|
Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 1-3 | ||||
|
redactioneel Themanummer `Seksueel delinquenten: een overzicht rondom theorie, diagnostiek & behandeling'1
Chijs van Nieuwenhuizen, Dirk De Doncker, Daan van Beek, Luk Gijs2 | ||||
|
Voor u ligt een bijzonder themanummer. Bijzonder omdat het een coproductie betreft van het Tijdschrift voor Seksuologie en het Vlaamse Tijdschrift voor Klinische Psychologie. De reden dat de kernredacties van deze twee tijdschriften de krachten hebben gebundeld, heeft alles te maken met een tweede reden waarom dit een buitengewoon themanummer is: het is namelijk geheel gewijd aan theorie, diagnostiek en behandeling van seksueel delinquenten. De laatste jaren besteedt de maatschappij zeer veel aandacht aan (de behandeling van) daders van seksueel geweld. Voor Vlaanderen is deze belangstelling versterkt sinds de affaire Dutroux in 1996 en in Nederland door onder meer de `Uithof verkrachter' en de groepsverkrachting van een gehandicapt meisje. Eén van de consequenties van dergelijke opzienbarende zedenzaken is een toegenomen kritische, maatschappelijke en politieke aandacht voor de hulpverlening aan daders van seksueel geweld. Al dan niet terecht verwacht men dat de maatschappij verlost wordt van deze daders, ofwel door ze levenslang op te sluiten, ofwel door hen een behandeling aan te bieden met de absolute garantie dat geen van deze zedendelinquenten opnieuw in de fout zal gaan. Het streven dient dus een recidivepercentage van nul te zijn. De vraag is echter of het haalbaar is om aan deze vraag vanuit de maatschappij en de politiek te voldoen. Anders geformuleerd: wat is de huidige wetenschappelijke stand van zaken rondom de theorie, diagnostiek en behandeling van plegers van seksueel geweld? De doelstelling van dit themanummer is om een helder overzicht te bieden van deze stand van zaken rondom zedendelinquenten - zonder daarbij overigens de pretentie te hebben een volledige `state-of-the-art` te geven. De gastredactie heeft daarbij gekozen om primair aandacht te besteden aan de mannelijke plegers van seksueel geweld. Dit betekent dat slechts incidenteel aandacht zal worden besteed aan |
minderjarige (vrouwelijke of mannelijke) daders van seksueel geweld en/of volwassen vrouwelijke seksueel delictplegers. Daarnaast heeft de gastredactie de bijdragen geordend rondom een aantal kernthema's namelijk: `theorieën over daders van seksueel geweld', `diagnostiek van daders van seksueel geweld', `interventies bij daders van seksueel geweld', en `de juridische en strafrechtelijke stand van zaken rondom daders van seksueel geweld'. Het themanummer opent met een bijdrage van Jos Frenken over definities en prevalenties van strafbare seksualiteit en seksueel deviant gedrag. Uit zijn artikel blijkt dat slechts op indirecte en veelal subjectieve wijze het aantal seksuele misdrijven kan worden bepaald. Veel plegers zwijgen over hun daden en slachtoffers doen eerder aangifte wanneer het seksueel delict door een onbekende wordt gepleegd. Daarnaast wordt duidelijk dat slechts een klein deel van de verdachten van een seksueel delict (negen procent) verantwoordelijk is voor een relatief groot aantal eerdere seksuele delicten. Dit roept direct de vraag op: wie zijn deze daders? In de drie daaropvolgende bijdragen wordt derhalve uitgebreid aandacht besteed aan theorieën over zedendelinquenten. Uit het literatuuroverzicht van Luk Gijs komt sterk naar voren dat seksueel agressief gedrag complex en multifactorieel bepaald is en dat de betekenis van de gangbare etiologische theorieën voor de klinische praktijk tot op heden gering is. Stefan Bogaerts en collega's zoeken met behulp van structurele equatiemodellen naar een verklaring van pedoseksueel gedrag in termen van interpersoonlijke factoren. In de bijdrage van Siegfried Koeck, Daan van Beek & Dirk De Doncker tenslotte wordt stilgestaan bij de classificatie van plegers van seksueel misbruik jegens kinderen en volwassenen en worden onder meer de empirisch onderbouwde classificatiesystemen van Knight & Prentky kritisch geëvalueerd. | |||
|
1 Geaccepteerd voor publicatie: 21 januari 2002. 2 Mw. dr. Ch. van Nieuwenhuizen, psycholoog, TBS-kliniek De Kijvelanden, Postbus 900, 3160 AC Rhoon, Nederland, e-mail: chinie@kijvelanden.nl; Drs. D. De Doncker, psycholoog, Universitair Ziekenhuis Antwerpen, Dienst psychiatrie, Wilrijkstraat 10, B-2650 Edegem, België; Dr. D.J. van Beek, psycholoog, Dr. Henri van der Hoeven Kliniek, Willem Dreeslaan 2, 3515 GB Utrecht, Nederland, e-mail: daanvanbeek@wxs.nl; Dr. L. Gijs, psycholoog, Capaciteitsgroep Klinische Psychologie, Faculteit Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht, Postbus 80140, 3508 TC Utrecht, Nederland, e-mail: L.Gijs@fss.uu.nl | ||||
|
2 | ||||||
|
van Nieuwenhuizen, De Doncker, van Beek, Gijs | ||||||
|
De auteurs concluderen dat er vooralsnog een grote spanning bestaat tussen enerzijds empirisch wetenschappelijke, maar klinisch nog weinig bruikbare, systemen en anderzijds klinisch relevant lijkende systemen die echter geen wetenschappelijke toetsing hebben ondergaan of deze niet hebben doorstaan. Een volgend kernthema betreft `diagnostiek van daders van seksueel geweld'. In hun artikel over de klinisch psychologische diagnostiek van plegers van seksueel misbruik introduceren Dirk De Doncker, Chris Schotte en Siegfried Koeck onder andere een model voor een (psycho)therapeutisch georiënteerde diagnostische strategie. De auteurs maken daarbij onderscheid tussen de gedragstherapeutische diagnostiekfase, de risicotaxatiefase en de fase waarin het therapeutisch proces en de effectiviteit van de therapeutische interventies worden geëvalueerd. De auteurs concluderen dat, ondanks de uitgebreidheid van het ter beschikking staande instrumentarium, verder valideringsonderzoek dringend noodzakelijk is. Naast de klinisch psychologische diagnostiek komt bij het kernthema `diagnostiek' vanzelfsprekend ook de biomedische diagnostiek bij plegers van seksueel geweld aan de orde. Fran Van hunsel en Paul Cosyns lichten binnen deze context het belang van psychopathofysiologische en biopathofysiologische diagnostiek toe. Hierbij staan zij uitgebreid stil bij de waarde van penisplethysmografisch onderzoek als maat voor het vaststellen van deviante seksuele voorkeur en onderzoeken zij de rol van testosteron, serotonine en dopamine bij plegers van seksueel geweld. Op basis van de literatuur komen zij tot de conclusie dat er enige evidentie is voor de bruikbaarheid van penisplethysmografisch onderzoek doch dat de biomedische diagnostiek als geheel nog in de kinderschoenen staat. In de laatste bijdrage onder het kopje `diagnostiek' wordt door Chijs van Nieuwenhuizen en Martien Philipse een literatuuroverzicht gegeven rondom risicotaxatie bij zedendelinquenten. Uit dit artikel blijkt dat het maken van een inschatting of iemand wel of niet zal recidiveren, niet eenvoudig is. Daarnaast concluderen de auteurs dat de tot op heden veel gebruikte risicotaxatie-instrumenten nog erg in een eerste ontwikkelingsstadium zitten wat betreft hun psychometrische kwaliteit. Concluderend kan gesteld worden dat ook het domein van de diagnostiek van plegers van seksueel misbruik uitgebreid aan bod komt in de literatuur maar dat de meerderheid van de gangbare instrumenten hun wetenschappelijke en klinische relevantie nog dienen waar te maken. Het derde kernthema `interventies ten aanzien van daders van seksueel geweld' omvat drie bijdragen welke op deze plaats kort aangestipt zullen worden. |
Daan van Beek en Jules Mulder staan stil bij de rol van cognitieve vervormingen in het plegen van pedoseksuele delicten en hun plaats in de behandeling. Fran Van hunsel en Paul Cosyns nemen de biomedische interventies bij plegers van seksueel geweld onder de loep. Paul Emmelkamp en collega's, tenslotte, staan kritisch stil bij de effectiviteit van de psychotherapeutische behandeling van plegers van seksueel geweld. Net als bij de onderdelen theorie en diagnostiek, is de rode draad bij deze bijdragen de beperkte evidentie voor de behandeling van daders van seksueel geweld in termen van het terugdringen van recidivekans. Enigszins effectief lijken de cognitief gedragtherapeutische behandeling van cognitieve vervormingen en interventies door middel van hormoonbehandelingen. Het themanummer wordt afgesloten met een artikel van Hilde Tubex waarin de auteur de juridische en strafrechtelijke stand van zaken rondom daders van seksueel geweld in Vlaanderen en Nederland inzichtelijk uiteenzet. Met name bij de vergelijking van de behandelmogelijkheden in België binnen de penitentiaire context en dan met name het TBS-systeem komt de auteur tot de conclusie dat seksueel delinquenten in Nederland beter af zijn dan in België gezien het bredere scala aan behandelinterventies. Uit de bijdragen aan dit themanummer kan een aantal negatieve en positieve conclusies worden gedistilleerd. We willen met de negatieve conclusies beginnen. Er is een grote theoretische heterogeniteit en een enorme afstand tussen theoretische en classificatorische schema's enerzijds en de klinische praktijk anderzijds. Opvallend is bovendien dat slechts beperkte empirische validering bestaat voor veel van de diagnostische procedures en psychotherapeutische behandelingen die in de praktijk dagelijks worden toegepast. Daarnaast valt op dat relatief weinig aandacht wordt besteed aan seksueel geweld door kinderen, adolescenten en vrouwen, één van de redenen waarom de gastredactie zich beperkt heeft tot volwassen, mannelijke zedendelinquenten. Een laatste observatie is de geringe samenwerking tussen onderzoekers, diagnostici en behandelaars zowel binnen de Lage Landen als tussen de Lage Landen. De toegenomen aandacht voor empirische effectiviteit en validering van de behandeling van seksueel delinquenten kan als belangrijkste positieve conclusie worden gezien. De 20ste bijeenkomst van de ATSA (Association for the Treatment of Sexual Abusers) in 2001 is hierbij zeer illustratief aangezien het congres vrijwel geheel in het teken stond van de zoektocht naar effectiviteit van diagnostiek en behandeling van plegers van seksueel geweld.
| |||||
|
3 | ||||||
|
Inleiding themanummer `Plegers van seksueel geweld' | ||||||
|
Wat kan op basis van dit themanummer nu gezegd worden over de relatie tussen de wetenschappelijke stand van zaken en de eerder aangehaalde maatschappelijke verwachtingen van een recidivepercentage van nul? Allereerst blijkt uit de bijdragen de complexiteit van het behandelen en diagnosticeren van daders van seksueel geweld. De voornaamste obstakels betreffen de noodzaak aan verdere validatie van diagnostische instrumenten en het uitbreiden van de behandelingsprogramma's naar specifieke deelgroepen zoals jeugdige plegers, zwakbegaafden, vrouwen en allochtonen. Desalniettemin is het hoopvol om vast te stellen dat binnen dit domein heel wat gespecialiseerd en veelbelovend werk wordt geleverd. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan (1) de trend die bestaat om bij classificatiesystemen de klinische realiteit en de empirie in overeenstemming te brengen, (2) het grote arsenaal aan diagnostische instrumenten, (3) de biomedische ontwikkelingen en medicamenteuze perspectieven die ze bieden en (4) het grondige onderzoek op het veel besproken gebied van de risicotaxatie. Indien wetenschappelijke initiatieven binnen |
het forensische veld in Nederland en Vlaanderen op deze gebieden worden gebundeld dan is ons inziens een belangrijke stap genomen om de noodzakelijk geachte wetenschappelijke onderbouwing gestalte te geven. De gastredactie is dan ook veel dank verschuldigd aan de auteurs die aan dit themanummer hebben bijgedragen en wij zijn enthousiast dat het gelukt is om veel van de bestaande kennis en expertise in Nederland en Vlaanderen op het gebied van seksueel delinquenten te bundelen.
De gastredactie van het themanummer `Plegers van seksueel geweld: Diagnostiek en behandeling':
Chijs van Nieuwenhuizen Dirk De Doncker Daan van Beek Luk Gijs | |||||
|
| ||||||