Abstracts |
De danser en de dans
|
|
J. van Lankveld
|
Hoofdredactionele inleiding. Naar aanleiding van de stelling van psychiater
Michiel W. Hengeveld "...wie op zoek is naar de neurobiologie van de gedachte
houdt uiteindelijk alleen materie over. De dans is niet te kennen door de
danser tot het bot te ontleden,", doet Jacques van Lankveld een poging eens te
kijken wat deze redenering ten aanzien de psychiatrie kan betekenen voor de
seksuologie. Daarbij springen de parallellen heel gemakkelijk in het oog.
|
|
De man als slachtoffer van seksueel misbruik: beïnvloedende factoren bij het toekennen van slachtofferstatus
|
|
J.W. van den Berg, T. Ekhart, L. Woertman
|
Uit prevalentie-onderzoeken blijkt dat ongeveer één op de drie slachtoffers
van seksueel misbruik een jongen is. Slechts één op de tien slachtoffers die
van de gespecialiseerde hulpverlening gebruik maakt is een jongen. Dit
onderzoek onder 227 hulpverleners beschrijft de invloed van een viertal
onafhankelijke variabelen op het toekennen van slachtofferstatus aan mannen en
vrouwen die in hun jeugd seksueel misbruikt zijn. De variabelen zijn: sekse
van het slachtoffer, sekse van de beoordelaar, de ernst van het misbruik en de
presentatie van het slachtoffer. Aangetoond wordt dat, afhankelijk van de
ernst van het misbruik hulpverleners seksueel misbruik in hoge mate erkennen
en hulp willen bieden. Er wordt onderstreept dat het herkennen van
seksueel misbruik extra aandacht behoeft en dat hulpverleners zich bewust
dienen te zijn van de processen die het toekennen van slachtofferstatus
beïnvloeden.
|
|
Seksualiteit en cultuur: verschillen in klachten tussen autochtonen en allochtonen
|
|
N. Nieuborg, W. Gianotten
|
In deze studie zijn de seksuele problemen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse,
Antilliaanse en Nederlandse patiënten/cliënten van de poliklinieken
seksuologie van het Erasmus MC te Rotterdam en het Leyenburg Ziekenhuis te Den
Haag geïnventariseerd op basis van de LOPS-registratie. De data van die
verschillende etnische groepen zijn met elkaar vergeleken. Problemen met het
seksueel verlangen bij mannen blijken een relatief kleiner deel van de klachten
van de Turken en Marokkanen uit te maken dan van zowel Nederlanders als
Surinamers en Antillianen (5% tegenover respectievelijk 14% en 8%, significant
verschil). Problemen met het orgasme, met uitzondering van voortijdig orgasme,
blijken bij Nederlanders een significant groter deel uit te maken van de
problemen op de poli dan bij Turken en Marokkanen (respectievelijk 11 % en
2%). Voortijdig orgasme maakt een significant groter deel uit van de
gepresenteerde problemen bij Turken en Marokkanen, evenals bij Surinamers en
Antillianen, dan bij de Nederlanders (resp. 39% en 35% tegenover 9%).
Dyspareunie komt op de poli bij Nederlandse vrouwen vaker voor dan bij de
Turkse en Marokkaanse vrouwen, evenals bij de Surinaamse en Antilliaanse
vrouwen (42% versus resp. 21% en 25%). Vaginisme is bij de Turkse en
Marokkaanse vrouwen het meest voorkomende probleem op de poli en komt relatief
vaker voor bij deze vrouwen dan bij Nederlandse vrouwen (resp. 34% en 16%).
Verder onderzoek naar de relatie tussen afkomst en seksuele problemen is nodig
om meer inzicht te bieden in dit verband.
|
|
Seksuele problemen en hulpvraaggedrag bij diabetici, hypertensieven en patiënten met chronische obstructieve longziekten in een huisartspraktijk
|
|
B. Bovée, T. Lagro-Janssen, M. Vergeer
|
Het doel van dit onderzoek is het vaststellen van de mate en de ervaren ernst
van seksuele problemen en de hulpvraag daaromtrent bij patiënten met
chronische aandoeningen in een huisartspraktijk. Patiënten tussen 16 en 75
jaar met diabetes mellitus, hypertensie en chronische obstructieve longziekten
(COPD) werden geselecteerd uit het patiëntenbestand van een academisch
registrerende huisartspraktijk. Met behulp van een vragenlijst werden aan een
onderzoeksgroep van 240 en een controlegroep van 60 personen vragen over
seksuele problemen en hulpvraaggedrag gesteld. Meer dan een kwart van de
respondenten gaf aan een seksueel probleem te hebben. Diabetici leken vaker
erectieproblemen te hebben en kwamen net als COPD-patiënten vaker te vroeg
klaar. Zes van de tien mensen met een seksueel probleem gaf aan daarvoor hulp
te willen, waarbij vrouwen duidelijk een vrouwelijke hulpverlener
prefereerden. Bovendien verkozen de meeste patiënten bij een seksueel probleem
hulp van hun huisarts. Geconcludeerd kan worden dat seksuele problemen vaak
bij genoemde chronische aandoeningen voorkomen en dat patiënten hierbij hulp
van de huisarts verwachten. Of een huisarts hiertoe bereid en in staat is, is
een vraag voor verder onderzoek.
|
|
Vaak seksuele functiestoornissen door antipsychotica, vooral bij prolactineverhoging: resultaten van een aantal vergelijkende onderzoeken
|
|
R. Knegtering, S. Castelein, R. Bruggeman
|
Seksuele functiestoornissen treden frequenter op bij de behandeling met
antipsychotica dan tot nog toe werd aangenomen. In het artikel wordt een
aantal studies beschreven waarin het optreden van seksuele functiestoornissen
bij de verschillende antipsychotica systematisch werd geëvalueerd. Deze
klachten treft men vooral aan bij antipsychotica die gepaard gaan met een sterke
prolactinestijging. Ook bij langdurig gebruik lijken de seksuele
functiestoornissen te blijven bestaan. Mannen en vrouwen ervaren seksuele
functiestoornissen ongeveer even vaak. Verder wordt ingegaan op de rol van de
prolactineverhoging bij het optreden van seksuele functiestoornissen bij
antipsychotica. Bij klachten kan men kiezen voor een ander antipsychoticum,
dat minder prolactineverhoging geeft, zoals clozapine, olanazinen of
quetiapine. Men kan ook eerst de dosis verlagen. De plaats van sildenafil
hierbij wordt nog geëvalueerd. Tenslotte, klachten over seksuele problemen
worden door patiënten, die antipsychotica gebruiken, zelden spontaan gemeld aan hun
behandelaar. Artsen dienen gerichter en systematischer naar ongewenste effecten
van antipsychotica, inclusief seksuele functiestoornissen, te vragen en hun
patiënten hierover te informeren.
|
|
Geslachtoffers
|
|
P. Cohen-Kettenis
|
Tekst van de oratie van prof. dr. P.T. Cohen-Kettenis, psycholoog aan de Vrije
Universiteit van Amsterdam, uitgesproken op 28 november 2003. Aan de hand van
het verhaal van drie patiënten toont Peggy Cohen-Kettenis de beperktheid aan
van de opvatting dat de seksen een dichotomie vormen.
|
|
Subfertiliteit: als de oorzaak onbekend is [Forum]
|
|
L. Batstra, H. van de Wiel, G. Schuiling
|
|
|
Vruchtbaarheid, seks en conceptieplanning [Gesignaleerd...in de internationale vakliteratuur]
|
|
|
Bespreking van de bevindingen van onderzoek van de Amerikaanse groep van
Wilcox en Dunson. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat een goede
mucusscore (kwaliteit van het cervixslijm een betere predictor is voor
conceptie dan de (achteraf met BCT (basale temperatuurcurve) vastgestelde)
juiste timing ten opzichte van ovulatie. Op ieder dag van de zogenaamde
'fertile window' (daarmee wordt bedoeld de periode van zes dagen vruchtbare
dagen beginnend vijf dagen vóór de ovulatie en eindigend op de dag van de
ovulatie) met een mucusscore van 4 is de kans op zwangerschap =0.17, terwijl
die niet boven 0.123 uitkomt bij een mucusscore van 1. Deze bevinding heeft
consequenties voor de voorlichting aan mensen die proberen zwanger te worden.
|
|
Annual meeting van de International Academy of Sex Research, Helsinki, 16-19 juni 2004 [Congresverslagen]
|
|
P. Enzlin, S. van Diest, J. van Lankveld
|
Verslag van de 30e Annual meeting van de International Academy of Sex
Research, Helsinki, 16-19 juni 2004. Onderwerpen die aan de orde kwamen waren
onder meer: de dubbele seksuele moraal in post-communistisch Rusland,
apotemnofilie (aanhoudend, intens verlangen een amputatie te hebben), de
waarde van zelfrapportage van het seksuele leven, hormonen en vrouwelijke
seksualiteit, en seksueel sadisme in de forensische seksuologie.
|
|
Psychopaten verbeteren mogelijk toch door behandeling [Gesignaleerd ...in de internationale vakliteratuur]
|
|
D. van Beek
|
Signalement van de literatuursearch van D'Silva, Duggan & McCarthy (2004) naar
de relatie tussen psychopathie en de reactie op behandeling. Meer specifiek
stelden de auteurs de vraag wat het bewijs is voor de claim dat psychopaten negatief
reageren op behandeling. Zij vonden 24 studies waarin die relatie werd
onderzocht, en kwamen tot de conclusie dat op basis van de kwaliteit van de
studies geen wetenschappelijk verantwoorde uitspraak kan worden gedaan over de
vraag of psychopaten negatief reageren op behandeling. Zie: D'Silva, K.
Duggan, C. & McCarthy, L. (2004). Does treatment really make psychopaths
worse? A review of the evidence. Journal of personality disorders, 18,
163-177.
|
|
Literatuurbulletin Relaties en Seksualiteit, 2004, nr. 3
|
|
C. van der Rhee
|
Literatuurbulletin Relaties en Seksualiteit, 2004, nr. 3. INHOUD: - Ontvangen;
- Recensies; - Seksuologische tijdschriften.
|
|
|
|