubliceerd in 2012, jaargang 36, Nummer 1

Copingstrategieën en hulpbehoefte na seksueel misbruik in de kindertijd: jongeren aan het woord

  • Auteur(s) Pinar Okur, Leontien M. van der Knaap, Stefan Bogaerts
  • Show to public Yes

Slachtoffers van seksueel misbruik in de kindertijd kunnen verschillende copingstrategieën hanteren om met hun ervaring(en) om te gaan. Deze studie beoogt deze copingstrategieën in kaart te brengen, te inventariseren welke rol professionele hulpverlening hierin speelt, en een beeld te geven van de opvattingen van slachtoffers over de bestaande hulpverlening. In 23 interviews met jongvolwassenen (18-25 jaar), die te maken hebben gehad met seksueel misbruik in de kindertijd, zijn gegevens over het soort misbruik, het verwerkingsproces, tevredenheid over het verwerkingsproces en opvattingen over de bestaande hulpverlening verzameld. Uit de interviews blijkt dat respondenten tijdens het verwerkingsproces overwegend drie verschillende copingstrategieën gebruiken. In eerste instantie kiezen de meesten voor de strategie ‘zelf verwerken van het misbruik’. Na verloop van tijd kiezen bijna alle respondenten er echter voor om anderen te vertellen wat ze is overkomen (tweede copingstrategie). Tot slot wordt het ‘het omzetten van de misbruikervaring in iets positiefs’ genoemd, waarbij respondenten de nare misbruikervaring tot een positieve(re) uitkomst hebben weten om te zetten. Sommigen proberen daarnaast door andere meiden te waarschuwen te voorkomen dat anderen soortgelijke ervaringen opdoen.
Het merendeel van de respondenten gaf aan liever eerder met iemand te hebben willen praten dan ze hebben gedaan, maar zag hier geen mogelijkheid voor. Veel respondenten zeiden dat ze de behoefte hadden om met hun ouders over hun misbruikervaring te praten. Respondenten hadden daarentegen een negatief beeld van zowel vertrouwenspersonen op school als online hulpverlening. Het versterken van de communicatie tussen slachtoffers en ouders en het bieden van meer voorlichting over (het aangeven van) grenzen op school lijken veelbelovende strategieën voor de ondersteuning van jonge slachtoffers van seksueel misbruik. Tot slot zou een actieve(re) voorlichting over de voordelen van online hulpverlening kunnen helpen om het wantrouwen jegens online hulpverlening weg te halen.

Gepubliceerd in 2014, jaargang 38, Nummer 3

ISSUES