Abonneren Archief E-mail

Tijdschriftafleveringen
Inhoud: laatste aflevering
Inhoud: lopende jaargang
Inhoud: archief


Redactioneel
Aanwijzingen voor auteurs
Redactieleden
St. Tijdschrift voor Seksuologie

Service aan klanten
Abonneren
Contacten
Nieuws

Archief
Links
Zoeken op deze site


Home


Stuur een Email

Tijdschrift voor Seksuologie


2005, Jaargang 29, Aflevering 4


Inhoudsopgave


Home
<- Vorige Archief

Abstracts









Tevredenheid met het eigen lichaam en zelfwaardering van homoseksuele mannen: Maakt een grote(re) penis een man gelukkig?
L. WoertmanJ. de WitM. Hoogesteger

Het uiterlijk speelt voor homoseksuele mannen een grote rol en afwijken van een nauw omschreven ideale uiterlijk zorgt voor onzekerheid en ontevredenheid. In deze studie is allereerst onderzocht welke lichaamsdelen voor homomannen (N = 251) belangrijk en aantrekkelijk zijn. Vervolgens is de vraag gesteld of de aantrekkelijkheid van lichaamsdelen ook gerelateerd is aan tevredenheid met het eigen lichaam en zelfwaardering. Zoals verwacht bleek de subjectieve aantrekkelijkheid van met name het bovenlichaam maar ook de penis van invloed te zijn op tevredenheid met het eigen lichaam. Ook de feitelijke lengte van de penis bleek van invloed op tevredenheid met het eigen lichaam. De meeste mannen vonden een grotere penis ideaal en het voldoen aan dit ideaal was gerelateerd aan meer tevredenheid en zelfwaardering. Omtrent de rol van de penis in het zelfbeeld en het psychologisch functioneren van mannen leven allerlei cultureel verankerde ideeën, maar hiernaar wordt geen wetenschappelijk onderzoek verricht. Onze bevindingen laten zien dat hoe homomannen hun penis beoordelen substantieel van invloed is op hoe zij zichzelf in algemene zin waarderen. Het is onbekend of een dergelijk verband ook bestaat onde,heteroseksuele mannen, maar er zijn diverse redenen om aan te nemen dat ook het zelfbeeld van hedendaagse heteroseksuele mannen samenhangt met hoe zij hun meest mannelijke en seksuele lichaamsdeel evalueren. Onderzoek naar de man en zijn penis verdient het dan ook om wetenschappelijk "salonfähig" te worden.

Moeder-zoon symbiose en zedendelinquentie: Onderzoeksgegevens
K. LehneckeK. Oei

Onderzoek naar de invloed die een problematische gezinsconstellatie kan hebben op de ontwikkeling van een perverse persoonlijkheid respectievelijk het begaan van een zedelijk delict is een zeer complexe aangelegenheid. Het vergelijkende onderzoek onder een groep delinquenten die een TBS-waardig delict hadden gepleegd (waarop minstens 4 jaar gevangenisstraf staat), waarop de eerste auteur recent promoveerde, belicht dan ook maar een klein gedeelte van de ingewikkelde puzzel. In bepaalde gevallen wordt daadwerkelijk TBS opgelegd, in andere gevallen niet. Onderzoekster wilde in het onderzoek laten zien in hoeverre er tussen de beide populaties verschillen zijn in respons en behandelbaarheid, alsook de verschillen en overeenkomsten in gezinsconstellatie. Hiertoe werden de dossiers onderzocht van 15 TBS-veroordeelden en van een even grote groep niet- TBS-gestelden (dossiers afkomstig van Forensisch Psychiatrische Dienst). Een grotere omvang was niet mogelijk door een zijdens Justitie opgelegde beperking. Het onderzoek, hoe beperkt ook, wijst op significante overeenkomsten; verschillen hebben vooral betrekking op de strafwaardigheid en de voorgeschiedenis van betrokkenen. Er is voor gekozen geen controlegroep in het onderzoek te betrekken. Dat was niet relevant vanuit de strafbaarstelling noch de vraagstelling. Er zou in de contFolegroep niet van een (bestraft) delict sprake zijn. Ethisch zou het niet aanvaardbaar zijn mensen ter controle in te zetten die niets misdaan hebben. Vergelijking met een controlegroep ligt meer voor de hand bij een gezondheidsvraagstelling. Het onderzoek dat als titel draagt 'De rol van moeder-zoon symbiose in perversie en zedendelinquentie' werd in twee opeenvolgende artikelen belicht. In het eerste artikel, reeds eerder in dit tijdschrift verschenen, is ingegaan op de theoretische aanleiding van het onderzoek, de psychoanalytische theorievorming betreffende seksualiteit en de rol van seksuele verleiding in de persoonlijkheidsontwikkeling. In dit tweede artikel worden de resultaten van het onderzoek toegelicht.

De behandeling van seksuele aversie met focusinggeoriënteerde psychotherapie
P. Scharwächter

Dit artikel beschrijft de behandeling van seksuele aversie met focusinggeoriënteerde psychotherapie. Eerst wordt seksuele aversie omschreven. Vervolgens wordt de essentie van focusinggeoriënteerde psychotherapie uiteengezet. De wijze van werken wordt aan de hand van een casus met verbatim fragmenten geïllustreerd. Geconcludeerd wordt dat focusinggeoriënteerde psychotherapie in de praktijk een succesvolle manier kan zijn om seksuele aversie te behandelen. Wetenschappelijk onderzoek dient nog plaats te vinden.

Seksuele disfuncties bij homoseksuele mannen met hiv: Een literatuurreview
T. PlatteauJ. van Lankveld

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de literatuur over seksuele disfuncties bij homoseksuele mannen met hiv. Mensen met hiv hebben proportioneel meer kans dan controlegroepen om seksuele disfuncties en psychische aandoeningen te ontwikkelen. Daarnaast is er ook empirische evidentie dat homoseksuele mannen meer psychische stoornissen ontwikkelen dan heteroseksuele mannen. Psychische stoornissen, vooral stemmings- en angststoornissen, zijn mediërende factoren voor de ontwikkeling van seksuele disfuncties. Hieruit wordt geconcludeerd dat zowel een hiv-positieve status als homoseksualiteit (onrechtstreeks, via mediërende factoren) kwetsbaarheidsfactoren zijn voor de ontwikkeling van seksuele disfuncties.

Recidive van jeugdige zedendelinquenten: Poliklinisch behandelden versus niet-behandelden
J. HendriksC. Bijleveld

Recidive van jeugdige zedendelinquenten is onderzocht voor 325 mannelijke jeugdige zedendelinquenten, van wie 106 jongens poliklinische behandeling hadden ondergaan. Gemiddeld waren jongeren tussen de 1,5 en 2 jaar behandeld gedurende Één therapie sessie per week. Recidive van deze groep werd vergeleken met die van niet delictspecifiek behandelde jeugdige zedendelinquenten. De kortste exposure-periode voor de totale groep bedroeg 9 maanden en de langste periode 18 jaar. De mediane exposureperiode was 6,5 jaar. Van de totale groep jongens recidiveerde 8% binnen de follow-up periode naar een zedendelict, 20% naar een geweldsdelict en 56% naar enig delict. Voor zedenrecidive bleek dat degenen bij wie de behandeling positief was verlopen significant minder recidiveerden dan niet behandelde daders of daders bij wie de behandeling negatief verlopen was. Telkens bleken afzonderlijke clusters van variabelen voor respectievelijk solistisch opererende kind- en leeftijdgenootmisbruikers samen te hangen met zedenrecidive. De recidivepercentages voor de door ons onderscheiden groepen, namelijk de groepsdaders en de solistische kind- en leeftijdgenootmisbruikers verschilden niet significant. In vergelijking met niet delictspecifiek behandelde jeugdige zedendelinquenten recidiveerden zedendelinquenten van wie de behandeling positief was verlopen ook significant minder naar algemene delicten en geweldsdeIicten.

Sterkere verschuivingen in seksuele attituden en gedrag bij vrouwen [Gesignaleerd...in de internationale vakliteratuur]
F. Bakker

Bespreking n.a.v. "Seks onder je 25e", een grootschalige studie naar seksualiteit onder Nederlandse jongeren (De Graaf, Meijer, Poelman & Vanwesenbeeck, 2005). De meta-analyse van Wells, B.E. & Twenge, J.M. (2005) "Changed attitudes in young people's sexual behavior and attitudes, 1943-1999: A cross-temporal meta-analysis" (In: Review of General psychology, 9, 246-261) laat zien dat jongeren uit de latere geboortecohorten seksueel actiever zijn, op jongere leeftijd zijn gestart, meer liberale opvattingen hebben over voorhuwelijkse seks, en minder seksuele schaamte ervaren. De verschuivingen doen zich sterker voor bij vrouwen dan bij mannen.

De 2005 meeting van de International Academy of Sex Research
I. Vanwesenbeeck

Verslag van de 31e jaarlijkse bijeenkomst van de International Academy of Sex Research in Ottawa, Canada. In het verslag worden enkele highlights besproken: - Overzicht van de seksuologie van het gastland, Canada; - Seksonderzoek in de VS-media; - Prenatale hormoonspiegels en gendergedrag; - Geur en feromonen; - Short communications, waarin 'jonge' onderzoekers recent onderzoek presenteren; - Slotlezing door Gert Holstege, die vertelde over zijn PET-studies van het mannelijk en vrouwelijk orgasme.

Literatuurbulletin
C. van der Rhee