Abonneren Archief E-mail

Tijdschriftafleveringen
Inhoud: laatste aflevering
Inhoud: lopende jaargang
Inhoud: archief


Redactioneel
Aanwijzingen voor auteurs
Redactieleden
St. Tijdschrift voor Seksuologie

Service aan klanten
Abonneren
Contacten
Nieuws

Archief
Links
Zoeken op deze site


Home


Stuur een Email

Tijdschrift voor Seksuologie


2003, Jaargang 27, Aflevering 2


Inhoudsopgave


Home
<- Vorige Archief Volgende ->









Abstracts

Een decennium polikliniek Psychosomatische Gynaecologie en Seksuologie LUMC
P. Weijenborg

De geschiedenis van de polikliniek Psychosomatische Gynaecologie en Seksuologie van het Leids Universitair Medisch Centrum begint eigenlijk halverwege de jaren '80 in de vorige eeuw. Prof. Gerda van Dijk was toen al ettelijke jaren als arts-seksuologe verbonden aan de afdeling Gynaecologie van de Vrouwenkliniek. Het waren woelige tijden. Seksualiteit was niet meer louter en alleen bedoeld voor procreatie, maar kon ook recreatief zijn. Door de publicaties van Kinsey (1948 & 1953) en Masters en Johnson (1966) werd kennis over het seksueel functioneren van mannen en vrouwen gemeengoed. Vrouwen zelf doorbraken met hun publicatie "De straf op zwijgen is levenslang" in 1983 het zwijgen over vroegere traumatische ervaringen als kindermishandeling en incest en de gevolgen daarvan op latere leeftijd. Samen met prof. Eylard van Hall, gynaecoloog en afdelingshoofd in die tijd, streed Gerda van Dijk dan ook voor verbetering van de positie van vrouwen, met name de vrouwelijke patiënt zowel binnen d,e gynaecologie als daarbuiten. Daarnaast leverde zij samen met anderen grote inspanningen om het vak seksuologie binnen het medisch curriculum opgenomen te krijgen.

Vrouwelijke seksuele disfuncties: het behandelingsaanbod in Nederland
A. Brewaeys

De behandeling van vrouwelijke seksuele disfuncties kwam de voorbije 20 jaar in een stroomversnelling. Recente en betrouwbare prevalentiecijfers over het voorkomen van seksuele problemen in de algemene bevolking ontbreken echter en zijn dringend nodig om een vraaggestuurd hulpverleningsaanbod te kunnen ontwikkelen. Ondanks de schaarste van het actuele aanbod zijn de behandelingsstrategieën sterk geprofessionaliseerd. De poliklinieken seksuologie spelen in dit proces een prominente rol. Dyspareunie (37%), vaginisme (15%) en stoornissen in het seksuele verlangen (16%) zijn de drie meest voorkomende aanmeldingskiachten van vrouwen op deze poliklinieken. Behandelingen gebeuren zowel door een arts (47%) als een psycholoog (34%) en bestaan overwegend uit kortdurende symptoomgerichte interventies. Dé uitdaging voor de toekomst is empirisch aan te tonen dat een seksuologische behandeling met aandacht voor bio-psycho-sociale aspecten van het seksuele probleem een meerwaarde heeft.

Wanneer is een seksueel probleem een seksuele disfunctie? Problemen bij de classificatie van seksuele stoornissen van vrouwen
E. Laan

In dit artikel worden vijf problemen gekenschetst met het veelgebruikte classificatiesysteem voor seksuele disfuncties, de DSM-IV (en recente tekstrevisie: DSM-IV- TR). Allereerst is het moeilijk, zo niet onmogelijk, om uit te sluiten dat seksuele problemen het gevolg zijn van een gebrek aan adequate seksuele stimulatie. Daarnaast dwingt het ontbreken van duidelijke diagnostische criteria de clinicus in veel geval len tot een subjectief oordeel. Bovendien zijn de vier primaire seksuele disfuncties die de DSM-IV onder scheidt niet onafhankelijk. Ook kan verminderde genitale responsiviteit, het criterium voor een opwindingsstoornis, niet worden vastgesteld op basis van een diagnostisch interview. Daarvoor is psychofysiologisch onderzoek nodig en dat staat maar weinig clinici ter beschikking. Daarmee lijkt dit criterium in de DSM-IV onwerkbaar, omdat het onterecht veronderstelt dat vrouwen in staat zijn accuraat waar te nemen dat er sprake is van een afwezige of verminderde genitale respons. Tenslotte lijkt verminderde genitale responsiviteit alleen relevant voor vrouwen met een somatische aandoening, maar bij organische etiologie dient de primaire diagnose opwindingsstoornis niet te worden gesteld. Dit alles roept de vraag op of er wel vrouwen zijn op wie deze stoornis zoals bedoeld door de DSM-IV van toepassing zou zijn. Een poging tot een nieuwe classificatie van seksuele disfuncties wordt kort besproken. Tot slot wordt ingegaan op de vraag wanneer een seksueel probleem een seksuele disfunctie genoemd zou moeten worden.

Geslachtshormonen en seksueel functioneren bij de vrouw: een beperkt overzicht
K. Slob

Geslachtshormonen zijn van groot belang voor de seksualiteit van de vrouw. Ze zorgen vóór de geboorte en gedurende de puberteit en daarna dat de vrouW er uitziet als vrouw met de primaire en secundaire anatomische en fysiologische geslachtskenmerken. Deze lichamelijke effecten van geslachtshormonen hebben secundair psychologisch ook hun invloed op de vrouwelijke genderidentiteit/rol. De sturende invloed op expliciet seksueel gedrag als coïtus, masturbatie, orgasme etc wordt verondersteld, doch is nog veel minder duidelijk. De tussen puberteit en climacterium in het bloed circulerende geslachtshormonen hebben een effect op stemmingen en gevoelens. Ze kunnen een duidelijke invloed hebben op de beleving van seksueel gedrag. De belangrijkste positieve effecten in dit opzicht komen van de oestrogenen en androgenen; progesteron lijkt meer verantwoordelijk voor negatieve stemmingseffecten. Er is een moderne tendens om vrouwelijke seksualiteit met een medisch-biologische bril te bekijken. Het is een uitdaging voor de moderne seksuoloog om deze nieuwe inzichten te verwerken in zijn of haar biOPsychosociale benadering, al dan niet therapeutisch, van menselijke seksualiteit.

Gezonde homo- en lesboseksualiteit
J. Schippers

Voordracht op het symposium ter gelegenheid van het afscheid van de seksuologe Gerda van Dijk (7 november 2002). De term 'mannen die seks met mannen hebben' kan misschien in sommige gevallen nauwkeuriger zijn dan de term 'homoseksueel', maar het verhult ook het misbruik van homoseksuele mannen door mannen die zich blijven identificeren als heteroseksueel, ondanks hun seksuele contacten met andere mannen. De constructie van homoseskualiteit als een sekse-identiteit (typisch voor machismo culturen) lijkt te leiden tot dit soort misbruik, en lijkt ook tot gevolg te hebben dat er minder mogelijkheden voor gezonde homo- en lesbische seks zijn, vergeleken me de constructie van homoseksualiteit als een seksuele identiteit. De literatuur over lesbische seksualiteit lijkt te nadruk te leggen op problemen met seksueel verlangen en projecteert een beeld van ineffectieve seksualiteit, terwijl homoseksuele mannen vaak als verwijfd of als aan seks verslaaafd worden beschreven. Deze constructies leiden ertoe dat gezonde homo- of lesbische seks niet zo voorstelbaar is. In de agelopen decennia is er veel aan gedaan om deze gezichtspunten te coorrigeren, en er is ook veel bereikt. De groeiende religieuze intolerantie (zie bijvoorbeeld de rol van de Islam in Nederland en die van relgieus rechts in de Verenigde staten) gecombineerd met een toenemend machismo in onze multiculurele samenleving, vormen een bedreiging voor datgene wat bereikt is door de homo- en lesbiche gemeenschap, en is tevens een belangrijke uitdaging voor de toekomst.

Het psychofysiologisch laboratorium en seksuele disfuncties
W. Everaerd

Psychofysiologie gaat over de belichaming van ervaring en actie. In het Handbook of Psychophysiology (Cacioppo et al, 2000) wordt het fraai als volgt verwoord: "Het lichaam is het medium voor ervaring en het instrument voor actie. Door de acties geven wij vorm aan en organiseren we onze ervaringen en onderscheiden we zintuiglijke indrukken van de buitenwereld van de indrukken die binnen het lichaam tot stand komen" (p.5). De anatomie, de fysiologie en de psychofysiologie zijn takken van wetenschap die georganiseerd zijn rond systemen van het lichaam. Het is hun gezamelijke doel om de structuur en functie op te helderen van delen of van samenhangende systemen in het menselijk lichaam in transacties met de omgeving. De psychofysiologie verschilt van de anatomie en fysiologie omdat zij de belichaming van psychologische functies wil bestuderen. Zulke functies zijn bijvoorbeeld waarnemen, denken, emotie en actie. Psychofysiologen menen dat de samenhang van psychologische functies en fysieke reacties, zoals neurale en hormonale, licht kan werpen op de menselijke natuur. De psychofysiologie kan worden beschouwd als een top-down benadering binnen de neurowetenschappen. Dat wil zeggen dat het niveau van analyse niet gaat over geisoleerde delen van het lichaam maar over organisme -omgeving transacties. Samengevat kunnen we zeggen dat de psychofysiologie zich richt op de wetenschappelijke studie van sociale, psychologische, en gedragsverschijnselen zoals die samenhangen met en worden onthuld door fysiologische principes en gebeurtenissen in functionele organismen (Cacioppo et al, 2000).

Forum: De New View of Women's Sexual Problems'
I. VanwesenbeeckJ. MoorsG. Bolle M. Emmelkamp-KeizerM. Schopman V. Steenhart

Seksuologisch onderzoekster Ine Vanwesenbeeck brengt het pamflet 'New View of Women's Sexual Problems' (LeonoreTiefer et al.) onder de aandacht voor een Nederlands publiek. In deze bijdrage wordt eerst de historische en 'wetenschapspolitieke' context voor het verschijnen van de 'new view' geschetst. Daarna volgt een vertaling van het pamflet zelf. Vervolgens geven enkele Nederlandse seksuologen hun reacties. Ze gaan met name in op de bruikbaarheid en toepasselijkheid van het pamflet voor de Nederlandse wetenschappelijke en klinische praktijk.

Literatuurbulletin Relaties en Seksualiteit, 2003, nr. 2
C. van der Rhee

Literatuurbulletin Relaties en Seksualiteit, 2003, nr. 2. INHOUD: - Recensies (p. 99-109); - Ontvangen (p. 109); - Seksuologische tijdschriften (p. 110-112).