Abonneren Archief E-mail

Tijdschriftnummers
Inhoud: laatste nummer
Inhoud: lopende jaargang
Inhoud: archief


Redactioneel
Aanwijzingen voor auteurs
Redactieleden

Service aan klanten
Abonneren
Bestel oudere nummers
Contacten
Nieuws

Archief
Links
Zoeken op deze site


Home


Stuur een Email

Tijdschrift voor Seksuologie


2002, Jaargang 26, Nummer 1


Inhoudsopgave


Home
<- Vorige Archief Aflevering mei 2002 >














Abstracts

Redactioneel: themanummer 'Seksueel delinquenten: een overzicht rondom theorie, diagnostiek & behandeling'
C. van NieuwenhuizenD. de Doncker D. van BeekL. Gijs

Gastredactionele inleiding bij het themanummer 'Seksueel delinquenten: een overzicht rondom theorie, diagnostiek & behandeling', een coproductie van het Tijdschrift voor Seksuologie en het Vlaamse Tijdschrift voor Klinische Psychologie.

Strafbare seksualiteit en seksueel deviant gedrag: definities en prevalenties
Criminal and deviant sexual behavior: definitions and prevalence
J. Frenken

Welke seksuele gedragingen worden in Nederland strafbaar gesteld? Wat is de omvang van de seksuele criminaliteit? Mensen kunnen ook in behandeling komen als zij al dan niet strafbaar parafiel gedrag vertonen en daaronder lijden. Wat is parafilie en welke parafilieën kunnen worden onderscheiden? Dit inleidend artikel geeft definities en prevalentiecijfers. Het blijkt dat - op een enkele uitzondering na - er weinig betrouwbare gegevens voorhanden zijn over afwijkend seksueel gedrag.

Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht
Theories of the aetiology of sexually agressive behaviour: an introductory review
L. Gijs

Seksueel agressief gedrag is regelmatig gepleegd gedrag. Zo vonden Koss en collega's dat 53,7% van hun grote steekproef studentes (N = 3187) meldde dat ze slachtoffer geweest waren van seksuele agressie. Hoe komt deze agressie tot stand? In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de invloedrijkste algemene theorieën van de laatste 25 jaren over de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag. Aan bod komen de biopsychosociale theorie van Marshall, Malamuths 'confluence model' en de feministische theorieën van Abbey, Russell en Schwartz en Dekeseredy. Al deze theorieën vatten seksuele agressie op als een probleem van gedragsregulatie. Bovendien is er consensus dat seksueel agressief gedrag complex gedrag is dat biopsychosociaal en multifactorieel bepaald is. Na de beschrijving van de verschillende theorieën worden een aantal evaluatieve kanttekeningen gemaakt. Ze betreffen (meta-)theoretische ontwikkelingen, methodische tekortkomingen en het gebrek aan klinische relevantie van de besproken theorieën. De conclusie is dat het aloude ideaal dat een goede theorie een empirisch gevalideerde theorie is, die inzicht biedt in de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag en leidt tot erop gebaseerde effectieve diagnostische procedures en interventies, verre van gerealiseerd is.

Interpersoonlijke factoren bij de verklaring van pedoseksueel gedrag op grond van structurele equatie modellen
Interpersonal factors in the aetiology of paedophilic behaviour
S. BogaertsJ. GoethalsG. Vervaeke

In deze bijdrage wordt de invloed van interpersoonlijke factoren op pedoseksualiteit onderzocht. De variabelen ouderlijke sensitiviteit, veilige romantische volwassen hechting, vertrouwen en persoonlijkheidsstoornissen werden in een hypothetisch model ingebracht en getoetst bij een groep pedoseksuelen. Op grond van fitindices vonden de auteurs dat het hypothetisch padanalytisch model overeenstemde met de geobserveerde waarden. De variabelen ouderlijke sensitiviteit, interpersoonlijke factoren en persoonlljkheidsstoornissen verklaarden ongeveer 20% van de variantie in de afhankelijke variabele pedoseksualiteit. Deze bevindingen nodigen uit het onderzoek voort te zetten naar de invloed van interpersoonlijke factoren op intra- en extrafamiliaal pedoseksueel gedrag en preferentieel en situationeel pedoseksueel gedrag.

Classificatie van pedoseksuelen en verkrachters
Classification of child molesters and rapists
S. KoeckD. van BeekD. de Doncker

Dit artikel behandelt de classificatie van plegers van seksueel misbruik jegens kinderen en volwassenen. Voor beide groepen biedt het een overzicht van invloedrijke classificatiesystemen van de afgelopen veertig jaar waarbij de aandacht gevestigd wordt op de evolutie van een klinische naar een empirische methodologie. De empirisch onderbouwde classificatiesystemen van Knight en Prentky (1990) worden uitgebreider besproken en aan een kritische evaluatie onderworpen. Tot slot volgt een vermelding van twee recente ontwikkelingen in relatie tot een klinisch bruikbare en empirisch gefundeerde classificatie: de eerste doet een beroep op het concept 'hechting' en de tweede vertrekt vanuit beschrijvende modellen van de processen die leiden tot seksueel grensoverschrijdend gedrag.

De klinisch psychologische diagnostiek van plegers van seksueel misbruik: een diagnostische strategie en instrumentarium
Psychological assessment of sex offenders: a diagnostic strategy and instruments
D. de DonckerC. SchotteS. Koeck

Dit artikel heeft een tweeledige bedoeling, ten eerste de introductie van een model voor een (psycho)therapeutisch georiënteerde diagnostische strategie, toegepast binnen het kader van een cognitief gedragstherapeutisch behandelingsprogramma voor volwassen mannelijke plegers van seksueel misbruik, en ten tweede een inventarisatie van psychodiagnostische technieken en instrumenten die bij deze aanpak aangewend kunnen worden. Bij de bespreking van het instrumentarium voor de diagnostiek van plegers van seksueel misbruik wordt de focus gelegd op vragenlijsten en interviews die in het Nederlands beschikbaar zijn.

Biomedische diagnostiek bij plegers van seksueel geweld
Biomedical assessment of sex offenders
F. Van hunselP. Cosyns

De nog beperkte mogelijkheden van biomedische diagnostiek op het vlak van psychopathofysiologische en biopathofysiologische aspecten van belang bij plegers van seksueel geweld worden toegelicht. De evaluatie van de deviante seksuele voorkeur, op basis van de meting van de deviante seksuele opwinding, door middel van penisplethysmografisch onderzoek is, tot op heden, het enige bruikbare diagnostische onderzoek, indien het voorafgaand gevalideerd is, op adequate wijze uitgevoerd wordt en er rekening gehouden wordt met de beperkingen van het onderzoek. Als biopathofysiologische aspecten van belang bij plegers van seksueel geweld, wordtl de rol van testosteron, serotonine en dopamine binnen de biopathofysiologie van plegers van seksueel geweld besproken. Tevens wordt het belang van structurele en functionele hersenafwijkingen, zoals vastgesteld door middel van beeldvormingsonderzoek van de hersenen, toegelicht. Verder onderzoek rond deze biopathofysiologische aspecten van belang bij plegers van seksueel geweld zal nodig zijn, voordat er concrete bijdragen op het vlak van de biomedische diagnostiek verwacht mogen worden.

Risicotaxatie bij zedendelinquenten: een globaal literatuuroverzicht
Risk assessment of sex offenders
C. van NieuwenhuizenM. Philipse

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van risicotaxatie bij zedendelinquenten. Allereerst wordt het begrip 'risicotaxatie' in algemene zin toegelicht, waarbij aandacht wordt besteed aan de waarde van klinische en statistische predictiemethoden. Vervolgens wordt stilgestaan bij welke risicofactoren er bij zedendelinquenten zijn vastgesteld op basis van empirisch onderzoek. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen statische en dynamische factoren. Daarna volgt een beschrijving van vijf veelgebruikte instrumenten voor het inschatten van het recidiverisico bij zedendelinquenten. Het artikel wordt afgesloten met een aantal aanbevelingen ter verbetering van risicotaxatie bij zedendelinquenten.

De rol van cognitieve vervormingen in het plegen van pedoseksuele delicten en hun plaats in de behandeling
The role of cognitive distortions in committing pedosexual assaults and how they are dealt with in treatment
D. van BeekJ. Mulder

Het verschijnsel cognitieve vervormingen is de laatste jaren steeds belangrijker geworden in de theorie en de behandeling van seksuele delinquenten. Waar eerder cognitieve vervormingen samengevat werden als verschillende vormen van bewust ontkennen, blijken ook een aantal andere psychologische processen aan deze vervormingen ten grondslag te liggen. Hierop doorwerkend is het theoretisch concept van de impliciete theorieën ontwikkeld. De huidige stand van zaken omtrent cognitieve vervormingen wordt vervolgens op het zelfregulatiemodel (Ward, Hudson & Keenan, 1998) toegepast. In het tweede deel van dit artikel wordt de therapeutische consequentie van genoemde visie uitgewerkt. Aan de hand van de beschrijving van de belangrijkste interventies, en daaraan gekoppelde voorbeelden, wordt de behandeling van cognitieve vervormingen inzichtelijk gemaakt.

Biomedische interventies bij plegers van seksueel geweld
Biomedical interventions in the treatment of sex offenders
F. Van hunselP. Cosyns

Momenteel wordt binnen de farmacotherapie van plegers van seksueel geweld, enerzijds de hormonale behandeling en anderzijds psychofarmacotherapie aangewend. Deze medicamenteuze behandeling dient toegepast te worden na weloverwogen indicatie en dient steeds deel uit te maken van een ruimere psychotherapeutische aanpak of begeleiding van de patiënt. Farmacotherapie kan bovendien slechts toegepast worden na voorafgaand 'informed consent'. Binnen de hormonale behandelingen wordt er momenteel voornamelijk gebruik gemaakt van anti-androgenen, de meest onderzochte medicamenteuze behandeling van plegers van seksueel geweld. De eerste studies met betrekking tot hormonale behandeling met het gebruik van de nieuwere Luteinizing Hormone Releasing Hormone (LHRH)-agonisten geven hoopvolle resultaten; op een grotere rol voor deze preparaten mag worden gehoopt. Hormonale behandeling veroorzaakt een 'reversibele' chemische castratie. Deze vorm van behandeling levert een globale reductie van deviante, zowel als conventionele, seksuele drang en opwindbaarheid op. Een vermindering van recidive wordt gerapporteerd. Een groot voordeel, bij de doorgaans weinig tot behandeling gemotiveerde populatie van plegers van seksueel geweld, is de mogelijkheid tot eenvoudige controle van de therapietrouw door middel van controle van de testosteronconcentratie. De psychofarmacologische behandeling maakt op basis van de vooralsnog methodologisch arme studies bij voorkeur gebruik van serotonerge preparaten. Serotonerge psychofarmaca lijken voornamelijk voorgeschreven te worden wanneer het gedrag een sterk impulsief of obsessief-compulsief karakter vertoont, en ook in gevallen van comorbiditeit met obsessief- compulsieve stoornissen, impulscontrolestoornissen of affectieve stoornissen. Serotonerge psychofarmaca zouden, in tegenstelling tot de hormonale behandelingen, mogelijk vooral specifiek inwerken op de deviante seksualiteit. Aangezien, in tegenstelling tot de hormonale behandeling, de therapietrouw in de meeste gevallen niet eenvoudig gecontroleerd kan worden, kan deze vorm van behandeling alleen ingesteld worden in geval van verwachting van redelijke therapietrouwen beperkt gevaar voor derden. Er is een uitgesproken behoefte aan verder onderzoek met betrekking tot farmacotherapie bij plegers van seksueel geweld.

Effectivtiteit van psychotherapeutische behandeling bij plegers van seksueel geweld
Efficacy of psychotherapeutic treatment of sex offenders
P. EmmelkampJ. EmmelkampC. de Ruiter V. de Vogel

Overzicht van effectstudies naar de psychotherapeutische behandeling van seksuele delinquenten. De besproken behandelingen zijn voornamelijk cognitief-gedragstherapeutisch. Een aantal ernstige methodologische beperkingen worden besproken, die het vrijwel onmogelijk maken om duidelijke conclusies te trekken over het effect van de psychotherapeutische behandeling bij seksuele delinquenten.

De juridische en strafrechtelijke bemoeienis met plegers van seskueel geweld/misbruik: een overzicht van de Belgische en Nederlandse situatie
H. Tubex

De auteur geeft een overzicht van de evolutie van de wetgeving in Nederland en in België op het terrein van de seksuele delinquentie. Op internationaal niveau staat seksuele delinquentie eveneens in het centrum van de strafrechtelijke en maatschappelijke belangstelling. De bijdrage biedt een theoretische beschouwing op basis van de literatuur. Meer bepaald zijn het de recente initiatieven die door de Belgische en Nederlandse wetgever zijn genomen die hier voor het voetlicht komen. Deze initiatieven wijzen vooral op een toenemende repressie zoals een uitbreiding van de strafbaarstelling en een verhoging van de strafmaat. Tegelijk is er een zekere heropleving van de behandelidee zoals deze bestond in de vijftiger en zestiger jaren, waarbij het voornaamste doel van de bestraffing de "verbetering" van de dader is, en dit door een (gedwongen) behandeling. Alvorens de recente initiatieven te bekijken moet men rekening houden met de evolutie die eraan voorafging. Pakweg dertig jaar geleden was er een heel ander klimaat ten opzichte van seksuele handelingen. De auteur beperkt zich dan ook niet tot de jaren tachtig en negentig, maar begint haar overzicht in de golden sixties. Wat is er sindsdien gebeurd en waarom en hoe zijn we terechtgekomen bij het huidige zedelijkheidsbeleid? Tegen deze achtergrond worden de belangrijkste wettelijke ingrepen op het gebied van seksuele delinquentie toegelicht. Ten slotte worden beide landen vergeleken en formuleert de auteur enkele bedenkingen.

Congresverslag: De jeugdige en verstandelijk gehandicapte zedendelinquent
B. ten Hag

Op 17 en 18 september 2001 organiseerde de Nederlandse Vereniging voor Forensische Seksuologie samen met Forum Educatief van de dr. H. van der Hoevenkliniek te Utrecht voor de derde keer een internationaal congres over seksuele delinquentie. Het doel van het congres was aandacht te besteden aan de snelle ontwikkelingen binnen het veld van de behandeling van zedendelinquentie. Op het congres werd gekozen voor twee specifieke doelgroepen: de jeugdige zedendelinquent en de verstandelijk gehandicapte zedendelinquent. Het onderwerp van de eerste dag was de jeugdige zedendelinquent en was gefocust op welk behandel programma het meest geschikt is voor welke doelgroep binnen de (jeugdige) zedendelinquentie. Het ging met name over classificatie en typologie. Op de tweede dag kon men kennis nemen van enkele behandelprogramma's voor verstandelijk gehandicapte zedendelinquenten. De behandeling vindt plaats volgens de theoretische benadering die in de afgelopen twee decennia bij zedendelinquentie dominant is: cognitief-gedragstherapeutisch met een sterk accent op terugvalpreventie. Duidelijk werd gemaakt dat de aanpak voor deze doelgroep gewijzigd moet worden.