Abstracts |
Seksuologie: Big business
|
|
J. van Lankveld
|
Hoofdredactionele bijdrage over de huidige grote (media)aandacht voor seks en
de positie van seksuologen daarbij.
|
|
Hoe beredeneerd is seksueel gedrag van jongeren?
|
|
J. de Wit, L. Breeman, L. Woertman
|
Sociaal-cognitieve modellen van gedrag hebben in de loop van de jaren bewezen
zeer verdienstelijk te zijn in het voorspellen van veilig vrijgedrag. Tevens
hebben deze modellen veelvuldig gediend als basis voor interventieprogramma's
ter bevordering van seksueel risicogedrag. Dit artikel bespreekt de klassieke
determinanten van gezondheidsgedrag aan de hand van het geïntegreerde model
van Fishbein (2000). Vervolgens plaatsen de auteurs enkele kanttekeningen bij
de toepassing van sociaal-cognitieve modellen van gezondheidsgedrag op
seksueel risicogedrag van jongeren. Deze kanttekeningen betreffen de culturele
diversiteit van Nederlandse jongeren en het gegeven dat seksueel gedrag van
seksueel weinig ervaren jongeren nog weinig beredeneerd gedrag is. De auteurs
presenteren vervolgens een theoretisch model, de Sexual Behavior Sequence van
Byrne (1977), waarmee het veilig vrijgedrag van jongeren naar de mening van de
auteurs beter begrepen kan worden. De Sexual Behavior Sequence geeft de
gelaagdheid in determinanten van seksueel gedrag weer en houdt rekening met
het seksuele ontwikkelingsniveau van jongeren. Ten slotte introduceren de
auteurs het concept seksueel zelfbeeld, hetgeen als extra determinant zou
kunnen dienen voor de voorspelling van seksueel risicogedrag onder jongeren.
Het seksueel zelfbeeld is naar de mening van de auteurs onderbelicht gebleven
in onderzoek naar seksueel gedrag.
|
|
Moeder-zoon symbiose en zedendelinquentie
|
|
K. Lehnecke, K. Oei
|
Een diepe, duurzame symbiotische relatie met moeder en een vader die
veelvuldig afwezig is en als hij er is zijn zoon mishandelt, is een vruchtbare
voedingsbodem voor het ontwikkelen van seksueel delinquent gedrag. Op de
meeste zedendelinquenten die psychoanalytica dr. Karola Lehnecke voor haar
promotie aan de Universiteit van Tilburg onderzocht, bleek deze problematische
gezinsconstellatie van toepassing. Vrijwel allemaal ondergingen ze bovendien
tijdens hun lagereschooltijd pesterijen van leeftijdgenootjes, waardoor ze
nog verder in de problemen raakten. In twee artikelen wordt dit thema
behandeld. Dit eerste artikel is een inleidende verkenning met als vertrekpunt
de psychoanalytische theorievorming betreffende seksualiteit en seksuele
verleiding. Het artikel mondt uit in een illustratieve casusbeschrijving. In
een tweede artikel komen vervolgens de resultaten van het onderzoek van dr.
Lehnecke naar zedendelinquenten in Nederland aan de orde. De traumatiserende
verstoting door de peergroup waarvan hoger sprake, is een opmerkelijke
bevinding van het onderzoek en is nog niet eerder gesignaleerd.
|
|
De incidentie van seksuele problemen in de huisartsenpraktijk - gegevens uit de Continue Morbiditeits Registratie Peilstations Nederland
|
|
H. Kedde, J. Vroege, I. Vanwesenbeeck,
A. Bartelds
|
Achtergrond: In het kader van de Continue Morbiditeits Registratie
Peilstations Nederland zijn in 2003 in 42 huisartsenpraktijken gegevens
verzameld met betrekking tot de incidentie van seksuele problemen. Methoden:
De peilstationhuisartsen werd gevraagd om op de 'weekstaat' melding te maken
van alle patiënten bij wie sprake was van 'seksuele problemen en seksueel
geweld'. Aan de hand van de 'Codering seksuele problemen' van het Landelijk
Overleg van Poliklinieken Seksuologie diende op de aanvullende vragenlijst
(ondermeer) te worden aangegeven om wat voor proble(e)m(en) het daarbij ging.
Resultaten: Bij de deelnemende huisartsenpraktijken meldden zich in totaal 98
patiënten met een 'nieuw' seksueel/seksueel geweld probleem. De incidentie
bedraagt daarmee 69 per 100.000 patiënten- 103 per 100.000 mannen en 36 per
100.000 vrouwen. Bij mannen blijkt een erectieprobleem verreweg het meest
gemelde seksuele probleem te zijn; bij vrouwen is dat dyspareunie. Conclusie:
In vergelijking met een aantal andere huisartsenstudies is de incidentie van
seksuele problemen in deze studie relatief laag. De wijze waarop deze studie
is opgezet zal daarbij een belangrijke rol spelen. Daarnaast is de huidige,
versmalde taakopvatting van de huisarts omtrent het bieden van hulp bij
seksuele problemen mogelijk ëën van de oorzaken. De incidentie van
seksuele/seksueelgeweldproblemen in de huisartsenpraktijk wordt in deze
studie waarschijnlijk onderschat.
|
|
Recidive van jeugdige zedendelinquenten na residentiële behandeling
|
|
J. Hendriks, C. Bijleveld
|
Recidive van jeugdige zedendelinquenten werd onderzocht voor 114 jongens die
tussen 1988 en 2001, na behandeling in verband met een zedendelict,
Justitiële Jeugdinrichting Harreveld verlieten. Gemiddeld verbleven de
jeugdigen 2 jaar en 4 maanden in Harreveld. De mediane observatietermijn na
ontslag bedroeg 6 jaar en 8 maanden. Ruim een kwart van de jongens
recidiveerde binnen de follow-up periode naar een ernstig delict, zijnde een
zedendelict (10%) of een gewelddadig niet-zedendelict (21 %), ongeveer een
derde recidiveerde naar allerlei andere feiten, en 40% recidiveerde niet.
Zedenrecidive blijkt samen te hangen met de eerdere keuze voor een (zeer) jong
slachtoffer, classificatie door de instelling als obsessieve zedendelinquent,
keuze voor een meisje buiten de eigen familie als slachtoffer en relatief
weinig spijbelgedrag. In de eerste drie jaar na afloop van de behandeling
vindt 90% van de zedenrecidive plaats. Geweldsrecidive hangt samen met de
etnische achtergrond van de dader, de kwaliteit van de relaties met
leeftijdgenoten, impulsiviteit, psychopathologie en classificatie door de
instelling als opportunistische zedendader. Aandacht binnen Harreveld voor
nadere differentiatie in de behandeling en verbetering van het nazorgtraject
is wenselijk.
|
|
Elementen van een seksueel vormingsprogramma voor zwakbegaafde plegers van zedendelicten
|
|
B. ten Hag
|
Seksuele voorlichting aan zwakbegaafde plegers van zedendelicten is gewenst
maar voor een gezonde seksuele ontwikkeling is er meer nodig. Hun seksuele
nood is groot en zij hebben onvoldoende gelegenheid om seksuele ervaring op te
doen of om er met anderen over te praten. Een seksueel vormingsprogramma moet
naast het geven van voorlichting ruimte bieden aan het uitwisselen van hun
seksuele ervaringen en het bespreken van hun attitudes ten opzichte van seks
met zichzelf en met een ander. Ook moeten problemen aan de orde komen als
gebrekkige seksuele zelfregulatie, hyperseksualiteit, afhankelijkheid van
porno en seksueel afwijkend gedrag. Het doel van de seksuele vorming is het
bevorderen van een emotioneel en seksueel gezonde ontwikkeling.
|
|
'Mag het of moet het?' [congresverslag]
|
|
I. Hinke
|
Verslag van het symposium "'Mag het of moet het?' Ouderen en seksualiteit", gehouden op
donderdag 9 december 2004 in het UMC St Radboud te Nijmegen, georganiseerd
door het PAOG Heyendaal te Nijmegen in samenwerking met de werkgroep Medische
Seksuologie van het UMC St Radboud.
|
|
Literatuurbulletin
|
|
C. van der Rhee
|
Literatuurbulletin. INHOUD: - Ontvangen (p. 170-); - Recensies (p. 171-); -
Seksuologische tijdschriften (p. 175-).
|
|
|
|