Abonneren Archief E-mail

Tijdschriftnummers
Inhoud: laatste nummer
Inhoud: lopende jaargang
Inhoud: archief


Redactioneel
Aanwijzingen voor auteurs
Redactieleden

Service aan klanten
Abonneren
Bestel oudere nummers
Contacten
Nieuws

Archief
Links
Zoeken op deze site


Home


Stuur een Email

Tijdschrift voor Seksuologie


2009, Jaargang 33, Nummer 3


Inhoudsopgave


Home










Abstracts

Snelle fluctuaties in rectale druk (8-13Hz) zijn een objectieve maat voor het vrouwelijke orgasme
J. GeorgiadisJ. van Netten A. NieuwenburgR. Kortekaas

Tijdens een orgasme treden in het hele lichaam heftige onwillekeurige spiercontracties op. Onze hypothese was dat in vrouwen een orgasme objectief aan te tonen is door de frequenties die voorkomen in de contracties van de spieren van de bekkenbodem te analyseren. Bij 23 heteroseksuele vrouwelijke vrijwilligers werd de rectale druk gemeten terwijl hun partner de clitoris stimuleerde, terwijl ze een orgasme probeerden te bereiken en terwijl ze een orgasme imiteerden. Na een poging om een orgasme te bereiken werd de vrijwilligers gevraagd of ze een orgasme hadden beleefd ('orgasme') of niet ('mislukte orgasmepoging'). Vervolgens werd spectraalanalyse gedaan op de rectale druk en werd de energie berekend in een viertal frequentiedomeinen (delta: 0.5 -4 Hz; theta: 4 -8 Hz; alpha: 8 -13Hz; beta: 13 -25 Hz). De meest opvallende en belangrijkste bevinding was dat de energie in het alpha-domein tijdens orgasme significant groter was dan tijdens mislukte orgasmepogingen of tijdens het imiteren van een orgasme, twee taken die niettemin gepaard gingen met heftige bekkenbodemspiercontracties. Vervolgens werd op basis hiervan het alpha-domein algoritme ontwikkeld. Hiermee werd 94% (29/3 l) van de gerapporteerde orgasmen herkend en werd 69% (44/64) van alle orgasmepogingen gecategoriseerd in overeenstemming met de subjectieve rapportage (d.w.z. als 'geslaagd' of 'mislukt'). Omdat 'alpha-fluctuaties' veel dominanter waren in het rectale druksignaal tijdens geslaagde orgasmen dan tijdens orgasme-imitaties of mislukte orgasmepogingen, stellen wij dat zij een marker zijn voor de onwillekeurige spiercontracties die tijdens een orgasme optreden in de spieren die het rectum omgeven. Dit is de eerste objectieve en kwantitatieve marker van de fysiologie van het orgasme die specifiek is en die met de subjectieve beleving ervan een sterke overeenkomst heeft.

Studiedag Mindfulness en Seksualiteit, 15 mei 2009
S. van DiestA. Kremers

Verslag van de Studiedag Mindfulness en Seksualiteit, 15 mei 2009, boerderij Langerlust, Amsterdam. de dag stond in het teken van aandacht. Willem Fonteijn vertelt over de achtergrond van mindfulness, dat een mooie aanvulling kan zijn op de bestaande therapieën, waarbij gebruik gemaakt wordt van cognitieve gedragstherapie en Masters en Johnson. Tijdens het middagprogramma slaat Jan den Boer, tantratrainer en filosoof, een brug tussen tantra en mindfulness. Reinhilde Melles vertelt over de toepassing van mindfulness bij vrouwen met vaginisme en dyspareunie. Gertjan van Zessen, seksuoloog en behandelaar van seksverslaving, stelt dat de behandeling van seksverslaving niet gericht zou moeten zijn op het inperken van verslavingsgedrag, maar op het vergroten van zelfwaardering van de patiënt.

Tasten in het duister. Grenzen aan ons inzicht bij lichaamsgebonden weerstanden
J. Drenth

Aanleiding voor dit artikel is de ziektegeschiedenis van een man met levenslange dyspareunie, waarin allerlei vragen onbeantwoord bleven. Deze problematiek hing samen met een nauwe voorhuid zonder somatische pathologie en de casus wordt vanuit dit perspectief, in samenhang met andere mannencasuïstiek beschouwd. Omdat de informatie over dit onderwerp beperkt is, worden klinische inzichten over etiologie, behandelstrategie en het hanteren van weerstanden gespiegeld aan soortgelijke kennis over vaginisme, uitgaande van de premisse dat deze probleemgebieden aan elkaar verwant zijn. Deze reflectie biedt tevens een historisch perspectief op de klinische praktijk, waarin zowel psychodynamische, gedragstherapeutische, feministische en groepsdynamische inzicchten het denken over etiologie, behandelmethode en gewenste therapeutische attitude in heel verschillende, soms elkaar uitsluitende richtingen gestuurd blijken te hebben. Vooral over de mate van directiviteit van de hulpverlener hebben zich forse meningsverschillen voorgedaan.

Zorgverleners over seksualiteit van mensen met verstandelijke beperkingen; een kwalitatief onderzoek
G. Kok. R. MaassenM. Maaskant L. Curfs

In dit artikel wordt verslag gedaan van een kwalitatief onderzoek naar voorlichting over seksualiteit bij mensen met verstandelijke beperkingen en hoe mensen met verstandelijke beperkingen hun seksualiteit ervaren. Hiertoe werden binnen een instelling voor mensen met verstandelijke beperkingen interviews afgenomen bij professionele zorgverleners. Hulpverleners geven aan dat seksuele ervaringen en belevingen van mensen met een matige tot lichte verstandelijke beperking fors verschillen van mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking. Het niet goed kunnen inschatten van de seksuele wensen en behoeften van cliënten wordt door de hulpverleners als een belangrijk knelpunt ervaren. De begeleiding van cliënten op het gebied van de seksualiteit wordt als onvoldoende ervaren. Er is behoefte aan methoden voor het ondersteunen van mensen met verstandelijke beperkingen bij hun seksuele ontwikkeling en seksualiteit.

De Female Sexual Function Index (FFSI) en de Female Sexual Distress Scale (FSDS): Psychometrische eigenschappen in een Nederlandse populatie
M.M. Ter KuileM. BrauerE. Laan

Het doel van het onderhavige onderzoek was de psychometrische eigenschappen van de Female Sexual Function Index (FSFI) en de Female Sexual Distress Scale (FSDS) te onderzoeken in een Nederlandse populatie van ongeveer 350 vrouwen met en zonder seksuele klachten. De voornaamste conclusies van dit onderzoek zijn dat de multidimensionale structuur van de FSFI en de unidimensionale structuur van de FSDS in een Nederlandse steekproef redelijk goed worden gerepliceerd. De hoeveelheid variantie die door een confirrnatieve en een exploratieve factoranalyse werd verklaard, was goed. De interne consistentie en stabiliteit van de FSFI en bijbehorende subschalen en de FSDS zijn voldoende tot goed en de (sub)schalen zijn redelijk stabiel over demografische variabelen. De discriminante validiteit evenals het vermogen van de schalen om de aan- of afwezigheid van seksuele klachten te voorspellen, waren uitstekend. De convergente en divergente begripsvaliditeit van de FSFI en de FSDS waren goed. Als zodanig ondersteunen deze resultaten de betrouwbaarheid en de psychometrische validiteit van de FSFI en de FSDS in respectievelijk de beoordeling van de dimensies van het seksuele functioneren en de persoonlijk ervaren hinder omtrent seksueel functioneren bij vrouwen in klinische en niet-klinische steekproeven.

Genetische factoren bij ejaculatiestoornissen [Gesignaleerd]
W.J.S.S. Cuypers

Premature ejaculatie (PE, ejaculatio prae cox) is een van de meest gerapporteerde seksuele disfuncties bij mannen met een prevalentie welke varieert tussen de 3% en 30%, afhankelijk van de gebruikte definitie en diagnostische criteria. Ook hogere prevalentiecijfers zijn gevonden. Over de exacte etiologie van PE is in de afgelopen jaren veel onderzoek beschikbaar gekomen, waarbij de diverse biopsychosociale factoren in ogenschouw worden genomen. De meest recente literatuur spitst zich vooral toe op (neuro )biologische, endocriene en in het bijzonder genetische factoren welke mogelijk van invloed zijn. Cuypers bespreekt een recent Fins onderzoek (P. Jern et al, 2009) dat verschillende variabelen bekijkt van de ejaculatiefunctie, en de relatie van genetica en omgevingsfactoren met ejaculatoire disfunctie. Hiervoor werden bijna 4.000 tweelingen en hun siblings geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd betrof bijna 30 jaar. Voor zover bekend de eerste studie die overtuigend aantoont dat genetische factoren van invloed zijn op de ejaculatiefunctie. Hiermee worden eerdere hypotheses en aanwijzingen verder ondersteund. Echter, andere dan genetische factoren blijken van meer invloed te zijn. Zo valt enigszins tussen de regels door - te lezen dat de grootste rol is weggelegd voor de unieke (individuele) omgevingsfactoren. In geval van PE zijn daarnaast echter ook genetische factoren van belang en in geval van DE (geremd klaarkomen) gedeelde omgevingsfactoren (en geen genetische factoren).

De verlegenheid voorbij!? Seksualiteit en seksueel misbruik in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking [Congresverslag]
J. StoffelenG. KokL. Curfs

De huil- en driftbuien, de nachtmerries en het angstige gedrag van Ronja, komen in een ander daglicht te staan als blijkt dat zij in de bus naar school dagelijks seksueel misbruikt wordt door een jongen met eveneens een verstandelijke beperking. Speltherapeute Hanneke van Bommel vertelde over haar praktijkervaringen tijdens de studiedag op 7 november 2008 in Veldhoven. Het Gouverneur Kremers Centrum van de Universiteit Maastricht organiseerde deze studiedag in samenwerking met de Severinusstichting en Cupertino. Het doel van de studiedag was om te reflecteren op de stand van zaken rondom seksualiteit van mensen met een verstandelijke beperking. Drs. Willy van Berlo werkzaam voor het kenniscentrum voor seksualiteit, de Rutgers Nisso Groep, schetste een beeld van de seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking. Prof. dr. Gerjo Kok, hoogleraar Toegepaste Psychologie aan de Universiteit Maastricht, hield een presentatie over de effectiviteit van voorlichting over seksualiteit en prof. dr. Herman Meininger, bijzonder hoogleraar Sociale integratie van mensen met een verstandelijke beperking aan de Vrije Universiteit Amsterdam, gaf een reflectie over wat goede zorg is als het gaat over seksualiteit van mensen met een verstandelijke beperking.

"Waar zijn we mee bezig?" [Forum]
J. DrenthW. Weijmar Schultz

Dit is het vijfde (en afsluitende) artikel in de discussie op dit Forum over de behandeling van primair vaginisme met behulp van begeleide exposure in vivo. Eerder verschenen in deze discussie een bijdrage van E. Plooij en J. van Verseveld (2008, p. 163) met de titel 'Gemeenschap door de pijn heen? Waar zijn we mee bezig?'.Hierop volgde een reactie van M. ter Kuile getiteld 'Begeleide exposure behandeling voor vrouwen met primair vaginisme' (2008, 163-164). Daarna publiceerden J. Drenth en W. Weijmar Schultz een bijdrage met de titel 'Nogmaals: waar zijn wij precies mee bezig? Een verlengde discussie' (2009, pp. 29-30). In het vorige nummer van TvS schreven M. Ter Kuile, P. Weijenborg, A. Beekman, R. Melles, E. de Groot, C. Tuijnman-Raasveld, C. Vliet Vlieland en J. van Lankveld de repliek getiteld 'Hier zijn we in Leiden en Maastricht mee bezig' (2009, pp. 148-150).

Rutgers Nisso Groep "geen sprake van onttrekking aan het wetenschappelijk discours" [...] [Forum]
W. van BerloP. Leusink

Bijdrages aan een discussie over wetenschappelijke verantwoordelijkheid in relatie tot de overheid. Repliek van Willy van Berlo, onderzoekster bij de Rutgers Nisso Groep, op redactionele opmerkingen in het het vorige nummer van het Tijdschrift voor Seksuologie, dat naar aanleiding van een studiedag op 6 maart 2009 geheel is gewijd aan pomoficatie. Opgemerkt werd dat de Rutgers Nisso Groep, MOVISIE en het Nederlands Jeugdinstituut zich aan het wetenschappelijk discours hebben onttrokken, omdat de resultaten van het onderzoek naar seksualisering niet bekend zijn gemaakt op de studiedag, maar -op verzoek van de opdrachtgever -pas twee weken later. De auteurs van het redactioneel, Peter Leusink en Jacques van Lankveld, noemen het een kwalijke ontwikkeling dat instituten zoals deze zich te veel laten leiden door het commitment met de opdrachtgever, in dit geval het ministerie van OCW. Met andere woorden, zij vinden dat de instituten zelf moeten bepalen wanneer wij met resultaten naar buiten komen, en niet de opdrachtgever. Van Berlo stelt dat de drie instituten zich aan geen enkele wetenschappelijk discours hebben onttrokken en dat ook nooit zullen doen. De reactie wordt gevolgd door een reactie van Peter Leusink op deze ingezonden brief. Leusink stelt dat de 'Verklaring van wetenschappelijke onafhankelijkheid' zoals opgesteld door de KNAW (2005) onderzoekers voldoende houvast biedt om (tevoren) met de opdrachtgever afspraken te maken, opdat de vrijheid van uitwisseling van onderzoeksbevindingen wordt gewaarborgd. Tenslotte een dupliek door Willy van Berlo, namens de Rutgers Nisso Groep, mede namens Nederlands Jeugdinstituut en MOVISIE.

Literatuurbullein
C. van der Rhee

Literatuurbulletin. INHOUD: - Ontvangen (p. 230); - Recensies (p. 231-242); - Seksuologische tijdschriften (p. 243-249).