Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 202-215

Nymfomanie: de populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit1

Carol Groneman2

In de jaren zestig van de 20e eeuw leek wetenschappelijk onderzoek tot een opzienbarende conclusie te leiden: vrouwen hadden een onbeperkt vermogen om van seks te genieten. Op basis van tien jaar onderzoek concludeerden William Masters en Virginia Johnson in hun bestseller uit 1966 `Human Sexual response' dat de vrouw een veel groter seksueel potentieel had dan voorheen verondersteld werd. "Veel vrouwen kunnen, vooral wanneer ze clitoraal gestimuleerd worden, als regel vijf tot zes orgasmes hebben binnen enkele minuten." Masters en Johnson deden, generaliserend vanuit de ervaring van de vrouwelijke vrijwilligers wier orgasmes ze hadden gemeten en geregistreerd, de uitspraak dat een vrouw, naarmate ze vaker orgasmes had gehad, steeds makkelijker meervoudige orgasmes zou kunnen krijgen die ook steeds intenser beleefd zouden worden (Masters & Johnson, 1966, p. 216).

Dit model van het "nymfomane" of grenzenloze seksuele verlangen van de normale vrouw betekende een dramatische transformatie ten opzichte van de eerdere opvattingen, dat een vrouw een "sprookjesprins" behoefde om "Doornroosje's" seksualiteit wakker te kussen. Het onderzoek van Masters en Johnson betwistte de heersende medische opvatting dat dergelijke "multi-orgastische" vrouwen aberrant waren. Volgens deze auteurs "is de vrouw van nature multi-orgastisch". Alhoewel Kinsey eerder al vond dat veertien procent van de vrouwen die hij interviewde meerdere orgasmen na elkaar konden ervaren, bleef zijn bevinding vrijwel onopgemerkt. Nu echter, in de door Masters en Johnson "gepreoccupeerd met het orgasme" genoemde zestiger jaren, kwam het vrouwelijk multi-orgastisch vermogen in het middelpunt van de aandacht te staan. Het trok de aloude stereotypen met betrekking tot oversekste vrouwen in twijfel. Immers, als normale vrouwen vele orgasmes konden krijgen en ook werkelijk kregen, wat zou dan nog de maatstaf voor een seksueel exces kunnen zijn?3 Sterker nog, wie is er dan nog nymfomaan?

Toen ze door Playboy geïnterviewd werden over het vraagstuk van de nymfomanie, gaven Masters en Johnson als commentaar: "Veel misvattingen over nymfomanie zijn ontstaan door gebrek aan begrip van het feit dat de vrouw multi-orgastisch kan zijn". Een niet ingelichte man, die geconfronteerd wordt met een vrouw die meer dan één orgasme wil hebben, zou zijn opkomende paniek kunnen onderdrukken door zo'n veeleisende sekspartner een nymfomane te noemen. Nogmaals, het nieuwe perspectief, dat vrouwen multi-orgastisch waren, veranderde de opvattingen over vrouwelijke nymfomanie.4

Een commentator, de psychiater Mary Jane Sher-fey, meende dat het werk van Masters en Johnson bewees dat zogenaamd "oversekste" vrouwen alleen maar doen wat hun natuur hen ingeeft. In The Nature and Evolution of Female Sexuality, eerst gepubliceerd

in een vaktijdschrift en daarna veelvuldig in andere media herhaald, stelde Sherfey dat de vrouwelijke seksuele drift lijkt op die van verschillende primaten als ze bronstig zijn. Onder verwijzing naar de vrouwelijke vrijwilligers die in het laboratorium van Masters en Johnson meer dan vijftig orgasmes hadden ervaren in minder dan een uur, theoretiseerde Sherfey dat alle vrouwen het potentieel voor dergelijke onbeperkte aantallen orgasmes hadden. Tijdens de dageraad van de moderne beschaving, zo argumenteerde ze, was het noodzakelijk geweest om de buitensporige seksuele eisen van vrouwen meedogenloos te onderdrukken. Een sedentaire samenleving, gebaseerd op materieel bezit, die daarom behoefte heeft aan betrouwbaar ouderschap, vereist dat de vrouwelijke seksualiteit krachtig wordt onderdrukt (Sherfey, 1966, p. 110, 122).

1 Geaccepteerd voor publicatie: 3 januari 2002. Dit artikel is een vertaling van de lezing gehouden op 2 november 2001, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Nederlandse Vereniging voor Seksuologie, en is onderdeel van C. Groneman (2000). Nymphomania: A History. New York: W.W. Norton.

2 Dr. C. Groneman, hoogleraar geschiedenis, John Jay College of Criminal Justice, City University of New York, 899 Tenth Avenue, New York, NY 10012. E-mail: cgroneman@jjay.cuny.edu

3 Masters and Johnson (1966), p. 149

4 Masters and Johnson, Playboy, May 1968, pp. 157-58, 158.


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

203

Het onderzoek van Masters en Johnson had echter aangetoond dat het verlangen of krijgen van zeer vele orgasmes geen teken van ziekte of stoornis was, zoals psychiaters, artsen en moralisten hadden beweerd. Integendeel, zo stelde Sherfey, hun werk had aangetoond dat dit seksuele vermogen een "universele en fysiek normale toestand" was, die voortsproot uit "de onmogelijkheid bij de vrouw om ooit het punt van volledige seksuele verzadiging te bereiken". Een vrouw kan zich seksueel bevredigd voelen na drie tot vijf orgasmes. In theorie, echter, kon zij eindeloos doorgaan met het krijgen van orgasmes totdat de grenzen van haar fysieke vermogen bereikt zouden worden door pure uitputting.5

Behalve de verrassende conclusie met betrekking tot het vrouwelijk seksueel vermogen, presenteerden Masters en Johnson ook onderzoeksresultaten die de nog levende Victoriaanse ideeën, dat vrouwen minder seksueel verlangen hadden, minder seksueel gevoelig waren en minder orgastisch dan mannen, in twijfel trokken. Vanaf het begin van hun onderzoekswerk was het Masters en Johnson's intentie geweest om deze ouderwetse aannamen te ontkrachten. Zoals de meeste seksonderzoekers van de twintigste eeuw, waren zij van mening dat deze traditionele opvattingen over het beperktere seksuele verlangen van vrouwen tot vele ongelukkige huwelijken hadden geleid. In een poging om dit vooroordeel tegen te gaan, hadden zij de nieuwe nadruk op vrouwelijke seksuele satisfactie kracht bijgezet door een vrouw als mede-teamleider in het onderzoeksteam op te nemen. Dit was nog nooit eerder vertoond. Als gevolg hiervan zouden hun bevindingen een ongekend grote betekenis krijgen voor het bevrijden van vrouwen als seksuele wezens.

Centraal in hun onderzoek stond de stelling dat alle menselijke wezen een seksuele responscyclus kennen die vrijwel identiek is. Hiermee werd bedoeld dat zowel mannen als vrouwen een cyclus van reageren op seksuele prikkels doorlopen die vier identieke stadia kent: de opwindingsfase, de plateaufase, de orgasmefase en de herstelfase. Deze cyclus met vier stadia, gebaseerd op hun registraties van meer dan tienduizend mannelijke en vrouwelijke orgasmes, zette veel algemeen aanvaarde wijsheden op losse schroeven.6 In de beste, witgejaste, wetenschappelijke traditie presenteerden zij hun conclusie als een objectief en waardenvrij meetresultaat dat aangaf hoe alle menselijke lichamen reageren op seksuele stimulatie. Later onderzoek zou echter uitwijzen dat de over-

eenkomsten die zij voorstelden in de menselijke seksuele responscyclus meer ideologisch dan werkelijk-heidsgetrouw waren. Er kleefden veel problemen aan de methodologie die Masters en Johnson gebruikten. Ze maakten uitsluitend gebruik van vrouwelijke vrijwilligers die uit zichzelf aangaven dat ze graag en gemakkelijk orgastisch reageerden. Om die reden belichaamden de vrijwilligsters al de hypothese die Masters en Johnson wilden toetsen. De representativiteit van hun steekproef werd verder scheefgetrokken doordat de betaalde vrijwilligers vrijwel uitsluitend blank waren en afkomstig uit de maatschappelijke middenklasse. Radicale generalisaties over de seksuele respons bij de vrouw op basis van deze steekproef waren daarom vanzelfsprekend dubieus.

Nog veelbetekenender was, dat de aanname van de seksonderzoekers dat, onder overigens gelijke omstandigheden, vrouwen even gemakkelijk orgas-mes kunnen krijgen als mannen, ook foutief is. Echter, "overigens gelijke omstandigheden" zijn natuurlijk nergens te vinden. De overeenkomsten die tussen vrouwen en mannen gevonden zijn in het kloppen van hun harten, het samentrekken van hun spieren en het uitscheiden van stoffen uit hun genitalia in het luilekkerland van het laboratorium gaan voorbij aan het feit dat in alledaagse slaapkamers de seksuele relatie vooral bepaald wordt door culturele verwachtingen en verschillen in macht. En de kern van het onderzoek _ fysiologische experimenten waarin Masters en Johnson en hun onderzoeksteam paren observeerden die geslachtsgemeenschap hadden _ veronachtzaamde volledig de effecten van liefde, affectie, vijandigheid, verveling, angst en veel andere factoren die de seksuele respons beïnvloeden.

Zoals veel seksonderzoekers geloofden Masters en Johnson dat het neutraliseren van psychologische factoren en het isoleren van genitale ervaringen uit hun sociale context hen in staat zou stellen om "de essentie" van seks bloot te leggen. Hun assumptie van het bestaan van iets, los van tijd, van plaats, en van de talloze omstandigheden die seksualiteit modelleren, veronderstelt dat, als alle seksuele repressie weggenomen zou worden, er een fundamentele seksuele aard uit zijn bloesemknop zou barsten. Deze "seks = biologie" benadering had zeker revolutionaire aspecten, vooral voor vrouwen, wier seksuele uitingen het meest nodig bevrijd moesten worden van de nog heersende Victoriaanse opvattingen. Seksueel verlangen is echter geen simpele, biologische kracht die zonodig bevrijd moet worden. Leeftijd, opvoeding,

6 Sherfey, (1966), pp. 134-38.

7 Masters and Johnson, (1966), pp. 3-8. De hiernavolgende bespreking van het werk van Masters en Johnson is gebaseerd op Irvine (1990, pp. 86-7), Robinson (1989, pp. 120-90), Segal (1994, p. 93), Tavris (1992, pp. 210-11), en Tiefer (1995, pp. 41-58).


204

Groneman

economische omstandigheden, ideologie, religie, het historisch moment, de beschikbaarheid van een partner, al deze elementen vormen de seksualiteit, naast het eigen lichaam.

De metafoor van het lichaam als machine bevat verder zoveel problematische elementen (bijvoorbeeld: seks als een volgorde van drukken op de juiste knoppen en wrijven over de juiste plekjes), dat critici, waaronder veel feministen, deze al snel in twijfel trokken. Maar daarmee lopen we vooruit op het verhaal. Los van de zwakke kanten, en evengoed ondanks de belangrijke bijdragen, lag de sleutel tot de wijdverbreide invloed van Masters en Johnson's research vooral in de timing ervan.

Feminisme en de seksuele revolutie

Het onderzoek neergelegd in "Human Sexual Response" trof een wereld aan die klaarstond om dat te ontvangen. Verscheidene jaren eerder had Time Magazine een hoofdartikel gewijd aan "De tweede seksuele revolutie". Het tijdschrift maakte zich zorgen dat heel America een grote "Orgone Box" was geworden, verwijzend naar Wilhelm Reich's halfvergeten apparaat dat, naar hij beweerde, de seksuele energie van een persoon kon opvangen en versterken. Nu, zo klaagde Time, was het niet meer meer nodig om in dit apparaat te gaan zitten om van de seksuele stimulatie ervan te kunnen profiteren, omdat het hele land één grote seksmachine was geworden. "Vanaf ontelbare schermen en podia, posters en pagina's springen de meer dan levensgrote seksbeelden in het oog." De "grote machine" prijst boeken aan die voorheen als pornografie werden beschouwd, glorieert in de erotische teksten van popsongs en propageert "de boodschap dat seks je zal behoeden en dat libido je vrij zal maken".7

Veel eerder in de 20e eeuw bepleitten enkele seksuele rebellen, met name Emma Goldman en Margaret Sanger, het recht van vrouwen om vele seksuele partners te hebben, om seksueel te experimenteren, en om seksuele relaties aan te gaan op hun eigen voorwaarden. Nu waren deze ideeën gemeengoed geworden. Naast eisen voor burgerrechten, homorechten, en om de oorlog in Vietnam te beëindigen, zagen we in de jaren `60 en `70 van de vorige eeuw grote aantallen vrouwen opkomen voor hun recht op seksuele bevrediging. Voor het eerst trachtte

een massabeweging _ en niet slechts een avantgarde _ gelijkheid tot stand te brengen binnen seksuele relaties.8

Economische, demografische en sociale krachten, waarvan niet de minste het groeiende aantal jonge vrouwen was dat alleen woonden in grote en kleinere steden en universiteitssteden, gaven voeding aan deze transformatie. Terwijl ze enkele jaren lang het avontuur zochten voordat ze een geregeld leven gingen leiden als getrouwde vrouw en moeder, ontdekten en schiepen deze secretaressen en uitgeversassistentes, universiteitsstudenten en manage-mentstagiaires, stewardessen en aankomende actrices een veelbesproken seksueel actief vrijgezellenwereldje. Deze jonge vrouwen (en mannen) werden aangespoord door de betere beschikbaarheid van anticonceptie, maar ook door een nieuwe optimistische psychologie. Enkele enthousiastelingen namen de theorieën over van Abraham Maslow en Rollo May, de stichters van de humanistische psychologie, en zetten hun oproep tot zelfverwerkelijking om in een rechtvaardiging om "precies te doen waar je zin in hebt".9

Een paar van de vele, vele boeken in de 60er en 70er jaren van de 20e eeuw, die het brede spectrum van reacties van vrouwen op de seksuele revolutie weergaven en definieerden, springen er uit. De seksuele rusteloosheid van de huisvrouwen die Betty Friedan interviewde voor haar boek uit 1963 "The Fe-minine Mystique" (Friedan, 1963), dat al gauw een klassieker werd, bestond naast de seksuele avonturen van Helen Gurley Brown's nieuwe creatie, de "eigentijdse glamour girl", die zij beschreef in "Sex and the Single Girl" (Brown, 1962), haar bestseller uit 1962. Beide boeken shockeerden veel lezers. Dat van Frie-dan omdat het zulke wanhopig onbevredigde blanke vrouwen uit de middenklasse beschreef, die verondersteld werden de Amerikaanse "suburban dream" te belichamen, en dat van Brown omdat het schaamteloos verkondigde dat "nette meisjes wel degelijk vreemdgaan, en daar niet zonder meer van dood gaan".

Andere belangrijke boeken, zoals het kookboek-achtige "The Joy of Sex" (Comfort, 1972), vervingen ouderwetse handboeken voor het huwelijk waarin de echtgenoot zijn vrouw inwijdt in het geheim van de seksualiteit. De kookboekstructuur van het boek van Alex Comfort, dat mensen van zeer uiteenlopende leeftijden aansprak, ging er van uit dat vrouwen, net

7 Time, Jan 24, 1964, pp. 54-59, 54.

8 De hiernavolgende bespreking van de seksuele revolutie en de vrouwenbeweging is gebaseerd op Coontz (1992), D'Emilio & Freedman (1988), Echols (1989), Ehrenreich (1986), Rubin (1990) en Segal (1994).

9 Volgens Coontz (1992, p. 198): "In the 1970s, there was a huge surge in the proportion of single girls having had coitus and a comparable shift in attitudes accepting of this behavior." Zie ook Irvine (1990, pp. 105-133), en Welch (1978).


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

205

als mannen, enthousiast hun keuze zouden maken uit het gevarieerde menu van seksuele handelingen die het beschrijft. Het feministische gezondheidshandboek "Our Bodies, Ourselves" (Boston Women's Health Collective, 1971), met zijn nadruk op seksuele autonomie, verheerlijkte alle aspecten van "het seksuele zelf" van vrouwen en zette hen ertoe aan om hun seksualiteit in eigen hand te nemen. Nancy Friday droeg bij aan de literatuur met een verzameling van seksuele fantasieën van vrouwen, "My Secret Garden" (Friday, 1973), waarin vrouwen zich te buiten gingen aan seks op hun eigen voorwaarden. Seksueel opwindende fantasieën om mannen te verleiden in de trein en naakt op tafel dansen, om maar niet te spreken over vastgebonden en verkracht worden door vreemdelingen, allemaal trokken ze de oude opvattingen in twijfel over de passieve, onderworpen seksualiteit van de fatsoenlijke vrouw. Zelfs boeken die geschreven waren met de uitgesproken intentie om de traditionele rollen van mannen en vrouwen binnen het huwelijk in ere te houden, zoals Marabel Morgan's "The Total Women" (Morgan, 1973), bevatten evengoed expliciete instructies over seksuele techniek.

Begonnen aan de Oost- en Westkust van de Verenigde Staten, en zich uiteindelijk verspreidend over alle steden en dorpen van het land, gaf ook de heropleving van de feministische beweging nieuwe impulsen aan de eisen van vrouwen voor hun recht op seksuele expressie. Vrouwen van alle leeftijden, getrouwd en alleenstaand, gescheiden en weduwe, lesbisch en heteroseksueel, ontmoetten elkaar in honderden bewustzijns-versterkingsgroepen, en ze bediscussieerden, analyseerden en vergeleken hun aantekeningen over hun seksuele ervaringen, fantasieën en verlangens. Alhoewel soms rauw en pijnlijk, gaven deze discussies vrouwen toestemming om op hun eigen ervaringen te vertrouwen. Vrouwen beschreven orgastische ogenblikken, deelden verhalen met elkaar over het verliezen van hun maagdelijkheid, beoordeelden hun minnaars, vertelden hun meest expliciete seksuele fantasieën, en keken daadwerkelijk _ sommigen voor de eerste keer _ naar hun eigen clitorissen en in de vagina's van andere vrouwen. Niet langer zouden experts in staat zijn om seksualiteit voor vrouwen te definiëren, hen te vertellen wat en hoe ze over seks zouden moeten denken. Samen gaven vrouwen een nieuwe definitie aan hun eigen seksualiteit. Miljoenen vrouwen die nooit meededen aan bewustzijns-verhogingsgroepen, noch zichzelf beschouwden als feministen, namen kennis van deze nieuwe ideeën door de brede, alhoewel niet altijd gunstige, aandacht

in de media.

Centraal in deze herdefiniëring stond een verstrekkende en veelbesproken aanval op de seksuele dubbele moraal. De vrouwenbeweging, van radicale groepen als de "Red Stockings" tot liberale organisaties als de National Organization for Women, riep op tot een transformatie van de traditionele rollen van vrouwen en mannen. Een van de slogans van de vrouwenbeweging "het persoonlijke is politiek" verwoordde de essentie van de kritiek. Terwijl de mannelijke dominantie over vrouwen alle levensterreinen raakte, van de wereld van het werk tot de politieke arena, was de meest verraderlijke invasie misschien wel die in de wezenlijke persoonlijke en intieme relatie tussen mannen en vrouwen, de seksuele daad. Door seks te politiseren, richtte de vrouwenbeweging de aandacht op feit dat wat zich afspeelde in de slaapkamer in werkelijkheid niet privé was. In feite vormde de relatie in de slaapkamer een replicatie van de ondergeschikte positie en economische afhankelijkheid van vrouwen in de wereld daarbuiten. Het veranderen van die rol vereiste meer dan huwelijkshandboeken en workshops voor seksuele technieken. Individuele lapmiddelen zouden geen oplossing bieden. Bevrijding van vrouwen vraagt om het omverwerpen van de in geslachten opgedeelde wereld van vrouwelijke onderworpenheid en mannelijke dominantie. Lesbiënnes ging nog een stap verder met de logica van dit argument: seksuele relaties met mannen staan gelijk aan slapen met de vijand.

De bevindingen van Masters en Johnson versnelden het debat. In hun laboratorium hadden ze een bijzonder onderzoeksinstrument gemaakt, een verstelbare plastic penis, bediend door de vrouwelijke vrijwilligers, die de fysiologische veranderingen in hun vagina's kon meten en op film vastleggen.10 Voor het eerst konden onderzoekers "kijken" binnen in de vrouwelijke genitalia en zo het verlokkende mysterie van die organen vertalen in gegevens over inwendige secreties. De fysiologische responsen die Masters en Johnson in kaart brachten bleven, intrigerend genoeg, hetzelfde, ongeacht hoe het orgasme tot stand kwam. Of vrouwen nu masturbeerden, geslachtsgemeenschap hadden, of coïteerden met de kunstpenis, de respons was dezelfde. In termen van wat er gebeurde in het lichaam, maakte deze bevinding _ dat masturbatie en coïtus vergelijkbare veranderingen teweegbrachten - korte metten met de Freud's claim van het onderscheid tussen een "onvolwassen" clitoraal en een "volwassen" vaginaal orgasme. Een halve eeuw nadat Freud dit onderscheid had gepropageerd, bewe

10 Masters & Johnson (1966, pp. 21-22).


206

Groneman

zen Masters en Johnson dat er in fysiologisch opzicht geen verschil tussen bestond.

Waarom had de "mythe van het vaginale orgasme" zolang standgehouden, ondanks kritiek die Kinsey en anderen eerder al hadden geuit? Anne Koedt, feministe en auteur van een vaak herdrukt essay met die titel (Koedt, 1969, p.1), poneerde de stelling dat deze mythe bleef voortbestaan omdat die tegemoet kwam aan de behoeften van mannen. "Mannen komen in wezen klaar door wrijving van hun penis in de vagina, niet tegen de clitoris. Vrouwen zijn seksueel gedefinieerd in termen van wat mannen behaagt." Als gevolg daarvan kreeg slechts één van beide partners regelmatig een orgasme in de "standaard" houding tijdens het vrijen. Erkennen dat de seksuele bevrediging van vrouwen gelegen was in de clitoris _ het enige orgaan in zowel mannelijke als het vrouwelijke lichaam dat uitsluitend ten dienste staat van de lustbeleving _ trok geslachtsgemeenschap als de voornaamste seksuele daad in twijfel.

Andere feministen, zoals Alix Kates Shulman, auteur van "Memoirs of an Ex-Prom Queen", gispte het feit dat generaties van vrouwen "frigide" waren verklaard omdat ze niet orgastisch waren tijdens "normale" coïtus. Masters en Johnson hadden nu het anatomische bewijs geleverd waarom dit zo was. Op grond van haar interpretatie van hun werk gaf Shulman het advies: "Denk clitoris."11

Feministen zagen nog andere radicale implicaties van Masters en Johnson's research. Als seksonderzoekers pleitten voor het recht van vrouwen op seksuele bevrediging, bijvoorbeeld, gingen ze er nog van uit dat dit plezier in het echtelijk bed beleefd zou worden. Hun onderzoek, echter, liet zien hoe efficiënt, ja zelf superieur, bepaalde seksuele handelingen waren, zoals masturbatie, om het doel, het orgasme, te bereiken. Al gauw ontdekten commentatoren _ sommigen tot hun afgrijzen, anderen met verrukking _ de potentiële overbodigheid van mannen binnen dit scenario waarin vrouwen hun eigen _ of elkaars _ seksuele behoeften bevredigden. Volgens Koedt "… vormde lesbische seksualiteit een sterk pleidooi, gebaseerd op anatomische data, voor de ondergang van het mannelijk orgaan."12

Bestaat nymfomanie dan niet?

De frontale aanval van de vrouwenbeweging op de gepriviligieerde rol van mannen en de even zo krachtige eis van seksuele rechten voor vrouwen bracht een schokgolf teweeg die voelbaar was in de hele samenleving. Het is niet verbazingwekkend, dat de hele discussie en publiciteit in de media over de veranderende attitudes ten opzichte van vrouwelijke seksualiteit de conceptuele discussie over nymfomanie nog meer vertroebelde. Als "normale" en "gezonde" vrouwen recht meenden te hebben op het nastreven van hun seksuele plezier, waar moest dan de scheidslijn getrokken worden tussen "te veel" en de "juiste" hoeveelheid seks? Opnieuw verschoven de criteria voor nymfomanie.

Wellicht bestond nymfomanie niet eens. In zijn overzichtsartikel van de stand van zaken in het nymfomanie-onderzoek in het begin van de jaren `70 (Levitt, 1973, p. 15), vestigde de psycholoog Eugene Levitt van de Indiana University Medical School de aandacht op de ambiguïteit en het relatieve karakter van termen als "hyperseksueel", "onbeheersbaar" en "oversekst". Alhoewel de meeste definities van nymfomanie varianten van deze termen bevatten, waren ze niet eenvoudig te kwantificeren. "Geen enkele goed geïnformeerde seksuoloog is zo onverstandig geweest om te proberen deze begrippen te vertalen in getallen", aldus Levitt.13

Levitt leverde in zijn analyse, gepubliceerd in het tijdschrift Sexual Behavior van het Kinsey Instituut, kritiek op de impliciete culturele aannamen in de nymfomanie-diagnose.14 Toegegeven, de vooroordelen van moderne seksuologen waren niet zo scherp als die van vroegere auteurs, zoals de artsen die in de "Encyclopedia of Sexual Knowledge" van 1937 spraken over nymfomanen als vrouwen die "de grenzen van het fatsoenlijke gedrag overschreden". Omdat er geen empirisch onderzoek bestond over nymfomanie, waren alle theorieën en definities ervan, in het gunstigste geval, gebaseerd op klinische gevalsstudies. Deze vertekende steekproef bestond uit mensen die zich zorgen maakten over hun seksuele gedrag, en die zo erg in de problemen zaten dat ze professionele hulp hadden gezocht. Om hieruit af te leiden dat de meeste seksueel promiscue mensen ook

11 Shulman (1971, pp. 198-206, 203, 205). Voor een geschiedenis van de clitoris, zie Th.P. Lowry (Ed.) (1976). The Clitoris. St. Louis: Warren Gren, Inc.

12 Koedt (1969), p. 5.

13 Levitt was co-auteur van de update van het Kinsey Report in 1989, A.D. Klassen, C.J. Williams, & E. Levitt (1989). Sexual Morality in the U.S. Middletown, CT: Wesleyan University. Zie ook zijn bijdrage over nymfomanie in R.J. Corsini (Ed.), Encyclopedia of Psychology, 2nd ed. New York: John Wiley, 1994, [1984]), vol.2, p. 498.

14 Levitt (1973), p.13; zie ook Golden, J.S. (1968). What Is Sexual Promiscuity? Medical Aspects of Human Sexuality , 2, 47-53; Orford, J. (1978). Hypersexuality: Implications for a Theory of Dependence. British Journal of Addiction, 73, 299-310.


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

207

psychisch gestoord waren was simpelweg een stap te ver.

Hoe goed ze het ook probeerden, toch hadden clinici er grote moeite mee om hun waardeoordelen buiten de discussies te houden over de criteria voor nymfomanie. Veel artsen en psychologen namen aan dat voor vrouwen "een seksuele relatie zonder diepe emotionele betrokkenheid gestoord is", en een symptoom van een psychische stoornis. Levitt vroeg zich af welke evidentie er was voor deze bewering. Niet alle vrouwen, zo redeneerde hij, wensten of behoefden een grote passie om een bevredigend seksueel leven te leiden. Maar waarom zou de onzorgvuldige keuze van een vrouw voor ongeschikte minnaars als een ziekte gezien moeten worden? Om zijn punt nog duidelijker te maken verklaarde Levitt overdreven: "een vrouw die met "alle boeven van Texas" heeft geslapen heeft daarom nog niet ipso facto een speciaal, categorisch predikaat verdiend. Met deze verdraaiing van de woorden van Max Huhner, een beroemde sek-suoloog uit eerdere dagen, suggereerde Levitt dat deze vrouwen geen subcategorie vormden wier bijzondere kenmerken hen als ziekelijk onderscheidden. Ze hadden simpelweg meer seks dan anderen, wat voor sommigen een morele kwestie vormt, maar zeker geen medische.15

Levitt stelde verder de heersende opvatting onder psychoanalytici ter discussie dat nymfomanen frigide waren. Traditionele psychoanalytische opvattingen veronderstelden dat het hyperseksuele gedrag van een nymfomane gebaseerd was op een vruchteloze zoektocht naar het onbereikbare orgasme. Maar net als bij andere theorieën over nymfomanie, bekritiseerde Levitt deze veralgemeende stelling vanwege het gebrek aan ondersteunende evidentie. En tenslotte: "de gelegenheid om zich bezig te houden met seksueel gedrag lijkt voortdurend over het hoofd gezien te zijn in eerdere pogingen om nymfomanie te definiëren." Alleen al het jong en aantrekkelijk zijn, en wonen in een stedelijk gebied, tegenover lelijk, van middelbare leeftijd en wonen op het platteland, vergrootte de kansen van een vrouw op het hebben van meer sekspartners. Wat men nymfomanie noemt, zou best de gelegenheid om seks te hebben kunnen weerspiegelen en niet zozeer seksuele lust. Deze caveats in aanmerking nemend, concludeerde Levitt: "Nymfo-manie is een achterhaald, chauvinistisch woord dat door wetenschap en geneeskunde afgeschaft zou moeten worden en dat een denkend mens niet meer

in de mond zou moeten nemen."16

In de jaren `60 en `70 van de vorige eeuw gingen ook andere stemmen op om de term "nymfomanie" af te schaffen. Volgens Donald Hastings, psychiater aan de University of Minnesota Medical School, en auteur van Impotence and Frigidity (Hastings, 1963, p. 15), een boek voor artsen, is een persoon alleen "oversekst" of "ondersekst" binnen de context van een specifieke seksuele relatie. De vrouw met een te sterke seksuele behoefte voor de ene echtgenoot kan de perfecte partner voor een andere zijn. En dus zouden termen als "nymfomanie" uitgebannen moeten worden. William Fry, psychiater aan de Stanford University Medical School, schoof de schuld voor het voortbestaan van de nymfomanie-mythe volledig op het mannelijke chauvinisme: "Seksueel agressieve mannen voelen zich schuldig over de verwoesting die ze aanrichten en hebben er behoefte aan om verhalen te verzinnen over de grote aantallen nymfomanen die wedijveren om hun aandacht" (Fry, 1978, 119).17

Eustace Chesser, psychiater en auteur van meer dan twintig boeken over seksualiteit, liefde en huwelijk was het daarmee eens (Chesser, 1971, p. 180). "De nymfomane is een wijdverbreide fantasie van mannen", zo schreef hij. "De man die tegenstand ondervindt bij het gemakkelijk bevredigen van zijn seksuele lusten droomt ervan een vrouw tegen te komen die helemaal ontremd is." Maar zij is niet meer dan een hersenspinsel, een weerspiegeling van zijn angsten over zijn eigen seksuele vermogen.18

De publieke opinie was volgens Chesser onwetend over de grote variatie in seksueel verlangen en voorzag daarom, onterecht, bepaalde vrouwen van het etiket "nymfomaan", zoals "Mrs. L.", zijn 24-jarige patiënte met haar grote seksuele verlangen. In zijn casusbeschrijving van haar beschrijft Chesser Mrs. L. als iemand die verwacht tenminste iedere nacht geslachtsgemeenschap te kunnen hebben en die een onbegrensd verlangen naar klaarkomen lijkt te bezitten. Alhoewel haar 32-jarige echtgenoot aanvankelijk tijdens de wittebroodsweken verrukt reageerde op haar gretigheid, raakte hij na verloop van tijd uitgeput van haar nachtelijks terugkerende eis van een tweede en een derde erectie. Ze werd woedend toen hij haar vroeg om tranquillizers te gaan slikken, en begon uit ontevredenheid "een serie korte verhoudingen met vrijwel elke man die op haar pad kwam", scheidde uiteindelijk, en ging daarna een gelukkig huwelijk aan met een jongere man.19

15 Levitt (1973), p. 16.

16 ibid., p. 17.

17 Alhoewel Fry toevoegdedat ook dit een stereotype van mannelijke seksualiteit is.

18 Zie ook C. Allen (1969). A Textbook of Psychosexual Disorders, 2d ed. London: Oxford Univ. Press, p. 355.

19 Chesser (1971), pp. 179-180.


208

Groneman

Vermoedelijk was Mrs. L. in de ogen van deze nieu-we echtgenoot niet "oversekst", maar juist prima. Chesser was ervan overtuigd dat, terwijl de maatschappij Mrs. L. zou kunnen veroordelen als nymfo-mane, het in werkelijkheid het probleem van haar eerste echtgenoot geweest zou kunnen zijn dat hij haar niet kon bevredigen. Meneer L. had toegegeven dat zijn jonge echtgenote veel meer bevredigd leek na masturbatie dan na coïtus. Chesser trok de conclusie dat de tekortschietende seksuele vaardigheden van meneer L. en zijn zwakkere seksueel verlangen geleid hadden tot het mislukken van dit huwelijk.

Chesser's analyse van Mrs. L.'s veronderstelde nymfomanie plaatste hem onmiskenbaar in het kamp van degenen die meenden dat vrouwen die als nymfomaan gelabeld werden eenvoudigweg sterkere seksuele behoeften hadden dan hun partners. Net als bij veel andere autoriteiten weerspiegelde Chesser's visie op nymfomanie onzekerheid en angst over hoe je op de juiste manier met seks moest omgaan. Meer kennis over de fysiologie en de opener discussie over seks in de jaren `60 en `70 van de 20e eeuw hadden de twijfels hierover niet weggenomen. In feite was de seksuele daad nog meer beladen geworden met betekenis nu van vrouwen ook verwacht kon worden dat ze regelmatig een orgasme, of zelfs meerdere orgasmen, beleefden.

Hoogstwaarschijnlijk had Mrs. L. de diagnose "nymfomaan" gekregen als ze een eeuw eerder naar de dokter was gestapt. Maar rond 1970 kregen haar seksuele verlangens binnen en buiten haar huwelijk een andere betekenis. In elk geval besloot Chesser dat Mrs. L.'s seksuele impulsen niet excessief of abnormaal waren. Het is overduidelijk dat de aannamen van moderne onderzoekers over het multi-orgastische, multi-partner type, waartoe in potentie elke vrouw zou kunnen behoren, de ideeën over "buitensporig" seksueel verlangen of gedrag van vrouwen gecompliceerder hebben gemaakt. Er was immers zoveel dat in de negentiende eeuw als vrouwelijke hyperseksualiteit zou zijn betiteld _ masturbatie, orale seks, seks na de menopause, seks voor en buiten het huwelijk _ dat nu niet alleen op grote schaal in de praktijk werd gebracht, maar dat zelfs in de media werd verheerlijkt. Nymfomanie kon niet langer gedefinieerd worden als "teveel seks" (het tellen van het aantal partners) of als "teveel zin" (het meten van de intensiteit van de seksuele aandrang). Er was behoefte aan nieuwe normen.

Nieuwe pathologie: Seks zonder liefde of genegenheid

Het accent verschoof nu van de frequentie van de sek-suele daad naar de betekenis ervan. Als de grenzen van het seksuele gedrag van mannen en vrouwen niet langer te vinden waren in de traditionele context van voortplanting en huwelijk, wat moest dan het criterium zijn voor "exces"? Voor veel mensen in de geestelijke gezondheidssector werd seks zonder liefde of genegenheid de nieuwe pathologie. Toen de opvattingen omtrent seks voor het huwelijk vrijzinniger werden, werd de oude norm dat een vrouw zich pas echt mocht geven in de huwelijksnacht vervangen door nieuwe psychologische criteria voor gezonde seks. De vraag werd nu: hou je van je sekspartner of voel je op zijn minst enige emotionele binding? Deze nieuwe definitie drukte een vrees uit voor onpersoonlijke, hedonistische seks die naast de geliberaliseerde seksuele attituden ook bestond. "Swinging singles", homo-bevrijding, partnerruilclubs, toename van ongehuwd moederschap en van abortussen, en de effecten van de seksuele revolutie op de seksuele autonomie van vrouwen, droegen er allemaal hun steentje toe bij dat de opvattingen over seks in die tijd deze kant opgingen, vooral in de Verenigde Staten.20

In het licht van deze veranderende opvattingen betoogde Alfred Auerback, hoogleraar psychiatrie aan de University of California in San Francisco en voormalige vice-voorzitter van de American Psychiatric Association: "De nymfomane is een dwangmatig promiscue vrouw die vele seksuele contacten heeft met veel verschillende partners … zonder gevoelens van liefde of verbondenheid (cursief toegevoegd)." Veel seks was niet langer waar het bij nymfomanie om draaide. In feite, terwijl de moderne definitie wel seksueel contact met meerdere partners omvatte, was het belangrijkste aspect dat nymfomanen "eerder proberen om hun problemen met hun persoonlijke identiteit op te lossen dan dat zij alleen streven naar seksuele bevrediging." Volgens Auerback waren nymfo-manen afkomstig uit gestoorde gezinnen waarin de ouders heen en weer wankelden tussen versmorende liefde enerzijds en verwerpen en afstandelijkheid anderzijds. Vervuld van vrees dat elke diepe emotionele binding zou eindigen in nog meer pijn en afwijzing, zochten deze seksueel getroebleerde vrouwen hun heil in vluchtige relaties met mannen die ze alleen als objecten behandelden (Auerback, 1972, 1968).

20 Zie bijvoorbeeld J.M. Lewis (1971). Promiscuous Women, Sexual Behavior, 1, 74-80; J. LoPiccolo & J. Heiman (1977). Cultural Values and the Therapeutic Definition of Sexual Function and Dysfunction. Journal of Social Issues, 33, 166-183; I. Reiss (1966). Sexual Renaissance in America: A Summary and Analysis. Journal of Social Issues, 22, 123-137.


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

209

Alhoewel mannen ook leden onder deze seksuele problemen en verschenen er af en toe artikelen over satyriasis of het "Don Juan syndroom" in populaire en professionele tijdschriften, bleef de samenleving bewondering koesteren voor de seksuele veroveringen van mannen als een bewijs van hun mannelijkheid. Als psycholoog en auteur van een van de eerste studentenhandboeken over menselijke seksualiteit merkte James Leslie McCary op: "Het publiek toont zich niet zo bezorgd over mannen die "oversekst" zijn als over vrouwen met deze aandoening" (McCary, 1972, 1973, p. 304). In dezelfde zin wees de psychoanalyticus Eugene Pumpian-Mindlin, die James Bond als voorbeeld nam van de superheld in de populaire cultuur, erop dat Bond's seksuele veroveringen hem beroemdheid en eer bezorgden (Pumpian-Mindlin, 1967, pp. 163-171). Zijn vrouwelijke mede-sterren, daarentegen, zoals Pussy Galore ("poesje zat"), zoals haar beledigende artiestennaam luidde, die op het eerste gezicht seksueel bevrijde levens leken te leiden, kwamen vaak voortijdig aan hun einde. Ook al waren de morele begrippen wat verschoven, toch werden vrouwelijke filmkarakters, evenals echte vrouwen, nog steeds gebonden aan strengere normen met betrekking to hun seksueel gedrag en werden ze gestraft voor het doorbreken van deze sociale normen.21

Net als wetenschappelijke onderzoekers in het algemeen doen, probeerde Auerback zijn proefpersonen te categorizeren in verschillende typen om hun motivatie beter te kunnen begrijpen (Auerback, 1973, pp. 41, 44). Zijn brede, algemene classificaties, zoals het "carrièremeisje" dat seks gebruikte om te kunnen concurreren in een mannenwereld, de "verveelde huisvrouw" op zoek naar seksuele bevrediging in haar eentonige leven, of de "rebellerende tiener"die er geaccepteerd door wilde worden, leken echter veel op een grabbelton van vrouwentypen. Niettemin verleende zijn ondersteuning voor de veranderende definitie van nymfomanie geloofwaardigheid aan de nieuwe opvatting dat lage zelfwaardering en diepe gevoelens van waardeloosheid, en niet seksueel verlangen, de nymfomane ertoe aanzette om haar hele leven lang te zoeken naar liefde en acceptatie (zie ook McBroom, 1963).

In dezelfde zin legde Stanley Willis, psychiater aan de Universiteit van Californië in Los Angeles nym-fomanie uit als een vorm van "pathologische zelf-versterking". De nymfomane vermeed opzettelijk diepe emotionele hechting omdat ze bang was voor de afhankelijkheid of de mogelijkheid van verwerping die

inherent is aan hechting. Willis wees de claims van sommige collega's af dat nymfomanie niets anders was dan de "grotere persoonlijke en seksuele vrijheid die mogelijk is in een moderne en minder puriteinse samenleving" (Willis, 1967). Evenals Auerback wees hij met een beschuldigende vinger richting liefdeloze ouders, en naar de angst van de promiscue vrouw om de pijn van vroege emotionele traumata te herhalen.

Ter illustratie beschreef hij een geval van een "driemaal getrouwde moeder van vier kinderen met een goede opleiding, afkomstig uit een welvarend, zeer bevoorrecht en getalenteerd gezin." In haar jeugd werd zij heen en weer geslingerd tussen verdriet en razernij om haar ouders die haar oftewel negeerden of haar tot bondgenoot probeerden te maken in hun kille gevechten met elkaar. In de loop van de jaren had zij een vast patroon ontwikkeld: nadat ze afwijzing zelf uitlokte, gaf zij zich gewoonlijk over aan een golf van promiscue gedrag. Nu in haar derde huwelijk begon ze talloze vluchtige verhoudingen met collega's van haar echtgenoot, meestal na een ruzie met haar man. Als hij de stad uit was "ging ze `s nachts de straat op om de eerste de beste beschikbare seksuele partner op te pikken" (Willis, 1967, pp. 20, 21).

Willis beschreef niet het resultaat van zijn werk met deze patiënt, maar leek meer geïnteresseerd in wat deze casus onthulde over grotere sociale krachten. Willis was van mening dat, alhoewel de verwaarlozing in haar jeugd deze patiënt had gevormd, het even belangrijk was dat zij leefde in een tijd waarin de erosie van traditionele zeden had geleid tot wijdverbreide culturele angst. Voor Willis vertegenwoordigde promiscuïteit niets minder dan "de op handen zijnde sociale of culturele desintegratie." Hij klaagde de cultuur zelf aan wegens het verafgoden van "aanlokkelijke en opwindende prototypen van promiscu gedrag, zoals James Bond," in plaats van het bieden van een model voor volwassen, stabiele seksuele verbintenissen. En net als andere critici beschuldigde hij de groeiende commercialisering van seks ervan, mensen weg te voeren van de ouderwetse morele waarden van gezin en monogamie (Willis, 1967, pp. 22).

Ook de klinisch psycholoog Albert Ellis had invloed op de discussie over nymfomanie met zijn publicatie in 1964 van Nymphomania: A Study of the Oversexed Woman (Ellis & Sagarin, 1964, p. 29). Als auteur van meer dan tweehonderd artikelen en twintig boeken in zowel professionele als populaire media, en achterneef van Havelock Ellis, een van de pioniers van de

21 Ik ben Leonore Tiefer dankbaar die me vertelde dat McCary's tekst een van de weinige was die ze beschikbaar had om te gebruiken in het onderwijs aan eerstejaars studenten over menselijke seksualiteit in 1972.


210

Groneman

seksuologie, was Albert Ellis een vurige verdediger van de liberale seksuele waarden. Volgens hem waren verreweg de meeste vrouwen die in boeken en films afgeschilderd werden als "nymfomanen" "niets meer dan seksueel zeer actieve vrouwen die nogal promiscue zijn en wier gedrag nauwelijks zou worden opgemerkt als het om mannen ging."

Het onvermogen van zowel de medische professionals als het algemene publiek om onderscheid te maken tussen huis-tuin-en-keuken promiscuïteit en een psychologische stoornis genaamd "nymfomanie" leidde volgens Ellis tot het veelvoorkomende misverstand over de term. Om deze verwarring te voorkomen stelde hij voor om nymfomanie te definiëren door onderscheid te maken tussen "compulsieve" en "selectieve" promiscuïteit. De sleutel tot nymfomanie was de zichzelf hinderende, gedreven aard van het seksuele gedrag. Terwijl hij zich geen zorgen maakte over de vrouwen die simpelweg veel sekspartners hadden, concentreerde hij zich op degenen wier onzorgvuldige partnerkeuze en "gevoelens van zelfhaat" hen identificeerden als nymfomanen. De therapievorm van Ellis benadrukte dat deze vrouwen zouden moeten leren om zichzelf te waarderen ook al keek de samenleving neer op hun seksuele veroveringen.22

Ellis' poging om "seksueel actieve" vrouwen te onderscheiden van "compulsieve", kende echter zijn eigen problemen. De kwestie bleef bestaan waar men de scheidslijn moest trekken. Een wilde generalisatie als "veel compulsief oversekste vrouwen worden semi-professionals" (prostituées) was een niet op empirisch onderzoek gebaseerde wegwerpzin. Eveneens zonder ondersteunende evidentie beweerde Ellis dat nymfomanen arme prostituées werden, omdat ze bereid waren seks gratis te geven in plaats van er geld voor te vragen.23

Ellis trok wel de opvatting in twijfel die in het algemeen gangbaar was bij psychoanalytici dat nymfo-manen frigide en anorgastisch waren. Hij verhaalde uitvoering het geval van Eloise R., een "knappe, goed opgeleide, 22-jarige gescheiden vrouw met nymfo-mane neigingen. Zij kreeg geen orgasme bij haar eerste echtgenoot, die dacht dat zij frigide was, omdat "geslachtsgemeenschap met de man liggend boven op haar de enige techniek was die Eloise wilde toelaten."24 In een wanhopige poging om haar doel te be

reiken zocht de jonge gescheiden vrouw het gezelschap van vele "ongemanierde" mannen. Nu had ze het plan opgevat om opnieuw te trouwen en wilde dat Ellis haar zou genezen. Ellis' therapie bestond er onder meer uit dat hij Eloise basale seksuele voorlichting gaf, onder meer over orale seks en over andere standjes dan de missionarishouding. De resultaten: "Toen ze orgasmes begon te krijgen met haar verloofde, raakte Eloise de meeste neigingen kwijt om elders seksuele contacten te zoeken." Ellis meende dat "haar nymfomanie ten einde was. Eloise had geen drijfveer meer voor haar dwangmatige promiscuïteit." Hij gaf geen verklaring voor het betrekkelijke gemak waarmee seksuele voorlichting Eloise had genezen van wat hij veronderstelde dat een ernstige stoornis was.25

In de jaren `60 en `70 van de 20e eeuw werd nymfo-manie zowel verworpen als een bruikbare term als opnieuw gedefinieerd op meerdere wijzen: als een wanhoopskreet om liefde en genegenheid, een dwangmatige manier om aan angst te ontsnappen, en als het pathologische gevolg van lage zelfwaar-dering. De nieuwe definities van nymfomanie gaven uiting aan het gevoel van leegheid en vervreemding dat critici van seksuele tolerantie zo allesoverheersend vonden in de hedendaagse maatschappij. Andere observatoren echter, uitten de verdenking dat ongelimiteerde seks pas een symptoom van een psychische stoornis werd toen vrouwen hun remmen begonnen los te gooien.26 Traditioneel mochten de seksuele escapades van mannen, hun prostituée-bezoek, en hun liefjes-voor-een-nacht attitude door sommigen dan wel veroordeeld worden, maar in het algemeen werd dit gedrag niet opgevat als een teken van geestesziekte. Nu sommige vrouwen daadwerkelijk seks wilden, enkel en alleen voor hun plezier en niet als een prelude op "en ze leefden nog lang en gelukkig", werden plotseling de regels veranderd.

Ondanks de conceptuele troebelheid van de definitie van nymfomanie, probeerden enkele professionals het begrip te quantificeren. In een survey-studie over de staat Californië in 1967 rapporteerden artsen hun diagnoses van de seksuele klachten van hun patiënten. Nymfomanie of excessief vrouwelijk seksueel verlangen besloeg een minuscule 0.12% van de 13687 aandoeningen. Uit de samenvatting kon niet

22 Ellis & Sagarin (1964), pp. 26-29.

23 ibid., p. 70.

24 ibid., pp. 15-16.

25 ibid., pp. 19-20.

26 Volgens Thomas Laqueur (1990), Making Sex: Body and Gender from the Greeks to Freud. Cambridge, MA Harvard University Press, p. 3-27 "De gemeenplaats in de tegenwoordige psychologie _ dat mannen seks willen maar vrouwen relaties _ is precies het omgekeerde van de opvattingen voor de Verlichting die ver teruggaan tot in de oudheid, waarin vriendschap gelijkgesteld wordt met mannen, maar vleselijke lust met vrouwen."


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

211

opgemaakt worden of de zestien-en-een-halve nymfo-manen door de arts waren gediagnosticeerd of dat het om zelfdiagnoses ging. Maar omdat het om patiënten ging, geeft dit rapport geen antwoord op de vraag hoe vaak nymfomanie zou kunnen opduiken in de algemene bevolking. James Leslie McCary, psycholoog aan de Universiteit van Houston, waagde een schatting van het aantal seksueel aangedane vrouwen en mannen, gebaseerd op zijn 25-jarige psychotherapie-ervaring waarin hij slechts één nymfomane had gezien (die we later in dit artikel nog zullen tegenkomen) en geen enkele man die leed aan "satyromanie": "Aanzienlijk minder dan eentiende percent van alle vrouwen zijn hiermee behept (met nym-fomanie) en het aantal mannen (satyromanen) is nog kleiner" (McCary, 1971, p. 122; zie ook Burnap & Golden, 1967).

De DSM en nymfomanie

Ondertussen worstelde de psychiatrische ambtenarij met de betekenis van nymfomanie. Het is opmerkelijk in een tijd dat veel artsen zelfs het pure bestaan ervan betwijfelden, dat nymfomanie tot in de jaren `80 van de 20e eeuw bleef opduiken in de officiële classificatie van psyhische stoornissen opgesteld door de American Psychiatric Association. De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de APA (informeel de DSM genoemd) was eerder een betrekkelijk obscuur administratief codeboek dan een diagnostisch hulpmiddel, toen het voor het eerst verscheen in 1952. Nymfomanie werd daarin geclassificeerd als een "seksuele deviatie" en deelde dit predikaat met homoseksualiteit, erotomanie, misogynie en andere, alhoewel satyriasis daar niet bijgevoegd was. DSM-I, zoals het later genoemd zou gaan worden, gaf eenvoudigweg labels zonder de deviaties verder te definiëren, behalve dat gesteld werd dat een dergelijke diagnose zich niet uitstrekte tot uitgebreidere syndromen, zoals schizofrene reacties (APA, 1952, pp. 98, 121).

De volgende generatie DSM's die het eerste dunne boekdeel verving had een steeds groter wordende impact. Tijdens de jaren `70 van de vorige eeuw, toen verzekeringsmaatschappijen de dekkingen voor psychotherapeutische behandeling uitbreidden, verlangden ze specifieke medische diagnoses voor het betalen van vergoedingen aan patiënten en therapeuten. Ze wendden zich tot de DSM om deze diagnoses te

legitimeren. In reactie hierop, en met het uitgesproken doel om de behandeling van geestesziekte wetenschappelijker te maken, wijzigde de APA de derde editie van de DSM in 1980. DSM-III maakte een explosieve groei door tot meer dan 500 pagina's en bijna 300 specifieke stoornissen, en vertoonde tegelijkertijd een forse groei in het aantal alledaagse gedragingen die erin opgenomen werden als symptomen van deze psychologische stoornissen (Kutchins & Kirk, 1997, p. 11). Meer en meer seksuele problemen, die daarvoor beschouwd zouden kunnen worden als horend bij de ups en downs van het leven, werden ziekten die behandeld zouden moeten worden.27

Nymfomanie en de hele categorie die oorspronkelijk "seksuele deviatie" werd genoemd, werden, heel toepasselijk binnen de uitdijende DSM, omgevormd tot een nieuwe classificatie, "psychoseksuele stoornissen." Voor het eerst gaf de DSM definities van stoornissen, in plaats van het simpelweg opsommen ervan. In de DSM-III subcategorie "andere seksuele stoornissen" werden nymfomanie en het Don Juan syndroom geïdentificeerd als "lijden aan een patroon van herhaalde seksuele veroveringen van een reeks individuen die slechts als gebruiksvoorwerpen bestaan (cursief toegevoegd)" (APA, 1980, p. 283). Hierdoor zette de APA zijn professionele goedkeuringsstempel op dat wat nog recent het definiërende kenmerk van de stoornis was geworden: seks zonder liefde of genegenheid. Tenminste één prominente psychiater, Stephen Levine, leverde kritiek op de DSM-definitie vanwege het wegschuiven van het accent van wat traditioneel het belangrijkste symptoom van hypersek-sualiteit was geweest: de "verstorende toename van (seksueel) verlangen" (APA, 1980, p. 283).

De nieuwe DSM-III definitie van nymfomanie was niet erg bruikbaar. Enerzijds localiseerde de DSM de seksuele disfunctie nymfomanie, net als de psycho-seksuele stoornissen in het algemeen, binnen het individuele lichaam en psyche en veronachtzaamde daarmee sociale en politieke invloeden, inclusief de effecten van de genderstrijd rond het seksuele leven van vrouwen en mannen in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw. Anderzijds, anders dan de meeste psychoseksuele stoornissen die in DSM-III geïdentificeerd werden, gaf de categorie "andere seksuele stoornissen"geen specifieke diagnostische criteria en geen instructies voor de professional om ze te kunnen herkennen.

Latere edities van de DSM zouden het focus op

27 DSM-III weerspiegelde de veranderende culturele opvattingen over seksualiteit en zette het zoeklicht op te weinig, eerder dan op te veel seks. Omdat seks inmiddels gezien werd als essentieel voor gezondheid en welbevinden werd het niet willen van seks, of er niet van genieten als je het wel had de meer belangrijke stoornis. Zie J. Irvine (1995). Regulating Passion: The Invention of Inhibited Sexual Desire and Sex Addiction. In: J. Terry & J. Urla (Eds.), Deviant Bodies. Bloomington, IN: Indiana University Press, pp. 314-337.


212

Groneman

nieuw verleggen en nymfomanie vluchtig verbinden met een nieuw concept: seksverslaving. Het in 1987 herziene handboek, DSM-III-R, liet de specifieke termen "Don Juan syndroom" en "nymfomanie" vallen en bevatte voor het eerst "lijden aan een patroon van herhaalde seksuele veroveringen of andere vormen van niet-parafiele (niet-deviante) seksverslaving waarbij een reeks individuen die slechts als gebruiksvoorwerpen bestaan betrokken zijn (cursief toegevoegd)" (APA, 1987, p. 296). De term "seksverslaving" hield echter niet lang stand en DSM-IV (APA, 1994) verwijderde elke verwijzing ernaar in een definitie van seksuele stoornissen die overigens overeen kwam met die in DSM-III-R (APA, 1994, p. 538).28 Alhoewel de APA het concept seksverslaving liet vallen en veel reguliere psychologen en sekstherapeuten er geen geloof aan hechten, is de omarming van het idee van seks als een verslaving door de populaire pers een heel andere kwestie.

De nieuwe nymfomanen: seksverslaafden

In de Verenigde Staten kwam het idee dat seks een verslaving kon zijn tot ontwikkeling op het einde van de jaren `70 en in de jaren '80 van de 20e eeuw, op een moment dat verslaving overal in aanwezig leek te zijn: niet alleen alcohol en drugs, maar ook teveel gokken, shoppen, eten of seks hebben.29 Gedrag dat in het verleden misschien als een zonde werd beschouwd, een gebrek aan wilskracht, of eenvoudigweg teveel van het goede, werd tot ziekte gemaakt. De theorie achter deze nieuwe manier om naar oude problemen te kijken veronderstelde dat mensen, net zoals ze afhankelijk konden worden van alcohol of drugs, ook verslaafd konden worden aan winkelen, gokken of romannetjes lezen. Biologische theorieën suggereerden dat dergelijk gedrag voor een endorfine-roes zorgde of dat genetische codering of de biochemie voorbestemde wie het meest ontvankelijk voor verslaving was. Psychologische verklaringen veronderstelden dat lage zelfwaardering of angst individuen aanzette tot zulk compulsief en zelf-destructief gedrag.30

In dezelfde tijd begonnen de akelige geheimen van

incest en seksueel misbruik van kinderen bredere publieke aandacht te krijgen. Zonder verifieerbare statistieken beweerden onderzoekers dat niet minder dan een op vier vrouwen en een op acht mannen als kind seksueel misbruikt was geweest en dat daarenboven ontelbare kinderen het slachtoffer waren van emotionele verwaarlozing of psychologisch geweld. Seksverslavingsexperts beweerden dat deze veronderstelde epidemie van seksueel of psychologisch misbruik dé verklaring was voor verslavingsgedrag. Ze meenden dat jeugdtrauma's leidden tot gevoelens van leegte die men als volwassene probeerde te vullen met eten, drank, drugs, seks of materiële goederen.31

Deze nieuwe seksverslavingsdiagnose was ook uiting van een wijdverbreid gevoel van onbehagen over de tolerantie van de seksuele revolutie. Een verschuiving in conservatieve richting in de late jaren '70 en '80 ging vergezeld van toenemende bezorgdheid dat seksualiteit onbeheersbaar was geworden: porno overal verkrijgbaar, toenemende tienerzwangerschap-pen, seksclubs waar alles kon, openlijk opererende homosauna's, en een dolgedraaide open-en-bloot mentaliteit. In het kielzog van de AIDS-epidemie en uitgebreide publiciteit over vermeend seksueel misbruik in kinderdagverblijven was een soort seksuele paniekgolf ontstaan. Onder het motto van het herstellen van "family values" droeg een steeds machtiger wordende rechts-religieuze beweging, vooral in de VS, sterk de visie uit dat seks gevaarlijk was en onbeheers-baar.

Onder invloed van evangelische gedachten over berouw en bekering schildert de populaire psychologische literatuur momenteel seksverslaafden af als mensen die veel gemeen hebben met degenen die in het verleden zondaars werden genoemd. In navolging van het model van de Alcoholics Anonymous hebben uiteenlopende zelfhulpgroepen als Sex Addicts Anonymous, Sexaholics Anonymous, en Sex and Love Addicts Anonymous een versie van het twaalf-stappen programma overgenomen dat deelnemers vraagt hun lot in handen van een hogere macht te leggen. Verslavingsgoeroes als Stephen Arterburn, auteur van Addicted to "Love" (Arterburn, 1996), vragen hun lezers om hun "genezingsbereidheid" te taxeren door

28 DSM-IV (Washington, D.C.: APA, 1994), p. 538: De categorie, "Seksuele Stoornis Niet Anders Omschreven," geeft aan "Lijden aan een patroon van herhaalde seksuele relaties waarbij een reeks minnaars betrokken zijn die door het individu slechts als gebruiksvoorwerp worden ervaren."

29 Zie bijvoorbeeld Dear Abby, "Says she's addicted to sex," New York Post, 26 december, 1983; Carol Saline, "To the addict, sex is like the junkie's needle, or the alcoholic's next martini," Daily News, 24 febr. 1985; Ann Landers, "The Double Life of the Sex Addict, Los Angeles Times, 30 april, 1988; "Sexual binging won't bring you happiness," USA Today, 5 augustus, 1986; Barbara Dolan, "Do People Get Hooked on Sex?" Time, 4 juni, 1990, p. 72; Jean Seligman, "Taking Life One Night at a Time," Newsweek, 20 july, 1987. Een van de eerste medische artikelen was van J. Orford (1978). Hypersexuality: Implications for a Theory of Dependence. British Journal of Addiction, 73, 299-310.

30 De paragrafen over seksverslaving zijn gebaseerd op het werk van Irvine (1995, pp. 429-450), Carnes (1983), Dineen (1996), Kasl (1989), Kaminer (1991), Norwood (1985) en Peele (1989).

31 Emotionele verwaarlozing of psychologisch misbruik is erg breed gedefinieerd en omvat de effecten van scheiding, overlijden, ongevallen, oorlog, hospitalisatie op jonge leeftijd, isolatie, en opzettelijk misbruik.


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

213

bij zichzelf vast te stellen in welke mate ze bereid zijn om "ongezonde afhankelijkheid te vervangen door een overgave aan het vertrouwen op God." Om "seksueel nuchter" te worden bevelen de meest restrictieve herstel-groepen aan om geen seksueel gedrag te vertonen behalve wanneer iemand getrouwd is en ze verbieden masturbatie, pornografie, en seksuele fantasieën, evenals lesbische of homoseksuele verbintenissen. Net zoals bij andere verslavingen bestaat er geen genezing en blijft een individu levenslang "herstellende".32

De vroege literatuur over seksuele gedragingen als verslavende ziekte, zoals het baanbrekend boek van Patrick Carnes' The Sexual Addiction (1983), presenteerde één enkel pad naar herstel voor zowel vrouwelijke als mannelijke verslaafden. Die benadering veranderde al snel toen vrouwelijke therapeuten, waaronder Charlotte Kasl, auteur van Women, Sex, and Addiction (1989), er op wezen dat de verschillende boodschappen van de maatschappij over seksualiteit het verslavingsgedrag van vrouwen en mannen op verschillende manieren vorm gaf. Volgens Kasl gebruiken vrouwelijke seksverslaafden seks om zich machtig te voelen, net zoals mannen dat doen. Zoals de titel van een bestseller echter suggereert zijn "Vrouwen die te veel liefhebben" opgevoed om mannen te behagen en lopen ze meer kans om seksueel "mede-afhankelijk" te zijn, als ze seks ruilen voor de hoop dat ze er romantiek, liefde of een relatie voor terug krijgen (Norwood, 1985).33 Kasl vat seksuele "mede-afhankelijkheid" op als "slechts een geringe overdrijving van de cultureel voorgeschreven norm voor vrouwen: de passieve, lieve, slaafse vrouw die gelooft dat ze seks moet (willen) hebben om liefde en zorgzaam-heid te krijgen." In de woorden van de auteur lijden niet alleen de vrouwen die veel sekspartners hebben, maar ook degenen die hun "basistraining in afhankelijkheid" in de praktijk brengen, aan een psychologische stoornis. De behandeling daarvan vereist begrip van hoe culturele boodschappen een bijdrage leveren aan het ontstaan van verslaving (Kasl, 1989, p. 43).34

Sommige dissidenten binnen de wereld van de seksverslaving opperen dat het vasthouden aan dit

onderscheid tussen vrouwelijke en mannelijke seksverslaafden simpelweg nog een andere vorm van gender-stereotypering is. De National Council on Sex-ual Addiction and Compulsivity zegt: "Seksverslaafde vrouwen kunnen de voorkeur geven aan het idee dat ze "verslaafd aan liefde" zijn omdat dit beter past bij het romantische, koesterende beeld van een vrouw, terwijl de term "seksverslaafd" associaties oproept aan een "nymfomane", een "slet" of "hoer".35 Vanuit een feministisch perspectief past de neo-Victoriaanse aanname dat vrouwen "liefdesverslaafd" zijn in het nog steeds heersende beeld van de vrouwelijke seksualiteit "als minder machtig, minder onweerstaanbaar en minder diep dan die van mannen."36

Het seksverslavingsconcept raakte een gevoelige snaar in de populaire media. Allerlei soorten zelfverklaarde seksverslaafden, verslaafden aan liefde en relaties, mede-verslaafden en kinderen van seksverslaafden zijn hoofdthema geworden van sensatiebladen en talkshows op televisie, van "Jerry Springer" tot "The 700 Club" van het Christian Broadcasting Network. En met de toenemende populariteit van de talkshows in de jaren 90 van de vorige eeuw, voedden de behoefte van deze talkshows aan steeds sensationelere voorbeelden van seksuele deviantie en de groeiende seksverslavingsbeweging elkaar wederzijds. TV-producers weten _ en de kijkcijfers bevestigen _ dat de getuigenissen van seksverslaafden veel fascinerender zijn dan die van "shopaholics". Dag na dag proberen Sarah Jessica Raphael, Pat Robertson, Jenny Jones, Oprah Winfrey en andere talkshowpresentatoren de ether te vullen met de berouwvolle slachtoffers van een scala aan aangenaam prikkelende verslavingen.

Terwijl in de vroege dagen van de AA kleine groepen lotgenoten elkaar ontmoetten in de kelders van kerken, en men luisterde naar groepsleden die getuigenis aflegden van hun onvermogen om hun drinken onder controle te houden, hoort nu een televisiepubliek van miljoenen mensen Connie, een herstellende seksverslaafde, bekennen: "Ik was gewend om mezelf seks toe te dienen als ik me eenzaam voelde. In plaats van met eten vulde ik mezelf met seks."37 Veel shows spelen in op de angsten van de kijkers en leggen hen

32 Zie de web site van the National Council on Sexual Addiction and Compulsivity (NCSAC): www.ncsac.org.

33 Bij AA, bedoelde men met "mede-verslaafde" ("co-dependent") oorspronkelijk de partner, meestal de echtgenote, van een alcoholicus wier gedrag het de man mogelijk maakte te blijven drinken.

34 Zie ook C. Kasl (1992). Many Roads, One Journey. New York: Harper Perennial, p. 96; A. McBean (1991). Assessment and Treatment of Sexually Compulsive Women: A Guide Through the Labyrinth. Paper presented at the National Conference on Sexual Compulsivity/Addiction, gesponsord door the University of Minnesota's Program in Human Sexuality, 19-21 mei 1991. Mijn dank aan Tim Smith die mij voorzag van de audiotapes van de conferentie.

35 "Position Paper: Women Sex Addicts," NCSAC web site.

36 R. Chalker (1994). Updating the model of female sexuality. SIECUS Report, 22, 1-6, geciteerd in P.B. Anderson & C. Struckman-Johnson (1998), Sexually Aggressive Women. New York: The Guilford Press, p. 30.

37 "Oprah Winfrey," 14 mei 1999.


214

Groneman

jongensstreken zijn", en de feministische onthulling van de prevalentie van verkrachting en incest, diep doorgedrongen zijn in de populaire cultuur. Vermoedelijk vinden mannen het ook gemakkelijker om toe te geven dat ze verslaafd zijn omdat dit een populair aura heeft: "het is de schuld van mijn biologie". Toen Oprah Winfrey echter aan Doug Weiss, auteur van The Final Freedom: Pioneering Sex Addiction Reco-very vroeg waarom meer mannen dan vrouwen seksverslaafd zijn, gaf hij als antwoord: "Mannen worden nog steeds gesocialiseerd als seksverslaafden. Ze vragen elkaar "heb je iets gekregen, heb je gescoord?" en ze groeien op met de gedachte dat seks iets is dat je voor mekaar krijgt." In zijn ogen is er niet veel veranderd.40

Aan het begin van de 21e eeuw is nymfomanie niet langer een belangrijke categorie, noch als organische ziekte, noch als specifieke psychische stoornis. En toch leeft het begrip verder in de populaire media, enerzijds belichaamd door de gelukkige "nymfo", anderzijds door het misbruikte kind dat opgroeit als seksverslaafde. Deze nieuwe schijngestalten van de bekende stereotypen van vrouwelijke seksualiteit zijn echter net zo oppervlakkig en twee-dimensionaal, en ze maken duidelijk dat de vragen "Hoeveel is teveel?", "Hoeveel is genoeg?", en "Wie beslist daarover?" nog steeds niet naar tevredenheid zijn beantwoord.

Literatuur

American Psychiatric Association (1952). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Washington, D.C.: APA.

American Psychiatric Association (1980). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Third Edition. Washington, D.C.: APA.

American Psychiatric Association (1987). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Third Edition - Revised. Washington, D.C.: APA.

Arterburn, S. (1996). Addicted to `love': Understanding dependence of the heart: Romance, relationships, and sex. Ann Arbor, MI: Vine Books.

Auerback, A. (1968). Satyriasis and nymphomania. Medical Aspects of Human Sexuality, 2, 39-41, 44-45.

Auerback, A. (1972). Nymphomania. Medical Aspects of Human Sexuality, 6, 9.

Boston Women's Health Collective (1973). Our bodies, ourselves. New York: Simon and Schuster.

Brown, H.G. (1962). Sex and the single girl. New York: B. Geis Associates.

Burnap, D.W., & Golden, J.S. (1967). Sexual problems in medical practice. Journal of Medical Education and Practice, 42, 50.

Carnes, P. (1983). The sexual addiction. MN: CompCare Publica-tions.

Chesser, E. (1971). Strange loves: The human aspects of sexual deviation. New York: William Morrow.

Comfort, A. (1972). The joy of sex. New York: Simon and Schuster.

een of andere seks-quiz voor, een lijst met brede en algemene vragen waar het publiek thuis in alle privacy antwoorden op kan geven om te bepalen of men zelf ook seksverslaafd is of met een seksverslaafde samenleeft.38 Talkshowliefhebbers beweren dat de openhartigheid van zulke bekentenissen anderen kan aanmoedigen om hun verslaving te erkennen en er hulp voor te zoeken. Critici beschimpen deze vertoningen als voyeuristisch en manipulatief en beweren dat ze een stompzinnig verlangen voeden om de zoektocht van mensen naar de betekenis van het leven te vervangen door simplistische, "dat voelt goed" boodschappen.

Net zoals negentiende-eeuwse gynaecologen en hun vrouwelijke patiënten al te groot seksueel verlangen als een organische ziekte opvatten, hebben tegenwoordig zowel therapeuten als het grote publiek geleerd om over seks te praten als een verslaving. Als een afspiegeling van een conservatiever tijdperk, wordt seksueel gedrag pas als normaal en gezond gezien als het plaatsvindt binnen een vaste, monogame relatie; al het andere is een symptoom van een psychische stoornis. In een reactie op de angst voor seksualiteit die de spuigaten uitloopt, voorziet een brede beweging van zelfhulpgroepen deelnemers van een ondersteunende omgeving, en hun boodschap dat seksverslaving overwonnen kan worden biedt veel troost.

Maar seksverslaving als een ziekte opvatten heeft een keerzijde. Wanneer seksueel verlangen gezien wordt als iets dat zich binnen in het lichaam of de psyche bevindt _ een explosieve innerlijke kracht die beheerst, beteugeld en gereguleerd moet worden _ veronachtzaamt dit alle andere invloeden op seksualiteit. Een strikt medisch model verdoezelt de behoefte aan sociale verandering door de nadruk uitsluitend op individuele oplossingen te leggen.39

Het is opmerkelijk hoe de rollen in het eerdere nymfomanie versus satyriasis debat zijn omgekeerd, waarin elke seksueel actieve vrouw gekenschetst werd als een nymfomane, maar waarin slechts zelden de mannelijke wederhelft de diagnose "satyriasis" kreeg opgespeld. Vandaag de dag lijkt seksverslaving eerder een mannelijk gezicht te hebben, inclusief professionele basketballspelers, filmsterren en zelfs een president van de Verenigde Staten. Anderzijds ontstaat hierdoor de indruk dat de aanval van de vrouwenbeweging op de oude rationalisatie dat "het maar

38 Er zijn veel versie van deze vragenlijsten, zie de NCSAC website voor voorbeelden.

39 In Women, Sex, and Addiction, p. xi, bijvoorbeeld, stelt Kasl dat "childhood abuse, along with poverty and oppression, underlie numerous addictions." Maar alleen de invloeden van kindermisbruik worden verder in het boek onderzocht. Voor verdere kritiek, zie M.P. Levine, & R.R. Troiden (1988). The Myth of Sexual Compulsivity. The Journal of Sex Research, 25, 347-363.

40 "Oprah Winfrey", 14 mei 1999.


Nymfomanie: De populaire cultuur, de experts en veranderende constructies van vrouwelijke seksualiteit

215

Coontz, S. (1992). The way we never were: American families and the nostalgia trap. New York: Basic Books.

D'Emilio, J., & Freedman, E.B. (1988). Intimate matters: A history of sexuality in America. New York: Harper and Row.

Dineen, T. (1996). Manufacturing victims: What the psychology industry is doing to people. Montreal: Robert Davies.

Echols, A. (1989). Daring to be bad, 1967-1975. New York: Minneapolis: University of Minnesota.

Ehrenreich, B. (1986). Re-making love: The feminization of sex. Garden City, NY: Anchor Press.

Ellis, A., & Sagarin, E. (1964). Nymphomania: A study of the oversexed woman. New York: Gramercy Publishing Co.

Friday, N. (1973). My secret garden: Women's sexual fantasies. New York: Trident Press.

Friedan, B. (1963). The feminine mystique. New York: W.W. Norton.

Fry, W. (1978). Psychodynamics of sexual humor: Nymphomania. Medical Aspects of Human Sexuality, 12, 118-120.

Hastings, D.W. (1963). Impotence and frigidity. Boston: Little, Brown and Co.

Irvine, J. (1990). Disorders of desire: Sex and gender in modern American sexology. Philadelphia: Temple University Press.

Irvine, J. (1995). Reinventing perversion: Sexual addiction and cultural anxiety. Journal of the History of Sexuality, 429-450.

Kaminer, W. (1991). I'm dysfunctional, you're dysfunctional. Reading, MA: Addison-Wesley.

Kasl, C. (1989). Women, sex, and addiction: A search for love and power. New York: Harper and Row.

Koedt, A. (1969). The myth of the vaginal orgasm. Boston, MA: New England Free Press.

Kutchins, H., & Kirk, S.A. (1997). Making us crazy. DSM: The psychia-tric bible and the creation of mental disorders. New York: Free Press.

Levitt, E.E. (1973). Nymphomania. Sexual Behavior, 3, 13-17.

Masters, W.H., & Johnson, V.E. (1966). Human sexual response. Boston: Little, Brown.

McBroom, M. (1963). A clinical appraisal of some sexually promiscuous females. Journal of the National Medical Associa-tion, 55, 290-294.

McCary, J.L. (1971). Sex myths and fallacies. New York: Van Nos-trand Reinhold.

McCary, J.L. (1972). The Don Juan. Sexual Behavior, 2, 4-9.

McCary, J.L. (1973). Human sexuality, 2nd ed. New York: Van Nostrand Reinhold Co.

Morgan, M. (1973). The total woman. Old Tappan, NJ: F. H. Revell.

Norwood, R. (1985). Women who love too much. Los Angeles: Jeremy P. Tarcher.

Peele, S. (1989). Diseasing of America: Addiction treatment out of control. Lexington, MA: Lexington Books.

Pumpian-Mindlin, E. (1967). Nymphomania and satyriasis. In: C. Wahl (Ed.), Sexual problems, diagnosis and treatment in medical practice. New York: Free Press.

Robinson, P. (1989). The modernization of sex. Ithaca, NY: Cornell University Press.

Rubin, L. (1990). Erotic wars: What happened to the sexual revo-lution? New York: Harper and Row.

Segal, L. (1994). Straight sex: Rethinking the politics of pleasure. Berkeley, CA: Univ. of California Press.

Sherfey, M.J. (1966). The nature and evolution of female sexuality. New York: Random House.

Shulman, A.K. (1971). Organs and orgasms. In: V. Gornick & B.K. Moran (Eds.), Woman in sexist society: Studies in power and powerlessness. New York: Basic Books.

Tavris, C. (1992). The mismeasure of women. New York: Simon Schuster.

Tiefer, L. (1995). Sex is not a natural act and other essays. Boulder, CO: Westview Press.

Welch, I.D. (Ed.) (1978). Humanistic psychology: A source book. Buffalo, NY: Prometheus Books.

Willis, S.E. (1967). Sexual promiscuity as a symptom of personal and cultural anxiety. Medical Aspects of Human Sexuality, 1, 16-23.