|
Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 125-130 | |||||
|
Lesbische moeders en heteroseksuele ouders, hun rol bekeken vanuit het kindperspectief1
Julie Nekkebroeck1 en Anne Brewaeys2
Doel: In deze studie werd het familieconcept onderzocht bij 4 tot 7 jarige kinderen (n=66) waarvan de ene helft opgroeide bij twee lesbische moeders en de andere helft bij een heteroseksuele moeder en vader. Centraal hierbij stond de vraag hoe kinderen van lesbische moeders de rol van hun biologische/sociale moeder waarnemen en in welke mate deze vergelijkbaar is met de rol die kinderen in een heteroseksueel gezin aan hun moeder/vader toekennen. Opzet: Het familieconcept werd onderzocht door middel van de Familie Relatie Test. Via deze psychologische test werd per kind het gemiddeld aantal positieve, negatieve en afhankelijkheidsgevoelens berekend dat aan beide ouderfiguren wordt toegekend. Eerst werd een vergelijking gemaakt tussen lesbische en heteroseksuele gezinnen, vervolgens werd binnen elk gezinstype de rol van beide ouderfiguren onderling vergeleken. Resultaten: Kinderen in lesbische gezinnen kenden aan de sociale moeder opvallend meer afhankelijk-heidsgevoelens toe dan dat kinderen in heteroseksuele gezinnen dat deden ten aanzien van hun vader. Desondanks ontvangt deze laatste niet meer positieve gevoelens dan de vaders uit de heteroseksuele gezinnen. Bovendien verdelen de kinderen uit de heteroseksuele gezinnen de positieve gevoelens gelijkwaardiger over beide ouders dan de kinderen uit lesbische gezinnen. De betekenis van deze resultaten zal nader worden toegelicht. | |||||
|
Steeds meer lesbische vrouwen voeden kinderen op en hun aantal groeit steeds sneller. Nog niet zo lang geleden kregen de meeste onder hen kinderen binnen de context van een heteroseksuele relatie. De coming-out van hun lesbische geaardheid vond vaak plaats na de geboorte van de kinderen en resulteerde meestal in een echtscheiding. Tegenwoordig kiezen zij er steeds vaker voor om zwanger te worden binnen de context van een lesbische relatie of als alleenstaande lesbische vrouw. De meeste van deze lesbische vrouwen opteren voor het moederschap via donorinseminatie. Deze donor kan al of niet anoniem blijven en al of niet een vaderrol vervullen. In dit onderzoek worden 28 gezinnen opgevolgd die kinderen kregen via anonieme donorinseminatie. Hun gezin verschilt op een aantal vlakken van de familiale context die heteroseksueel ouderschap biedt. Eerst en vooral zijn beide moeders lesbisch en zal het kind opgroeien in afwezigheid van een biologische vader. Daarenboven zijn er reeds van bij de aanvang van de zwangerschap "twee" moeders aanwezig met name een biologische en een sociale moeder. In tegenstelling tot een biologische vader en moeder heeft de sociale moeder geen vast omschreven ouderrol en is er tot op heden weinig bekend over de |
manier waarop zij door de kinderen wordt waargenomen. Aan deze studie namen kinderen deel tussen 4 tot 7 jaar. Op deze jonge leeftijd hadden deze kinderen reeds een familie- en geboorteconcept ontwikkeld. Dit betekent dat zij notie hadden van "waar" zij vandaan kwamen, m.a.w. de kinderen uit de lesbische gezinnen wisten dat zij geen vader hadden maar twee moeders en dat er donorzaad gebruikt werd bij hun conceptie. Verder waren zij in staat een onderscheid te maken tussen de begrippen biologische en sociale moeder (Brewaeys et al., 1997). Het doel van deze studie is na te gaan welke rol deze kinderen hun beide moeders toekennen. De focus is vooral gericht op de manier waarop de sociale moeder wordt geper-cipieerd. Haar positie zal in eerste instantie worden vergeleken met de positie van de vaders in een gematchte groep van heteroseksuele gezinnen. Daarnaast zal binnen de lesbische gezinnen zelf een vergelijking gemaakt worden tussen de biologische en de sociale moeder. Deze studie maakt deel uit van een longitudinaal onderzoek (1986-2002) waarover reeds eerder werd gepubliceerd (Brewaeys et al., 1993, 1995, 1997). | ||||
|
1 Geaccepteerd voor publicatie: 22 april 2002. 2 Drs Julie Nekkebroeck, psycholoog, onderzoeker aan de vakgroep Ontwikkelings- en Levenslooppsychologie, de Vrije Universiteit Brussel. 3 Dr. Anne Brewaeys, psycholoog, seksuoloog NVVS, Universitair Hoofddocent aan de vakgroep Ontwikkelings en levensloop Psychologie van de Vrije Universiteit Brussel / Projectleider NISSO. e-mail: a.brewaeys@tiscali.nl. Correspondentie over dit artikel met: dr. A. Brewaeys. | |||||
|
126 |
Nekkebroeck, Brewaeys | |||||
|
Overzicht van empirische studies naar lesbisch ouderschap
Tot op heden blijft het aantal empirische studies over de ontwikkeling van kinderen geboren in lesbische gezinnen beperkt. De belangrijkste resultaten worden kort besproken: Wat betreft de psychologische ontwikkeling kon geen enkele tot nu toe uitgevoerde studie een significant verschil identificeren tussen kinderen geboren in lesbische versus heteroseksuele gezinnen. De meest onderzochte thema's waren: gedrags- en emotionele ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling en gender-rol ontwikkeling (voor een recent overzicht zie Brewaeys 2001). McCandlish (1987) en Gartrell et al. (2000) onderzochten het hechtingsgedrag tussen moeders en kinderen via een interview met de ouders. Zij rapporteerden dat in de meeste lesbische gezinnen, het kind in even grote mate gehecht was aan beide moeders. Hoewel uit een eerdere kwalitatieve studie van Gartrell et al. (1999) bleek dat sociale moeders zich soms uitgesloten voelden wanneer het kind borstvoeding kreeg, en wel eens gevoelens van jaloezie en com-petitiviteit ervaarden, geloofden velen onder hen dat het ontwikkelen van een sterke band met het kind eerder een gevolg is van de tijd die men ermee doorbrengt dan van de biologische link die men met het kind heeft. Golombok et al. (1997) vonden in hun vergelijkende studie van alleenstaande moeders, lesbische en heteroseksuele paren dat kinderen van lesbische moeders veiliger gehecht waren dan de kinderen in de andere gezinstypes. Gegevens werden hier wel via de kinderen verkregen. Als lesbische gezinnen werden vergeleken met heteroseksuele, dan bleek dat opvoedingstaken tussen beide moeders gelijkwaardiger verdeeld waren dan tussen vaders en moeders (Flaks et al., 1995, Brewaeys et al., 1997, Chan et al., 1998). In de studie van Brewaeys et al. (1997) werden de moeders van de hier onderzochte kinderen bevraagd over hun ouderrol. De praktische zorg voor de kinderen bleek in de helft van de lesbische gezinnen gelijk verdeeld over de sociale en de biologische moeder, terwijl dit in geen enkel heteroseksueel gezin het geval was. Ook professionele activiteiten verdeelden lesbische moeders onderling gelijkwaardiger dan heteroseksuele ouders. Voorts bleken de sociale moeders actiever betrokken te zijn bij het disciplineren van hun kind dan de vaders. Onderzoek dat peilde naar de ouderlijke vaardigheid en/of de kwaliteit van de ouder-kind relatie, kwam tot het besluit dat deze hoger was bij de sociale moeders in de lesbische gezinnen dan bij de vaders in de heteroseksuele gezinnen (Flaks et al., 1995; Brewaeys |
et al., 1997; Chan et al., 1998). Alle auteurs waren het er over eens dat het gevonden verschil eerder diende toegeschreven te worden aan de gender, dan wel aan de seksuele oriëntatie van de ouders. Uit alle studies die tot nu toe zijn verricht bleek dat de sociale moeder niet alleen actiever betrokken was bij de opvoeding van de kinderen, maar dat zij, in vergelijking met de vader in de heteroseksuele gezinnen, ook hoger scoorde op diverse maten die de kwaliteit van de ouder-kind relatie beoogden te meten. De vraag is nu of deze betrokkenheid zich ook zal reflecteren vanuit het kindperspectief. Wij verwachten dat er, ook in dit onderzoek, een `nauwere' band gevonden zal worden tussen de sociale moeder en het kind dan tussen de heteroseksuele vader en het kind.
Methode
Proefpersonen De proefgroep bestaat uit 66 kinderen waarvan 33 geboren in 28 lesbische gezinnen via kunstmatige inseminatie en 33 afkomstig uit 29 heteroseksuele gezinnen. De proefpersonen zijn allen tussen 4 en 7 jaar oud, de gemiddelde leeftijd bedraagt 4.3 jaar. De data van de kinderen uit de lesbische gezinnen zijn afkomstig van kinderen waarvan de moeders een beroep deden op het fertiliteitcentrum van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit Brussel. De response rate bedroeg 100%. De testgegevens van de controlegroep zijn allen afkomstig van kinderen die voor leeftijd en geslacht, plaats in de kinderrij en aantal siblings gematched werden met de proefpersonen uit de lesbische gezinnen. Deze kinderen werden gerecruteerd via de school. De response rate bedroeg 78.5%.
Meetinstrument Om iets meer te weten te komen over de manier waarop kinderen hun ouderfiguren waarnemen, wordt in dit onderzoek gebruik gemaakt van de Familie Relatie Test (F.R.T.). Deze test werd ontworpen in 1957 door Bene en Anthony om op objectieve, snelle en kindvriendelijke manier informatie in te winnen over hoe een kind de relaties met de leden van het gezin percipieert (Baarda, Van Londen & Van Londen-Barentsen, 1983; Célestin-Westreich, Baarda & Ponjaert-Kristoffersen, 1998). De test is een soort spel waarbij het kind allereerst zijn/haar gezin samenstelt aan de hand van een aantal poppetjes. Vervolgens krijgt het kind briefjes waarop positieve en negatieve gevoelens staan vermeld (bijv. Van wie wil je graag een knuffel? Wie zou je wel eens willen wegsturen?). Het is de bedoeling dat elk briefje naar het poppetje wordt verstuurd waarop de boodschap het meest van toepas | |||||
|
Lesbische moeders en heteroseksuele ouders, hun rol bekeken vanuit het kindperspectief |
127 | |||||
|
sing is. Voor kinderen tussen 4 en 8 jaar kan tevens nagegaan worden in welke mate het kind afhankelijk is van de ouders voor verzorging. Dit wordt gereflecteerd in het aantal kaartjes met afhankelijkheidsgevoelens of kaartjes met verzorgingsitems dat de kinderen aan een gezinslid toekennen (bijv. Wie stopt jou meestal in bed?). Indien het briefje bij geen enkel gezinslid past, kan het kind het versturen naar Mr. Niemand. Via deze projectieve methode worden de volgende scores berekend: (1) het aantal positieve gevoelens dat een kind toekent aan beide ouderfiguren, (2) het aantal negatieve gevoelens, (3) het aantal afhanke-lijkheidsgevoelens. In de oorspronkelijke F.R.T. versie werd een onderscheid gemaakt tussen `inkomende' gevoelens (gevoelens van ouder naar kind) en uitgaande gevoelens (gevoelens van kind naar ouder). Onderzoek heeft echter aangetoond dat kinderen jonger dan 5 jaar dit onderscheid onvoldoende kunnen maken (Célestin-Westreich, Baarda & Ponjaert-Kristoffersen, 1998). Daarom werd er bij de verwerking van de resultaten geopteerd om enkel rekening te houden met het totaal aantal kaartjes en geen onderscheid te maken tussen inkomende en uitgaande gevoelens. Helaas werd er met deze methode weinig onderzoek gedaan naar betrouwbaarheid en validiteit. Resultaten dienen dan ook met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.
Onderzoeksdesign en statistische analyses In het onderzoek zijn er dus twee aan elkaar gerelateerde samples betrokken, die gematched zijn voor |
leeftijd, geslacht, plaats in de kinderrij en totaal aantal kinderen in het gezin. Van elk kind uit beide gezinstypes wordt een F.R.T. afgenomen. Bij de verwerking van de resultaten wordt het gemiddeld aantal positieve, negatieve en afhankelijkheidsgevoelens berekend dat ieder kind toekent aan beide ouderfiguren. Aan de hand van een t-test for interrelated samples (eenzijdig) worden deze scores berekend: (1) in een between-design, waarbij de positie van beide lesbische moeders vergeleken wordt met de positie van de moeders en vaders in heteroseksuele gezinnen; (2) in een within-design, waarbij binnen ieder gezinstype een vergelijking wordt gemaakt tussen de biologische moeder en de sociale moeder/vader.
Hypothesen Verwacht wordt dat kinderen in lesbische gezinnen een nauwere band signaleren met hun sociale moeder dan dat de kinderen in heteroseksuele gezinnen dat doen met hun vader. Dat proberen we na te gaan aan de hand van de verdeling van de positieve en afhankelijkheidsgevoelens (FRT) over de verschillende ouderfiguren. In de between-vergelijking verwachten we dat de sociale moeder uit de lesbische gezinnen meer positieve en afhankelijkheidsgevoelens krijgt toegewezen dan een vader in de heteroseksuele gezinnen. In de within-vergelijking verwachten we dat er in de lesbische gezinnen geen verschillen zijn in de mate waarin de sociale moeder en de biologische moeder positieve (negatieve) en afhankelijkheidsgevoelens krijgen. In heteroseksuele gezinnen verwachten we dat de vader t.o.v. de biologische moe | |||||
|
Tabel 1: Vergelijking Lesbische Gezinnen (LE G) versus Heteroseksuele Gezinnen (HE G) voor het aantal positieve, negatieve en afhankelijkheidsgevoelens.
Tabel 1.1: Biologische moeder LE G _ Biologische moeder HE G Gevoelens Moeder LE G Moeder HE G T-toets Gemiddeld (SD) Gemiddeld (SD) 1-zijdig p
Positieve 5.91 (3.39) 5.33 (2.90) - 0.742 0.232 Negatieve 2.67 (2.25) 2.15 (1.73) - 1.038 0.154 Afhankelijkheid 3.30 (1.76) 4.97 (1.57) 4.462 < 0.001**
Tabel 1.2: Sociale moeder LE G _ Vaders HE G Gevoelens Sociale Moeder LE G Vader HE G T-toets Gemiddeld (SD) Gemiddeld (SD) 1-zijdig p
Positieve 3.76 (2.46) 4.82 (3.06) - 1.478 0.075 Negatieve 2.70 (2.72) 2.48 (1.86) 0.352 0.364 Afhankelijkheid 2.91 (1.83) 1.64 (0.99) 4.254 < 0.001**
* significant op niveau p < 0.05 ** significant op niveau p < 0.001 | ||||||
|
128 |
Nekkebroeck, Brewaeys | |||||
|
der, minder positieve en afhankelijkheidsgevoelens zal krijgen.
Resultaten
1. Vergelijking tussen lesbische gezinnen en heteroseksuele gezinnen (tabel1). Wat betreft het gemiddeld aantal positieve gevoelens die kinderen geven aan hun biologische moeder, worden er geen significante verschillen gevonden tussen lesbische en heteroseksuele gezinnen. Hetzelfde geldt voor de sociale moeder uit de lesbische groep versus de vaders uit de heteroseksuele gezinnen: tussen beiden worden geen significante verschillen gevonden. Scores met betrekking tot de afhankelijkheidsgevoelens laten wel belangrijke verschillen zien tussen beide gezinstypes. De biologische moeder uit de heteroseksuele controlegroep krijgt significant meer kaartjes met afhankelijkheidsgevoelens dan de biologische moeder uit de lesbische gezinnen (t(32) = 4.462, p < 0.001). De sociale moeder uit de lesbische gezinnen krijgt significant meer afhankelijkheidsgevoelens dan de vader uit de controle groep (t(32) = 4.254, p < 0.001). Verder worden er wat betreft de ne-gatieve gevoelens eveneens geen significante verschillen gevonden tussen de ouderfiguren uit beide gezinstypes.
2. Vergelijking: Biologische moeder versus sociale moeder in de lesbische gezinnen & biologische moeder versus vader in de heteroseksuele gezinnen (tabel 2). |
Kinderen uit de lesbische gezinnen geven aan hun biologische moeder significant meer positieve gevoelens dan aan hun sociale moeder (t(32) = 2.330, p = 0.013). Het gemiddeld aantal afhankelijkheidsgevoe-lens verschilt echter niet significant tussen beide moeders. Voor de negatieve gevoelens worden eveneens geen verschillen gevonden. In de heteroseksuele gezinnen daarentegen verschilt het gemiddeld aantal positieve gevoelens niet significant tussen beide ouders. Moeder en vader krijgen beide een vergelijkbare hoeveelheid positieve gevoelens. Maar, wat betreft de afhankelijkheidsgevoelens wordt er wel een significant verschil gevonden: de biologische moeder krijgt meer afhanke-lijkheidsgevoelens toebedeeld dan de vader. Voor de negatieve gevoelens vinden we dan weer geen verschillen tussen vaders en moeders.
Discussie
Met dit onderzoek trachtten wij het familieconcept van kinderen die opgroeien bij lesbische moeders nader te bestuderen. In het bijzonder waren wij geïnteresseerd in de rol die de kinderen aan hun sociale moeder toekennen. Om dit te onderzoeken maakten wij gebruik van de Family Relation Test. Via deze methode wordt het familieconcept van kinderen weergegeven door middel van het gemiddeld aantal positieve, negatieve en afhankelijkheidsgevoelens die zij aan iedere ouderfiguur toekennen. De bekomen resultaten zeggen dus niets meer of niets minder dan wat er via deze ene projectieve test werd geregistreerd en | |||||
|
Tabel 2: Vergelijking Biologische moeder versus sociale moeder binnen de Lesbische Gezinnen en biologische moeder versus vader binnen de Heteroseksuele gezinnen.
Tabel 2.1: Biologische moeder LE G _ Sociale moeder LE G Gevoelens Biologische Moeder LE G Sociale Moeder LE G T-toets Gemiddeld (SD) Gemiddeld (SD) 1-zijdig p
Positieve 5.33 (3.39) 3.76 (2.46) 2.330 0.013* Negatieve 2.67 (2.25) 2.70 (2.72) - 0.043 0.483 Afhankelijkheid 3.30 (1.76) 2.91 (1.83) 0.669 0.194
Tabel 2.2: Biologische moeder HE G _ Vaders HE G Gevoelens Biologische Moeder HE G Vaders HE G T-toets Gemiddeld (SD) Gemiddeld (SD) 1-zijdig p
Positieve 5.33 (2.90) 4.82 (3.06) 0.577 0.284 Negatieve 2.15 (1.73) 2.48 (1.86) - 0.722 0.238 Afhankelijkheid 4.97 (1.57) 1.64 (0.99) 8.476 < 0.001**
* significant op niveau p < 0.05 ** significant op niveau p < 0.001 | ||||||
|
Lesbische moeders en heteroseksuele ouders, hun rol bekeken vanuit het kindperspectief |
129 | |||||
|
dienen dus met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. De resultaten kunnen bijgevolg niet méér betekenen dan een aanzet voor verder multime-thodisch onderzoek. Met deze studie wilden wij nagaan of de grotere betrokkenheid van de sociale moeder, zoals gevonden in vorig onderzoek, zich ook weerspiegelde vanuit het kindperspectief. Eerst werd er gekeken of het familieconcept van kinderen uit lesbische gezinnen verschilde met dat van kinderen uit heteroseksuele gezinnen. De verwachting was dat de sociale moeder meer positieve en afhankelijkheidsgevoelens kreeg toegewezen dan de vader. Vervolgens werden beide ouderfiguren binnen elk gezinstype met elkaar vergeleken. De verwachting was dat beide moeders evenveel positieve en afhankelijkheidsgevoelens kregen vanwege de kinderen. Van de vaders werd echter verwacht dat zij er minder zouden krijgen dan de moeder. De resultaten van de vergelijking tussen lesbische en heteroseksuele gezinnen bevestigen onze hypothesen slechts gedeeltelijk en leveren het volgende beeld op: Sociale moeders en vaders verschillen niet van elkaar voor wat betreft het aantal positieve gevoelens die ze krijgen toegewezen van de kinderen. Ditzelfde geldt voor de biologische moeders uit beide gezinstypen. Voor wat betreft de afhankelijkheidsgevoelens, krijgt de sociale moeder in de lesbische gezinnen er aanzienlijk meer toebedeeld dan de vader in de heteroseksuele gezinnen. Dit betekent dat de kinderen uit de lesbische gezinnen zich afhankelijker voelen voor verzorging van de sociale moeder dan kinderen uit de heteroseksuele gezinnen ten aanzien van hun vader. Echter, ondanks het feit dat deze kinderen zich afhankelijker van haar voelen, ontvangt zij niet meer positieve gevoelens van de kinderen dan een vader. Integendeel, we kunnen zelfs een -weliswaar niet significante- trend afleiden (zie tabel 1.2), die erop wijst dat vaders uit de heteroseksuele gezinnen meer positieve gevoelens krijgen dan de sociale moeders in de lesbische gezinnen. In vergelijking tot de sociale moeder moet een vader dus minder investeren naar het kind toe om toch dezelfde, en misschien zelfs iets meer, positieve gevoelens te ontvangen vanwege de kinderen. Binnen de lesbische gezinnen zelf ontvangen de sociale moeders significant minder positieve gevoelens van de kinderen dan de biologische moeders. De vaders in de heteroseksuele gezinnen daarentegen, krijgen precies evenveel positieve gevoelens toebedeeld als de moeders. Een ander beeld wordt gevonden voor de afhankelijkheidsgevoelens: deze zijn onder de lesbische moeders wel gelijk verdeeld, maar de heteroseksuele vader krijgt er dan weer veel minder dan de moeder. |
Deze onevenredige verdeling van positieve gevoelens tussen de biologische en de sociale moeder, wijst erop dat de sociale moeder -in vergelijking tot de biologische moeder- in een kwetsbaarder daglicht staat t.o.v. van de kinderen. Ondanks het feit dat zij meer investeert dan de vader in alle gemeten opvoedingsaspecten, lijkt dit verschil zich vanuit het kindperspectief alleen te weerspiegelen in de gelijke verdeling van de afhankelijkheidsgevoelens tussen de twee moeders. In de heteroseksuele gezinnen daarentegen krijgt de vader evenveel positieve gevoelens dan de moeder, ondanks het feit dat kinderen zich minder afhankelijk voelen van hem. Een mogelijke verklaring voor het feit dat een grotere betrokkenheid van de sociale moeder door het kind wél gereflecteerd werd via de haar toegekende afhankelijkheidsgevoelens maar niet via de positieve gevoelens, wordt geboden door de studie van De Kanter (1996). Daaruit blijkt dat kinderen meestal de idee hebben dat moeder en vader allebei goed voor hen zorgdragen. Hoeveel zorg zij aan de kinderen besteden, of wie wat doet, is voor de kinderen minder belangrijk dan de normatieve opvattingen die aan de symbolische constructen "vader" en "moeder" ten grondslag liggen, met name: "Dit zijn mijn ouders die allebei goed voor mij zorgen". De invloed van deze symbolische constructen kan soms bepalender zijn dan de ervaringen met goede of minder goede zorg omdat er wensvoorstellingen en fantasmatische beelden aan gekoppeld zijn die niet door de werkelijkheid van alledag gecorrigeerd worden. Dezelfde cultuur die bepalend is voor de moeder-kind en de vader-kind relatie zal ook bepalend zijn voor de verhouding sociale moeder-kind. Echter, voor de sociale moeder bestaan er, in tegenstelling tot voor de vader, geen symbolen, geen rituelen, geen naam en geen wet die haar een duidelijke omschreven plaats geven binnen het gezin (De Kanter, 1996). Toegepast op onze bevindingen, zou deze hierboven geciteerde "onzicht-baarheid" van de sociale moeder, haar kwetsbare po-sitie kunnen verklaren. Of de gevonden verschillen ook te maken hebben met de afwezigheid van een genetische link tussen de sociale moeder en de kinderen blijft vooralsnog een open vraag. Hoewel de kinderen in het onderzoek, gezien hun jonge leeftijd, nog niet geheel in staat waren om hun geboorteconcept correct te analyseren, hadden zij allen notie van waar zij vandaan kwamen. Samengevat konden zij hun geboorteproces als volgt verwoorden: `zij zijn ontstaan door een zaadje dat gehaald werd in het ziekenhuis en door een eitje van mama (biologische moeder), dit zaadje en eitje zijn uitgegroeid tot een baby in mama's buik' (Brewaeys et al. 1997). Het feit dat er in dit verhaal geen rol voor | |||||
|
130 |
Nekkebroeck, Brewaeys | |||||
|
twee moeders is weggelegd, kan het familieconcept van de kinderen onrechtstreeks hebben beïnvloed. Tot slot willen wij benadrukken dat het met dit onderzoek verkregen inzicht in de rol van de biologische en sociale moeder in lesbische gezinnen verder zal moeten worden onderzocht. De kinderen in deze studie waren nog jong en aangezien de perceptie van gezinsrelaties sterk beïnvloed wordt door het cognitief en emotioneel ontwikkelingsstadium waarin zij zich bevinden, zal de verdere evolutie van hun familieconcept nauwgezet worden opgevolgd. Bovendien blijft verder onderzoek met grotere steekproeven en andere methodieken een absolute noodzaak.
Literatuur
Baarda, B., van Londen, A., & van Londen-Barentsen, W.M. (1983). Familie Relatie Test: Experimentele uitgave. Lisse: Swets & Zeitlinger. Brewaeys A., Ponjaert I., Van Steirteghem A., & Devroey, P. (1993). Children from anonymous donors: an inquiry into homosexual and heterosexual parents' attitudes. Journal of Psychosomatic Obstetrics & Gynaecology, 14, 23-35. Brewaeys, A., Ponjaert, I., Van Hall, E., et al. (1995). Lesbian mothers who conceived after DI, a follow-up study. Human Reproduction, 10, 2731-2735. Brewaeys, A., Ponjaert, I., Van Hall, E., & Golombok, S. (1997). Donor insemination: Child development and family functioning in lesbian mother families with 4 to 8 year old children. In Press: Human Reproduction. Chan, R.W., Raboy, B., & Patterson, C.J. (1998). Psychological adjustment among children conceived via donor insemination by lesbian and heterosexual mothers. Child Development, 69, 443-457. Célestin-Westreich, S., & Ponjaert-Kristoffersen, I. Familie Relatie Test: Handleiding, Verwerking en Normen. De Kanter, R. (1996). Een vader is een mannelijke moeder, eigenlijk. De sekse-geslachtsidentiteit van kinderen in verschillende leefvormen. Utrecht: J. Van Arkel. Flacks, D., Fisher, I., Masterpasqua, F., & Joseph, G. (1995). Lesbian choosing motherhood: a comparative study of lesbian and heterosexual parents and their children. Child Development, 48, 902-907. Gartrell, N., Banks, A., Reed, N., Hamilton, J., Rodas, C., & Deck, A. (1999). The national lesbian family study: 2. Interviews with mothers of toddlers. American Journal of Orthopsychiatry, 69, 362-369. |
Gartrell, N., Banks, A., Reed, N., Hamilton, J., Rodas, C., & Deck, A. (2000). The national lesbian family study: 3. Interviews with mothers of five-year-olds. American Journal of Orthopsychiatry, 70, 542-548. Golombok, S., Tasker, F., & Murray, C. (1997). Children raised in fatherless families from infancy: family relationships and the socioemotional development of children of lesbian and single heterosexual mothers.Journal of Child Psychology and Psychiatry, 38, 783-791. McCandlish, B. (1987). Against all odds: lesbian mother family dynamics. In F.W. Bozett (Ed.), Gay and Lesbian Parents. New York: Praeger, pp. 23-38. Steckel, A. (1987). Psychological development of children of lesbian mothers. In F.W. Bozett (Ed.), Gay and Lesbian Parents. New York: Praeger, pp. 75-87.
English summary
Lesbian mothers and heterosexual parents, parenting roles identified from the child's perspective!
Studies investigating the development of children born through Donor Insemination in lesbian families and the nature of the parent-child relationship in these families, indicate that a social mother, in comparison to fathers in heterosexual families, is more actively involved in childraising. Also, social mothers are shown to obtain higher scores on different quality-measures concerning the parent-child relationship. In this study we examine whether the strong involvement of the social mother is reflected in the way she is perceived by her child(ren). We expect a "closer" bond between social mothers and their child(ren) than between heterosexual fathers and their child(ren). By means of the Family Relation Test, we studied the family-concept of 66 children, between 4 and 7 years of age, of which half of them grew up in a lesbian family and half of them were raised by heterosexual parents. Findings reveal that children express more feelings of dependence towards their social mother than do children towards their fathers in heterosexual families. However, the social mother receives less positively coloured feelings from the children than fathers in the heterosexual families do. Moreover, the children in the latter families divide positive feelings more equally among both their parents in comparison to the children in the lesbian families. An explanation for these results is sought in the theory of Ruth De Kanter (1996) who states that the influence of symbolic representations of "mothers" and "fathers" are more determining in how children perceive their parents than the actual experiences they have with their parents. The "invisibility" of the social mother in our society and the fact that there is no role for her in the birth-process might have influenced the children's perception of their social mother.
| |||||
|
| ||||||