|
|
Abstracts
|
Redactioneel: themanummer 'Seksueel delinquenten: een overzicht rondom theorie, diagnostiek & behandeling'
|
|
C. van Nieuwenhuizen, D. de Doncker,
D. van Beek, L. Gijs
|
Gastredactionele inleiding bij het themanummer 'Seksueel delinquenten: een
overzicht rondom theorie, diagnostiek & behandeling', een coproductie van het
Tijdschrift voor Seksuologie en het Vlaamse Tijdschrift voor Klinische
Psychologie.
|
|
Strafbare seksualiteit en seksueel deviant gedrag: definities en prevalenties
Criminal and deviant sexual behavior: definitions and prevalence
|
|
J. Frenken
|
Welke seksuele gedragingen worden in Nederland strafbaar gesteld? Wat is
de omvang van de seksuele criminaliteit? Mensen kunnen ook in behandeling
komen als zij al dan niet strafbaar parafiel gedrag vertonen en daaronder
lijden. Wat is parafilie en welke parafilieën kunnen worden
onderscheiden? Dit inleidend artikel geeft definities en
prevalentiecijfers. Het blijkt dat - op een enkele uitzondering na - er
weinig betrouwbare gegevens voorhanden zijn over afwijkend seksueel gedrag.
|
|
Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht
Theories of the aetiology of sexually agressive behaviour: an introductory review
|
|
L. Gijs
|
Seksueel agressief gedrag is regelmatig gepleegd gedrag. Zo vonden Koss en
collega's dat 53,7% van hun grote steekproef studentes (N = 3187) meldde
dat ze slachtoffer geweest waren van seksuele agressie. Hoe komt deze
agressie tot stand? In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de
invloedrijkste algemene theorieën van de laatste 25 jaren over de
ontwikkeling van seksueel agressief gedrag. Aan bod komen de
biopsychosociale theorie van Marshall, Malamuths 'confluence model' en de
feministische theorieën van Abbey, Russell en Schwartz en Dekeseredy. Al
deze theorieën vatten seksuele agressie op als een probleem van
gedragsregulatie. Bovendien is er consensus dat seksueel agressief gedrag
complex gedrag is dat biopsychosociaal en multifactorieel bepaald is. Na
de beschrijving van de verschillende theorieën worden een aantal
evaluatieve kanttekeningen gemaakt. Ze betreffen (meta-)theoretische
ontwikkelingen, methodische tekortkomingen en het gebrek aan klinische
relevantie van de besproken theorieën. De conclusie is dat het aloude
ideaal dat een goede theorie een empirisch gevalideerde theorie is, die
inzicht biedt in de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag en leidt
tot erop gebaseerde effectieve diagnostische procedures en interventies,
verre van gerealiseerd is.
|
|
Interpersoonlijke factoren bij de verklaring van pedoseksueel gedrag op grond van structurele equatie modellen
Interpersonal factors in the aetiology of paedophilic behaviour
|
|
S. Bogaerts, J. Goethals, G. Vervaeke
|
In deze bijdrage wordt de invloed van interpersoonlijke factoren op
pedoseksualiteit onderzocht. De variabelen ouderlijke sensitiviteit,
veilige romantische volwassen hechting, vertrouwen en
persoonlijkheidsstoornissen werden in een hypothetisch model ingebracht
en getoetst bij een groep pedoseksuelen. Op grond van fitindices vonden
de auteurs dat het hypothetisch padanalytisch model overeenstemde met de
geobserveerde waarden. De variabelen ouderlijke sensitiviteit,
interpersoonlijke factoren en persoonlljkheidsstoornissen verklaarden
ongeveer 20% van de variantie in de afhankelijke variabele
pedoseksualiteit. Deze bevindingen nodigen uit het onderzoek voort te
zetten naar de invloed van interpersoonlijke factoren op intra- en
extrafamiliaal pedoseksueel gedrag en preferentieel en situationeel
pedoseksueel gedrag.
|
|
Classificatie van pedoseksuelen en verkrachters
Classification of child molesters and rapists
|
|
S. Koeck, D. van Beek, D. de Doncker
|
Dit artikel behandelt de classificatie van plegers van seksueel misbruik
jegens kinderen en volwassenen. Voor beide groepen biedt het een
overzicht van invloedrijke classificatiesystemen van de afgelopen veertig
jaar waarbij de aandacht gevestigd wordt op de evolutie van een klinische
naar een empirische methodologie. De empirisch onderbouwde
classificatiesystemen van Knight en Prentky (1990) worden uitgebreider
besproken en aan een kritische evaluatie onderworpen. Tot slot volgt een
vermelding van twee recente ontwikkelingen in relatie tot een klinisch
bruikbare en empirisch gefundeerde classificatie: de eerste doet een beroep
op het concept 'hechting' en de tweede vertrekt vanuit beschrijvende
modellen van de processen die leiden tot seksueel grensoverschrijdend
gedrag.
|
|
De klinisch psychologische diagnostiek van plegers van seksueel misbruik: een diagnostische strategie en instrumentarium
Psychological assessment of sex offenders: a diagnostic strategy and instruments
|
|
D. de Doncker, C. Schotte, S. Koeck
|
Dit artikel heeft een tweeledige bedoeling, ten eerste de introductie van
een model voor een (psycho)therapeutisch georiënteerde diagnostische
strategie, toegepast binnen het kader van een cognitief
gedragstherapeutisch behandelingsprogramma voor volwassen mannelijke
plegers van seksueel misbruik, en ten tweede een inventarisatie van
psychodiagnostische technieken en instrumenten die bij deze aanpak
aangewend kunnen worden. Bij de bespreking van het instrumentarium voor de
diagnostiek van plegers van seksueel misbruik wordt de focus gelegd op
vragenlijsten en interviews die in het Nederlands beschikbaar zijn.
|
|
Biomedische diagnostiek bij plegers van seksueel geweld
Biomedical assessment of sex offenders
|
|
F. Van hunsel, P. Cosyns
|
De nog beperkte mogelijkheden van biomedische diagnostiek op het vlak van
psychopathofysiologische en biopathofysiologische aspecten van belang bij
plegers van seksueel geweld worden toegelicht. De evaluatie van de
deviante seksuele voorkeur, op basis van de meting van de deviante
seksuele opwinding, door middel van penisplethysmografisch onderzoek is,
tot op heden, het enige bruikbare diagnostische onderzoek, indien het
voorafgaand gevalideerd is, op adequate wijze uitgevoerd wordt en er
rekening gehouden wordt met de beperkingen van het onderzoek. Als
biopathofysiologische aspecten van belang bij plegers van seksueel geweld,
wordtl de rol van testosteron, serotonine en dopamine binnen de
biopathofysiologie van plegers van seksueel geweld besproken. Tevens wordt
het belang van structurele en functionele hersenafwijkingen, zoals
vastgesteld door middel van beeldvormingsonderzoek van de hersenen,
toegelicht. Verder onderzoek rond deze biopathofysiologische aspecten van
belang bij plegers van seksueel geweld zal nodig zijn, voordat er concrete
bijdragen op het vlak van de biomedische diagnostiek verwacht mogen worden.
|
|
Risicotaxatie bij zedendelinquenten: een globaal literatuuroverzicht
Risk assessment of sex offenders
|
|
C. van Nieuwenhuizen, M. Philipse
|
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van risicotaxatie bij
zedendelinquenten. Allereerst wordt het begrip 'risicotaxatie' in
algemene zin toegelicht, waarbij aandacht wordt besteed aan de waarde van
klinische en statistische predictiemethoden. Vervolgens wordt stilgestaan
bij welke risicofactoren er bij zedendelinquenten zijn vastgesteld op
basis van empirisch onderzoek. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen
statische en dynamische factoren. Daarna volgt een beschrijving van vijf
veelgebruikte instrumenten voor het inschatten van het recidiverisico bij
zedendelinquenten. Het artikel wordt afgesloten met een aantal
aanbevelingen ter verbetering van risicotaxatie bij zedendelinquenten.
|
|
De rol van cognitieve vervormingen in het plegen van pedoseksuele delicten en hun plaats in de behandeling
The role of cognitive distortions in committing pedosexual assaults and how they are dealt with in treatment
|
|
D. van Beek, J. Mulder
|
Het verschijnsel cognitieve vervormingen is de laatste jaren steeds
belangrijker geworden in de theorie en de behandeling van seksuele
delinquenten. Waar eerder cognitieve vervormingen samengevat werden als
verschillende vormen van bewust ontkennen, blijken ook een aantal andere
psychologische processen aan deze vervormingen ten grondslag te liggen.
Hierop doorwerkend is het theoretisch concept van de impliciete theorieën
ontwikkeld. De huidige stand van zaken omtrent cognitieve vervormingen
wordt vervolgens op het zelfregulatiemodel (Ward, Hudson & Keenan, 1998)
toegepast. In het tweede deel van dit artikel wordt de therapeutische
consequentie van genoemde visie uitgewerkt. Aan de hand van de
beschrijving van de belangrijkste interventies, en daaraan gekoppelde
voorbeelden, wordt de behandeling van cognitieve vervormingen inzichtelijk
gemaakt.
|
|
Biomedische interventies bij plegers van seksueel geweld
Biomedical interventions in the treatment of sex offenders
|
|
F. Van hunsel, P. Cosyns
|
Momenteel wordt binnen de farmacotherapie van plegers van seksueel geweld,
enerzijds de hormonale behandeling en anderzijds psychofarmacotherapie
aangewend. Deze medicamenteuze behandeling dient toegepast te worden na
weloverwogen indicatie en dient steeds deel uit te maken van een ruimere
psychotherapeutische aanpak of begeleiding van de patiënt.
Farmacotherapie kan bovendien slechts toegepast worden na voorafgaand
'informed consent'. Binnen de hormonale behandelingen wordt er momenteel
voornamelijk gebruik gemaakt van anti-androgenen, de meest onderzochte
medicamenteuze behandeling van plegers van seksueel geweld. De eerste
studies met betrekking tot hormonale behandeling met het gebruik van de
nieuwere Luteinizing Hormone Releasing Hormone (LHRH)-agonisten geven
hoopvolle resultaten; op een grotere rol voor deze preparaten mag worden
gehoopt. Hormonale behandeling veroorzaakt een 'reversibele' chemische
castratie. Deze vorm van behandeling levert een globale reductie van
deviante, zowel als conventionele, seksuele drang en opwindbaarheid op.
Een vermindering van recidive wordt gerapporteerd. Een groot voordeel,
bij de doorgaans weinig tot behandeling gemotiveerde populatie van plegers
van seksueel geweld, is de mogelijkheid tot eenvoudige controle van de
therapietrouw door middel van controle van de testosteronconcentratie.
De psychofarmacologische behandeling maakt op basis van de vooralsnog
methodologisch arme studies bij voorkeur gebruik van serotonerge
preparaten. Serotonerge psychofarmaca lijken voornamelijk voorgeschreven
te worden wanneer het gedrag een sterk impulsief of obsessief-compulsief
karakter vertoont, en ook in gevallen van comorbiditeit met obsessief-
compulsieve stoornissen, impulscontrolestoornissen of affectieve
stoornissen. Serotonerge psychofarmaca zouden, in tegenstelling tot de
hormonale behandelingen, mogelijk vooral specifiek inwerken op de deviante
seksualiteit. Aangezien, in tegenstelling tot de hormonale behandeling, de
therapietrouw in de meeste gevallen niet eenvoudig gecontroleerd kan
worden, kan deze vorm van behandeling alleen ingesteld worden in geval van
verwachting van redelijke therapietrouwen beperkt gevaar voor derden. Er
is een uitgesproken behoefte aan verder onderzoek met betrekking tot
farmacotherapie bij plegers van seksueel geweld.
|
|
Effectivtiteit van psychotherapeutische behandeling bij plegers van seksueel geweld
Efficacy of psychotherapeutic treatment of sex offenders
|
|
P. Emmelkamp, J. Emmelkamp, C. de Ruiter,
V. de Vogel
|
Overzicht van effectstudies naar de psychotherapeutische behandeling van seksuele delinquenten.
De besproken behandelingen zijn voornamelijk cognitief-gedragstherapeutisch. Een aantal
ernstige methodologische beperkingen worden besproken, die het vrijwel
onmogelijk maken om duidelijke conclusies te trekken over het effect van
de psychotherapeutische behandeling bij seksuele delinquenten.
|
|
De juridische en strafrechtelijke bemoeienis met plegers van seskueel geweld/misbruik: een overzicht van de Belgische en Nederlandse situatie
|
|
H. Tubex
|
De auteur geeft een overzicht van de evolutie van de wetgeving in Nederland en
in België op het terrein van de seksuele delinquentie. Op internationaal
niveau staat seksuele delinquentie eveneens in het centrum van de
strafrechtelijke en maatschappelijke belangstelling. De bijdrage biedt een
theoretische beschouwing op basis van de literatuur. Meer bepaald zijn het de
recente initiatieven die door de Belgische en Nederlandse wetgever zijn
genomen die hier voor het voetlicht komen. Deze initiatieven wijzen vooral op
een toenemende repressie zoals een uitbreiding van de strafbaarstelling en een
verhoging van de strafmaat. Tegelijk is er een zekere heropleving van de
behandelidee zoals deze bestond in de vijftiger en zestiger jaren, waarbij het
voornaamste doel van de bestraffing de "verbetering" van de dader is, en dit
door een (gedwongen) behandeling. Alvorens de recente initiatieven te bekijken
moet men rekening houden met de evolutie die eraan voorafging. Pakweg dertig
jaar geleden was er een heel ander klimaat ten opzichte van seksuele
handelingen. De auteur beperkt zich dan ook niet tot de jaren tachtig en
negentig, maar begint haar overzicht in de golden sixties. Wat is er sindsdien
gebeurd en waarom en hoe zijn we terechtgekomen bij het huidige
zedelijkheidsbeleid? Tegen deze achtergrond worden de belangrijkste wettelijke
ingrepen op het gebied van seksuele delinquentie toegelicht. Ten slotte worden
beide landen vergeleken en formuleert de auteur enkele bedenkingen.
|
|
Congresverslag: De jeugdige en verstandelijk gehandicapte zedendelinquent
|
|
B. ten Hag
|
Op 17 en 18 september 2001 organiseerde de Nederlandse Vereniging voor
Forensische Seksuologie samen met Forum Educatief van de dr. H. van der
Hoevenkliniek te Utrecht voor de derde keer een internationaal congres over
seksuele delinquentie. Het doel van het congres was aandacht te besteden aan
de snelle ontwikkelingen binnen het veld van de behandeling van
zedendelinquentie. Op het congres werd gekozen voor twee specifieke
doelgroepen: de jeugdige zedendelinquent en de verstandelijk gehandicapte
zedendelinquent. Het onderwerp van de eerste dag was de jeugdige
zedendelinquent en was gefocust op welk behandel programma het meest geschikt
is voor welke doelgroep binnen de (jeugdige) zedendelinquentie. Het ging met
name over classificatie en typologie. Op de tweede dag kon men kennis nemen
van enkele behandelprogramma's voor verstandelijk gehandicapte
zedendelinquenten. De behandeling vindt plaats volgens de theoretische
benadering die in de afgelopen twee decennia bij zedendelinquentie dominant
is: cognitief-gedragstherapeutisch met een sterk accent op terugvalpreventie.
Duidelijk werd gemaakt dat de aanpak voor deze doelgroep gewijzigd moet
worden.
|
|
|