Abonneren Archief E-mail

Tijdschriftnummers
Inhoud: laatste nummer
Inhoud: lopende jaargang
Inhoud: archief


Redactioneel
Aanwijzingen voor auteurs
Redactieleden

Service aan klanten
Abonneren
Bestel oudere nummers
Contacten
Nieuws

Archief
Links
Zoeken op deze site


Home


Stuur een Email

Tijdschrift voor Seksuologie


2005, Jaargang 29, Nummer 3


Inhoudsopgave


Home
<- Vorige Archief








Abstracts

Seksuologie: Big business
J. van Lankveld

Hoofdredactionele bijdrage over de huidige grote (media)aandacht voor seks en de positie van seksuologen daarbij.

Hoe beredeneerd is seksueel gedrag van jongeren?
J. de WitL. BreemanL. Woertman

Sociaal-cognitieve modellen van gedrag hebben in de loop van de jaren bewezen zeer verdienstelijk te zijn in het voorspellen van veilig vrijgedrag. Tevens hebben deze modellen veelvuldig gediend als basis voor interventieprogramma's ter bevordering van seksueel risicogedrag. Dit artikel bespreekt de klassieke determinanten van gezondheidsgedrag aan de hand van het geïntegreerde model van Fishbein (2000). Vervolgens plaatsen de auteurs enkele kanttekeningen bij de toepassing van sociaal-cognitieve modellen van gezondheidsgedrag op seksueel risicogedrag van jongeren. Deze kanttekeningen betreffen de culturele diversiteit van Nederlandse jongeren en het gegeven dat seksueel gedrag van seksueel weinig ervaren jongeren nog weinig beredeneerd gedrag is. De auteurs presenteren vervolgens een theoretisch model, de Sexual Behavior Sequence van Byrne (1977), waarmee het veilig vrijgedrag van jongeren naar de mening van de auteurs beter begrepen kan worden. De Sexual Behavior Sequence geeft de gelaagdheid in determinanten van seksueel gedrag weer en houdt rekening met het seksuele ontwikkelingsniveau van jongeren. Ten slotte introduceren de auteurs het concept seksueel zelfbeeld, hetgeen als extra determinant zou kunnen dienen voor de voorspelling van seksueel risicogedrag onder jongeren. Het seksueel zelfbeeld is naar de mening van de auteurs onderbelicht gebleven in onderzoek naar seksueel gedrag.

Moeder-zoon symbiose en zedendelinquentie
K. LehneckeK. Oei

Een diepe, duurzame symbiotische relatie met moeder en een vader die veelvuldig afwezig is en als hij er is zijn zoon mishandelt, is een vruchtbare voedingsbodem voor het ontwikkelen van seksueel delinquent gedrag. Op de meeste zedendelinquenten die psychoanalytica dr. Karola Lehnecke voor haar promotie aan de Universiteit van Tilburg onderzocht, bleek deze problematische gezinsconstellatie van toepassing. Vrijwel allemaal ondergingen ze bovendien tijdens hun lagereschooltijd pesterijen van leeftijdgenootjes, waardoor ze nog verder in de problemen raakten. In twee artikelen wordt dit thema behandeld. Dit eerste artikel is een inleidende verkenning met als vertrekpunt de psychoanalytische theorievorming betreffende seksualiteit en seksuele verleiding. Het artikel mondt uit in een illustratieve casusbeschrijving. In een tweede artikel komen vervolgens de resultaten van het onderzoek van dr. Lehnecke naar zedendelinquenten in Nederland aan de orde. De traumatiserende verstoting door de peergroup waarvan hoger sprake, is een opmerkelijke bevinding van het onderzoek en is nog niet eerder gesignaleerd.

De incidentie van seksuele problemen in de huisartsenpraktijk - gegevens uit de Continue Morbiditeits Registratie Peilstations Nederland
H. KeddeJ. VroegeI. Vanwesenbeeck A. Bartelds

Achtergrond: In het kader van de Continue Morbiditeits Registratie Peilstations Nederland zijn in 2003 in 42 huisartsenpraktijken gegevens verzameld met betrekking tot de incidentie van seksuele problemen. Methoden: De peilstationhuisartsen werd gevraagd om op de 'weekstaat' melding te maken van alle patiënten bij wie sprake was van 'seksuele problemen en seksueel geweld'. Aan de hand van de 'Codering seksuele problemen' van het Landelijk Overleg van Poliklinieken Seksuologie diende op de aanvullende vragenlijst (ondermeer) te worden aangegeven om wat voor proble(e)m(en) het daarbij ging. Resultaten: Bij de deelnemende huisartsenpraktijken meldden zich in totaal 98 patiënten met een 'nieuw' seksueel/seksueel geweld probleem. De incidentie bedraagt daarmee 69 per 100.000 patiënten- 103 per 100.000 mannen en 36 per 100.000 vrouwen. Bij mannen blijkt een erectieprobleem verreweg het meest gemelde seksuele probleem te zijn; bij vrouwen is dat dyspareunie. Conclusie: In vergelijking met een aantal andere huisartsenstudies is de incidentie van seksuele problemen in deze studie relatief laag. De wijze waarop deze studie is opgezet zal daarbij een belangrijke rol spelen. Daarnaast is de huidige, versmalde taakopvatting van de huisarts omtrent het bieden van hulp bij seksuele problemen mogelijk ëën van de oorzaken. De incidentie van seksuele/seksueelgeweldproblemen in de huisartsenpraktijk wordt in deze studie waarschijnlijk onderschat.

Recidive van jeugdige zedendelinquenten na residentiële behandeling
J. HendriksC. Bijleveld

Recidive van jeugdige zedendelinquenten werd onderzocht voor 114 jongens die tussen 1988 en 2001, na behandeling in verband met een zedendelict, Justitiële Jeugdinrichting Harreveld verlieten. Gemiddeld verbleven de jeugdigen 2 jaar en 4 maanden in Harreveld. De mediane observatietermijn na ontslag bedroeg 6 jaar en 8 maanden. Ruim een kwart van de jongens recidiveerde binnen de follow-up periode naar een ernstig delict, zijnde een zedendelict (10%) of een gewelddadig niet-zedendelict (21 %), ongeveer een derde recidiveerde naar allerlei andere feiten, en 40% recidiveerde niet. Zedenrecidive blijkt samen te hangen met de eerdere keuze voor een (zeer) jong slachtoffer, classificatie door de instelling als obsessieve zedendelinquent, keuze voor een meisje buiten de eigen familie als slachtoffer en relatief weinig spijbelgedrag. In de eerste drie jaar na afloop van de behandeling vindt 90% van de zedenrecidive plaats. Geweldsrecidive hangt samen met de etnische achtergrond van de dader, de kwaliteit van de relaties met leeftijdgenoten, impulsiviteit, psychopathologie en classificatie door de instelling als opportunistische zedendader. Aandacht binnen Harreveld voor nadere differentiatie in de behandeling en verbetering van het nazorgtraject is wenselijk.

Elementen van een seksueel vormingsprogramma voor zwakbegaafde plegers van zedendelicten
B. ten Hag

Seksuele voorlichting aan zwakbegaafde plegers van zedendelicten is gewenst maar voor een gezonde seksuele ontwikkeling is er meer nodig. Hun seksuele nood is groot en zij hebben onvoldoende gelegenheid om seksuele ervaring op te doen of om er met anderen over te praten. Een seksueel vormingsprogramma moet naast het geven van voorlichting ruimte bieden aan het uitwisselen van hun seksuele ervaringen en het bespreken van hun attitudes ten opzichte van seks met zichzelf en met een ander. Ook moeten problemen aan de orde komen als gebrekkige seksuele zelfregulatie, hyperseksualiteit, afhankelijkheid van porno en seksueel afwijkend gedrag. Het doel van de seksuele vorming is het bevorderen van een emotioneel en seksueel gezonde ontwikkeling.

'Mag het of moet het?' [congresverslag]
I. Hinke

Verslag van het symposium "'Mag het of moet het?' Ouderen en seksualiteit", gehouden op donderdag 9 december 2004 in het UMC St Radboud te Nijmegen, georganiseerd door het PAOG Heyendaal te Nijmegen in samenwerking met de werkgroep Medische Seksuologie van het UMC St Radboud.

Literatuurbulletin
C. van der Rhee

Literatuurbulletin. INHOUD: - Ontvangen (p. 170-); - Recensies (p. 171-); - Seksuologische tijdschriften (p. 175-).