Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 9-25

Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht1

Luk Gijs2

Seksueel agressief gedrag is regelmatig gepleegd gedrag. Zo vonden Koss en collega's dat 53,7% van hun grote steekproef studentes (N = 3187) meldde dat ze slachtoffer geweest waren van seksuele agressie. Hoe komt deze agressie tot stand? In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de invloedrijkste algemene theorieën van de laatste 25 jaren over de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag. Aan bod komen de biopsychosociale theorie van Marshall, Malamuths `confluence model' en de feministische theorieën van Abbey, Russell en Schwartz en Dekeseredy. Al deze theorieën vatten seksuele agressie op als een probleem van gedragsregulatie. Bovendien is er consensus dat seksueel agressief gedrag complex gedrag is dat biopsychosociaal en multifactorieel bepaald is.

Na de beschrijving van de verschillende theorieën worden een aantal evaluatieve kanttekeningen gemaakt. Ze betreffen (meta-)theoretische ontwikkelingen, methodische tekortkomingen en het gebrek aan klinische relevantie van de besproken theorieën. De conclusie is dat het aloude ideaal dat een goede theorie een empirisch gevalideerde theorie is, die inzicht biedt in de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag en leidt tot erop gebaseerde effectieve diagnostische procedures en interventies verre van gerealiseerd is.

Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

Seksueel agressief gedrag is in de Westerse samenleving regelmatig gepleegd gedrag, zoals de volgende cijfers illustreren (zie ook de bijdrage van Frenken). Koss en collega's (1987) rapporteerden op basis van een vragenlijst onderzoek bij 3187 Amerikaanse studentes dat 15,4% sinds hun 14de levensjaar minstens éénmaal slachtoffer van een verkrachting was geweest. En dat 12,1% sinds hun 14de minstens éénmaal slachtoffer van een mislukte poging tot verkrachting was geweest. Ongeacht de specifieke vorm meldde 53,7% van Koss' steekproef slachtoffer te zijn geweest van seksueel agressief gedrag (Koss, e.a., 1987; voor een replicatie van Koss' onderzoek in Duitsland: Krahé, 1998). Draijer (1990) stelde op basis van een steekproef van 1054 vrouwen vast dat in Nederland 15,6 % minstens één seksueel contact met een verwante persoon voor de leeftijd van 16 had ondergaan.

Totnogtoe komt seksueel agressief gedrag voor in alle samenlevingen, zij het dat de prevalentie en incidentie ervan duidelijk verschillen tussen samenlevingen (Rozee, 1993; Russell, 1984; Marshall, e.a., 1999).

In de Westerse samenleving baart seksueel agres

sief gedrag tegenwoordig veel opzien bij het grote publiek en bij de pers. Opzien dat, zo is de hypothese, toeneemt naarmate de zaak ernstiger is. Een fraai voorbeeld is de `Dutroux-affaire' (1996) in België. In die publieke aandacht worden een aantal vragen vaak gesteld. "Zijn er effectieve behandelingen voor dit `type' mensen?" (zie de bijdrage van Emmelkamp en collega's). "Zijn herhaling en gevaarlijkheid te voorspellen?" (zie de bijdrage van Van Nieuwenhuizen en Philipse). "Hoe is het mogelijk dat je zoiets doet? Wat voor iemand ben je dan?" Of: Hoe wordt iemand een pleger?" Op deze laatste vraag _door welke factoren en processen komt iemand er toe seksueel agressief gedrag te plegen?- worden verschillende antwoorden gegeven. Zo geeft bijvoorbeeld de strafwet als principieel antwoord: omdat men wetens en willens de sociale strafrechterlijke norm heeft overschreden (Gooren, 1994 a+b; vgl. Tubex, 2000; in dit nummer). Een invloedrijk antwoord op de vraag naar de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag wordt ook gegeven door sociaal-wetenschappelijke, gedragswetenschappelijke en biologische theorieën (voor overzichten: Gijs, 1994; Marshall, Laws & Barbaree, 1990a; Seto & Barbaree, 1997). Van die wetenschappelijke theorieën beoogt dit artikel een inleidend overzicht te geven. De term `theorie' wordt gedefinieerd als een "systeem van denkbeelden of hypothesen

1 Geaccepteerd voor publicatie: 21 januari 2002.

2 Dr. L. Gijs, psycholoog, is verbonden als universitair docent aan de Capaciteitsgroep Klinische Psychologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Postbus 80.140, 3508 TC, Utrecht, e-mail: L.Gijs@fss.uu.nl


10

Gijs

waarmee waargenomen feiten of verschijnselen kunnen worden verklaard of voorspellingen kunnen worden gedaan" (Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, 1995). Voorbijgaand aan het wetenschapsfilosofische verschil tussen `theorie' en `model' (bijv. Koningsveld, 1976) worden deze twee termen als synoniem gebruikt. Onder `etiologie' wordt verstaan "de leer der oorzaken" (Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, 1995).

Geopend wordt met een beschrijvend overzicht van de belangrijkste etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag. Daarna volgen enkele kritische kanttekeningen over de aard en kwaliteit van de besproken theorieën.

Ter verdere situering van dit inleidende overzicht zijn de volgende kanttekeningen van belang.

Allereerst dient opgemerkt te worden dat conceptuele en operationele definities van seksueel agressief gedrag sterk kunnen verschillen en historisch verschild hebben (Donat & D'Emilio, 1992; Graupner, 1999; Muehlenhard, e.a., 1992, 1996; Okami, 1990; Zeegers, 1999). Aan dit belangrijke thema wordt in dit artikel geen aandacht besteed; seksueel agressief gedrag wordt gedefinieerd als niet consensueel seksueel gedrag (Gijs, 1994, 1998).

Nauw verwant met het definitievraagstuk is een terminologische kwestie. Hoewel er ook goede argumenten zijn om ze te onderscheiden, worden de termen `seksueel geweld', `seksuele agressie', `seksuele intimidatie', `seksueel misbruik' vaak min of meer als synoniemen gebruikt. In dit artikel wordt enkel de term seksueel agressief gedrag gebruikt als verzamelnaam voor de zonet genoemde begrippen. Vanzelfsprekend is de veronderstelling dat het gewettigd is om één verzamelnaam te gebruiken omdat de zonet genoemde vier begrippen verwijzen naar één fenomenologische realiteit die gekenmerkt wordt door niet consensueel seksueel contact als essentieel ingrediënt.

Eén van de problemen waarmee de empirische validering van theorieën over seksueel agressief gedrag geconfronteerd wordt, is de moeilijke toegankelijkheid van de populatie plegers van seksueel agressief gedrag, waardoor de representativiteit van steekproeven op dit gebied steeds een probleem vormt (Ellis, 1989; Malamuth, e.a., 2000; Seto & Barbaree, 1997). Etiologische theorieën hanteren dit probleem op twee manieren. Ofwel beperken ze hun reikwijdte tot de specifieke populatie in kwestie. Zo zijn er bijvoorbeeld pogingen ondernomen om een theoretisch beeld te vormen van seksuele (sadistische) lustmoordenaars of `sex killers', zonder te impliceren dat wat voor hen geldt ook zou gelden voor plegers van andere vormen van seksueel agressief

gedrag (Burgess, e.a., 1994; Grubin, 1994; Keppel & Walter, 1999; Langevin, 1991; Prentky, e.a., 1989; Ressler, Burgess & Douglas, 1988). Ofwel nemen etiologische theorieën a-priori aan dat plegers van seksueel agressief gedrag in voldoende mate gekarakteriseerd worden door gemeenschappelijke kenmerken om aan algemene theorievorming te kunnen doen (bijv. Marshall & Barbaree, 1990a).

Een soortgelijke strategie wordt ook gevolgd ten overstaan van de grote heterogeniteit van plegers (Frenken, 1997; 2000; Hudson & Ward, 1997). Ofwel worden specifieke minitheorietjes en typologieën gemaakt (bijv. Kelly & Lusk, 1992; voor een overzicht van typologieën: Koeck en collega's in dit nummer). Ofwel worden algemene theorieën geformuleerd op basis van de veronderstelling dat er voldoende gemeenschappelijke factoren zijn bij alle plegers (Marshall & Barbaree, 1990a).

Dit artikel beperkt zich tot een overzicht van die algemene theorieën over plegers van seksueel agressief gedrag, die invloedrijk zijn geweest sinds 1975. 1975 wordt gebruikt als demarcatiejaar omdat in dat jaar Brownmiller's klassieke boek `Against our will. Men, women and rape… a conscious process of intimidation by which all men keep all women in a state of fear' verscheen. Het boek droeg de tot dan toe dominante psychoanalytische visie dat seksueel agressief gedrag het symptomatische gevolg is van een vroegkinderlijke ontwikkelingsstoornis ten grave. En verving het psychoanalytische model door de visie dat de dreiging met en het plegen van seksueel agressief gedrag een interpersoonlijke strategie van mannen is om vrouwen zich te laten schikken in hun maatschappelijke ondergeschikte positie. Meer in het algemeen leidden feministische visies ertoe dat het model dat seksueel agressief gedrag het gevolg is van individuele psychopathologie weinig populair was de afgelopen 25 jaren (Damen, 1989; Koss & Leonard, 1994; Marshall, 1999; Marshall, Fernandez & Cortoni, 1999; Van Herk, 1985).

Hoewel deze radicale feministische visie de laatste jaren minder populair geworden is en steeds meer bekritiseerd is als éénzijdig (Ellis, 1998; Malamuth, 1996a+b; Roiphe, 1993; Thornhill & Palmer, 2000; Thornhill & Thornhill, 1992), is onmiskenbaar dat de theorievorming over seksueel agressief gedrag in het laatste kwart van de vorige eeuw sterk beïnvloed is geworden door de feministische visie dat seksuele agressie gedrag is dat (sterk) beïnvloed wordt door de sociale en culturele context (Marshall, Laws & Barbaree, 1990b+c). Seksueel agressief gedrag wordt zodoende geconceptualiseerd als een kwestie van interpersoonlijke gedragsregulatie. Een visie die ook sterk onderschreven wordt door cognitief gedrags


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

11

therapeutische benaderingen (Marshall, Laws, & Barbaree, 1990c). Een van de gevolgen van de theoretische overeenkomsten tussen feministische en cognitief-gedragstherapeutische visies is dat de psychoanalytische theorievorming geen rol van betekenis heeft gespeeld in de afgelopen 25 jaren; noch is zij onderwerp geweest van empirische toetsing. Psychoanalytische theorieën worden derhalve niet besproken in dit artikel (voor een oriëntatie op dit perspectief wordt verwezen naar: Leeuwestein, 1989; Lehneke, 2000; Rosen, 1996; Tardif & Van Gijseghem, 2001). Wel besproken worden de biopsychosociale theorie van Marshall & Barbaree (1990a), Malamuths `confluence model' (bijv. Malamuth, 1996a), inclusief de evolotionair psychologische uitbreiding, en de feministische theorieën van Abbey en collega's (1996), van Russell (1988, 1998) en van Schwartz & Dekeseredy, 1997).

De laatste situerende kanttekening is dat een aantal eclectische modellen ontwikkeld werden die specificeren welke hoofdfactoren kenmerkend zouden zijn voor plegers van seksueel agressief gedrag, maar weinig of niet ingaan op het specifieke etiologische ontwikkelingstraject dat ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van deze hoofdfactoren. De belangrijkste factor-modellen zijn dat van Finkelhor en Araij (1986) en dat van Hall (1996). Typologische benaderingen hebben verwantschap met deze factor-modellen (voor overzichten: Frenken, 1997; 2000; Van Beek, 1999). Op deze typologische benaderingen wordt niet ingegaan aangezien ze centraal staan in de bijdrage van Koeck en collega's. Finkelhor & Araij (1986) conceptualiseren pedoseksueel gedrag als het resultaat van vier factoren. 1. Emotionele overeenstemming, waardoor een pleger in staat is om een emotionele band _ook seksueel- te hebben met een kind. 2. Seksuele opwinding op kinderen. 3. Blokkades waardoor een pedoseksueel persoon niet in staat is tot seksuele en emotionele behoeftevervulling in relaties met andere volwassenen, zodat deze behoeftebevrediging bij kinderen gezocht wordt. 4. Disinhibitieprocessen of ontremming, waardoor de typische remmingen van seksueel gedrag met kinderen gemarginaliseerd of uitgeschakeld worden. Finkelhor en Araij (1986) doelen hier onder meer op factoren als impulsstoornissen, stress en patriarchale sociale normen. Hall (1996) vat seksueel agressief gedrag ook op als het resultaat van vier factoren: (seksuele) (deviante) opwinding, cognitieve distorsies, affectieve discontrole en persoonlijkheidsstoornissen.

Marshalls biopsychosociale theorie over seksueel agressief gedrag

Op basis van de literatuur formuleerde Marshall een geïntegreerde theorie (zie figuur 1) over de etiologie van seksueel agressief gedrag (Marshall, 2001; Marshall & Barbaree, 1990a; voor een uitvoerig en uistekend Nederlands overzicht: Van Beek, 1999). Seksueel agressief gedrag wordt door Marshall gedefinieerd als niet-consensuele seks (Marshall & Barbaree, 1990b, p. 367-368). Net als de Canadese wet gebruikt Marshall een leeftijdsgrens van 16 jaar




(Marshall, 1997, p. 156) en definieert hij een kind als een persoon tot en met 14 jaar (Marshall, 1997, p. 156; Marshall, Fernandez & Cortoni, 1999, p. 244).

Uitgangspunt van deze theorie is dat seksueel agressief gedrag het resultaat is van een samenspel van vele factoren, waardoor een persoon hoog of laag risicovol is voor het plegen van seksueel agressief gedrag (Marshall, 2001; Marshall & Barbaree, 1990a). Verder worden 4 groepen van factoren onderscheiden in de etiologie van seksueel agressief gedrag: biologische variabelen, ervaringen uit de kindertijd,


12

Gijs

de sociaal-culturele context en situationele variabelen.

Marshall neemt aan dat mannen op basis van de evolutionaire geschiedenis van de diersoort mens gekenmerkt worden door een intrinsieke dispositie tot zowel seksueel als agressief gedrag, zodat het bijgevolg een cruciale socialisatietaak is om deze agressie zodanig te remmen dat consensuele seks mogelijk is. Wanneer echter bij een jongen een gewelddadige ouderlijke opvoedingsstijl gepaard gaat met een gebrek aan zelfvertrouwen, gevoelens van haat en vijandigheid, een gebrek aan relationele vaardigheden en intimiteitsproblemen, stijgt de kans op later seksueel agressief gedrag. Als een dergelijke socialisatie ingebed is in een socioculturele context die interpersoonlijk geweld, een dominante positie van de man en negatieve attitudes ten opzichte van vrouwen tolereert of propageert, is de kans op seksueel agressief gedrag nog groter. Tenslotte zijn alcoholgebruik en woede (meer in het algemeen: negatieve emoties) twee situationele variabelen die de kans op seksueel agressief gedrag bevorderen. Van de factoren `een deviante seksuele oriëntatie of parafiele seksuele opwinding', `pornografie' en `gepercipieerde anonimiteit en ontsnappingsmogelijkheden' is aldus Marshall en Barbaree (1990a) onduidelijk welke rol zij spelen in de etiologie van seksueel agressief gedrag.

Binnen dit brede theoretische kader heeft Marshall (1989, 2001) de afgelopen 15 jaren steeds sterker de hypothetische rol van hechting benadrukt. Een veilige hechting vormt, aldus Marshall, een buffer tegen de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag, terwijl een niet veilige hechting een krachtige voedingsbodem is voor de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag (Marshall, 2001; voor een belangwekkende empirische toets van de rol van hechting in de etiologie van seksueel agressief gedrag wordt verwezen naar de bijdrage van Bogaerts en collega's).

Empirisch getoetst zijn een aantal uit de theorie afgeleide hypothesen met betrekking tot de volgende variabelen: socio-culturele invloeden, pornografie, conditionering, empathie(tekorten), een laag zelfwaardegevoel, gevoelens van schaamte en schuld en hechting (voor de uitkomsten van dit onderzoek wordt verwezen naar: Marshall, 1996, 2001). Empirische toetsing van het model als dusdanig heeft nog niet plaatsgevonden (Marshall, 2001).

Malamuths `Confluence model of sexual aggression'

Een zeer invloedrijk model van de etiologie van seksueel agressief gedrag jegens vrouwen werd de afgelopen twintig jaren ontwikkeld en empirisch getoetst

door de sociaal-psycholoog Malamuth (Malamuth, 1984, 1986, 1996a+b, 1998; Malamuth, Addison & Koss, 2000; Malamuth, Heavy & Linz, 1993; Malamuth & Heilmann, 1998; Malamuth, Linz, Heavy, Barnes & Acker, 1995; Malamuth, Sockloskie, Koss & Tanaka, 1991; Dean & Malamuth, 1997).

Twee grote fases zijn in Malamuth's theorievorming te onderscheiden: de ontwikkeling van het basismodel en de evolutionair psychologische uitbreiding.

De ontwikkeling en toetsing van het `confluence model of sexual aggression'

Oorspronkelijk sterk geïnspireerd door de feministische visie dat (de dreiging met en) verkrachting een maatschappelijk gelegitimeerde machtsstrategie is waarmee mannen hun sociale dominantie in stand houden, ontwikkelde Malamuth zijn padanalytisch model aan een `normale' groep van 2562 studenten (Malamuth, e.a., 1991). Een padanalytisch model is een statistische techniek die behoort tot de zogenaamde `structural equation models' en vereenvoudigd omschreven kan worden als een grafische en mathematische voorstelling en toetsmogelijkheid van een `causale' structuur in een datamatrix (De Maris, 2002; zie ook de bijdrage van Bogaerts en collega's). Als dusdanig gaat dit artikel niet in op de statistisch technische aspecten van Malamuths model en beperkt het zich tot een conceptuele beschrijving (zie figuur 2 voor een grafische voorstelling). Het mag echter niet onvermeld blijven dat Malamuth zijn mo


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

13

del zowel cross-sectioneel retrospectief (Malamuth, e.a., 1991) als prospectief getoetst heeft (Malamuth, e.a., 1995). De verklaarde variantie door het basismodel is 78%. Een zeer hoog percentage in de sociale wetenschappen (vgl. Bogaerts' bijdrage). Een succesvolle, maar niet helemaal identieke, replicatie van Malamuth's model werd uitgevoerd door Lim en Howard (1998) bij 255 jong volwassen mannen in Singapore.

Seksuele agressie jegens vrouwen is het gevolg van twee ontwikkelingstrajecten: een criminogeen en een gendertraject. Enerzijds is seksuele agressie door een volwassen man het `gevolg' van seksuele promiscuïteit, mits die seksuele promiscuïteit resulteert uit een delinquente levensstijl. Een delinquente levensstijl die op zijn beurt beïnvloed wordt door een frequente en als normaal voorgestelde gewelddadigheid tussen de ouders en door misbruik van de betreffende persoon in zijn kinderjaren. Anderzijds doen positieve attitudes tegenover geweld en vijandige masculiniteit -dat is het hoger waarderen van mannelijkheid boven vrouwelijkheid en een vijandige attitude tegenover vrouwen- de kans op seksuele agressie jegens vrouwen duidelijk toenemen. Hoewel significant, is de associatie tussen `delinquentie' en `positieve attitudes tegenover geweld' zeer zwak (Malamuth, e.a., 1991).

Recent hebben Malamuth en collega's (2000) onderzocht wat de rol is van pornografieconsumptie in de etiologie van seksueel agressief gedrag jegens vrouwen. Op basis van regressie- en padanalyses kwam Malamuth tot de conclusie dat pornografieconsumptie een onbetekenende rol speelt in de etiologie van seksuele agressie. Deze bevinding behoeft echter de nodige nuancering. Bij mannen met de hoogste scores op vijandige masculiniteit en seksuele promiscuïteit (7% van de steekproef) is een sterke pornografieconsumptie geassocieerd met een vier maal hogere kans op seksuele agressie (Malamuth, e.a., 2000).

De evolutionair psychologische uitbreiding

Hoewel Malamuth oorspronkelijk sterk door het feminisme was geïnspireerd, heeft hij de laatste jaren steeds meer afstand genomen van feministische theorieën en zijn model ingepast in een evolutionair psychologisch denkkader (Malamuth, 1996a; Malamuth & Heilmann, 1998; voor een inleiding tot de evolutionaire psychologie: Buss, 1989; Geary, 1998; voor een handboek: Crawford & Krebs, 1998). Volgens Malamuth (1996a+b) is deze theoretische aanpassing nodig omdat het feminisme, in tegenstelling tot een evolutionair psychologische benadering, geen afdoende antwoord heeft op de vraag waarom culturen

tot stand zijn gekomen zoals historisch is geschied. Waarom hebben mannen patriarchale culturen gemaakt en waarom hebben vrouwen geen culturen met vrouwelijke dominantie voortgebracht?

Wat is de basisredenering van de evolutionaire psychologie, de toepassing van de huidige kennis van evolutionaire processen om de menselijke psyche en gedrag te begrijpen. Algemeen uitgangspunt is dat soorten het resultaat zijn van `natuurlijke' selectie, of te wel evolutie. Evolutie is dus een continu proces van differentieel reproductief succes of `fitness', waardoor bepaalde patroonverschillen aan volgende generaties worden doorgegeven. De diersoort mens poogt dit genetisch reproductieve succes te bewerkstelligen door middel van seksuele voortplanting, waarbij iedere ouder de helft van het genetische materiaal aanlevert. Aangenomen wordt dat genetische veranderingen van de soort mens vele generaties in beslag nemen. Dat impliceert dat het begrijpen van de invloed op onze psyche van succesvolle reproductiestrategieën in oeroude omgevingen essentieel is om het huidige gedrag van de soort mens te begrijpen. Immers, juist omdat die oude succesvolle strategieën toendertijd succesvol waren, blijven ze nu een invloed uitoefenen. Bij het bestuderen van die impact maken evolutionair psychologen een onderscheid tussen een `adaptatie' en een `nevenproduct'. Een adaptatie is een responsmechanisme dat het resultaat is van natuurlijke selectie, en dus reproductief succesvol in de evolutionaire geschiedenis van de soort mens. Op psychologisch niveau duiden evolutionair-psychologen zo'n adaptatie aan met de term `evolved psychological mechanism' (Malamuth, 1996b). Een nevenproduct is een responsmechanisme dat zelf geen oplossing was voor een probleem in de evolutionaire geschiedenis, maar een bijresultaat is van een adaptatie. Met andere woorden: een bijproduct is een niet-beoogde toepassing van een adaptatie. Verder nemen evolutionair psychologen aan dat de psyche van de soort mens modulair georganiseerd is. De modulaire organisatie van onze psyche houdt in dat, evolutionair gesproken, specifieke oplossingen worden geselecteerd voor specifieke problemen. Problemen, bijvoorbeeld temperatuurregulatie, die voor alle mensen evolutionair op gelijke wijze golden en geregeld werden, leidden tot gemeenschappelijke kenmerken. Problemen die echter verschillende groepen voor verschillende evolutionaire uitdagingen plaatsen, hebben evolutionair geleid tot verschillende adaptaties. Eén van de gebieden waar dit gebeurd is, is seksualiteit.

De evolutionaire functie van seksualiteit is succesvolle genetische reproductie. Om die succesvolle genetische reproductie te bereiken zien vrouwen en mannen zich evolutionair voor verschillende taken


14

Gijs

gesteld, die basaal teruggaan op het verschil in investering in het nakomelingschap: vrouwen zijn 9 maanden zwanger, mannen niet. Daardoor hebben vrouwen een beperkte vruchtbaarheidscapaciteit, terwijl mannen verhoudingsgewijs een onbeperkte vruchtbaarheidscapaciteit hebben. Om reproductief zo succesvol mogelijk te zijn, zullen vrouwen en mannen verschillende `reproductiestrategieën' ontwikkeld hebben (voor overzichten: Buss, 1999; Gangestad & Simpson, 2000). Mannen zullen meer gericht zijn op onpersoonlijke seks en op seks met zoveel mogelijk partners. Doordat ze zo zoveel mogelijk vrouwen kunnen bevruchten, is dat voor hen de effectiefste strategie om succesvolle genetische reproductie te realiseren. Vrouwen zullen daarentegen meer gericht zijn op persoonlijke seks en op seks met een beperkt aantal sterk geselecteerde mannen van hoge kwaliteit. Zodoende wordt de genetische kwaliteit van hun zwangerschap gemaximaliseerd, en daardoor hun evolutionair succes. Door dit verschil in reproductiestrategieën is de mogelijkheid tot seksueel conflict tussen mannen en vrouwen structureel gegeven. Bovendien dienen mannen aan andere mannen zoveel mogelijk de `seksuele toegang' tot in het bijzonder niet zwangere vrouwen te ontzeggen: zo blijft het eigen vaderschap, en dus het investeren in de eigen genetische reproductie, zoveel mogelijk verzekerd. Sociaal-seksuele controle van vrouwen door middel van dominantie is voor mannen derhalve een evolutionaire strategie (Malamuth, 1996a). Deze succesvolle reproductiestrategie is voor evolutionair psychologen de verklaring waarom matriarchale samenlevingen nagenoeg niet bestaan en patriarchale weid verspreid zijn.

Hoe past nu verkrachting in deze evolutionair psychologische benadering? Voorbijgaand aan het debat of verkrachting een adaptatie of een nevenproduct is (zie bijv. Malamuth & Heilmann, 1998), conceptualiseert de evolutionaire psychologie verkrachting als een seksueel gemotiveerd gedrag: als een reproductiestrategie die bijdraagt aan succesvolle reproductie van mannen. En wel in tweevoudig opzicht: enerzijds doordat meer vrouwen bevrucht kunnen worden, anderzijds doordat bij zwangerschap ten gevolge van verkrachting andere mannen geen (genetische) toegang meer hebben tot de betreffende vrouw(en).

Een belangrijk aspect van een evolutionair psychologische benadering _zeker ook met betrekking tot verkrachting- is dat psychologische adaptaties en nevenproducten hun invloed niet deterministisch maar conditioneel uiten. Dat betekent dat het al dan niet gedragsmatig toepassen van een psychologische adaptatie steeds beïnvloed wordt door de ecologische

situatie. Het bestuderen van de interacties tussen adaptaties en ecologische situaties die tot uiting komen in gedragsmatige variabiliteit binnen en tussen soorten, zien evolutionaire psychologen als een zeer belangrijke taak. Daardoor kunnen de condities opgespoord worden waaronder de frequentie van verkrachting minimaal is. Naast Malamuths `confluence model', is het werk van Smuts (1996) een fraaie illustratie van deze benadering. Op basis van een indringende analyse van het voorkomen van verkrachting bij zoogdieren (vgl. Malamuth & Heilmann, 1998) en in verschillende mensenculturen, formuleerde zij de volgende hypothesen. Inclusief verkrachting zal meer geweld jegens vrouwen voorkomen als: sociale netwerken van vrouwen zwakker zijn; vrouwen minder of geen steun krijgen van hun familie; mannen-netwerken en bondgenootschappen belangrijker en meer ontwikkeld zijn; relaties tussen mannen minder gelijkwaardig zijn; en de controle van mannen op productiemiddelen en opbrengsten groter is. Smuts' ideeën worden aardig ondersteund door Rozees crossculturele vaststelling (1993) dat in meer patriarchale samenlevingen meer seksueel agressie jegens vrouwen voorkomt.

Als aangenomen wordt dat mannen biologisch in staat zijn tot seksueel agressie jegens vrouwen (=nevenproduct) of gekenmerkt zijn door een specifieke biologische tendentie tot seksueel agressief gedrag jegens vrouwen (= adaptatie), dan is een belangrijke vraag: hoe komt die biologische beïnvloeding tot stand? Totnogtoe zijn er weinig tot geen aanwijzingen dat specifieke genen, hormonen, hersenstructuren of functioneren differentiëren tussen verkrachters en niet verkrachters (Gijs, 1996; vergelijk de eerste bijdrage van Van hunsel en Cosyns).

Totnogtoe heeft de evolutionair psychologische studie van seksuele agressie zich beperkt tot de studie van verkrachting en is er nog weinig gedaan aan evolutionair psychologische theorievorming over andere vormen van seksuele agressie. Quinsey en Lalumiere (1995) hebben de hypothese geformuleerd dat seksuele devianties als pedofilie het gevolg zijn van een stoornis in het `evolved psychological mechanism' dat ontwikkeld werd om seksuele partners te selecteren.

Empirisch onderzoek naar evolutionair psychologische theorieën over seksuele agressie is er nog weinig en het staat nog in de kinderschoenen (voor een overzicht: Thornhill & Palmer, 2001).

Feministische etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag

Sinds Brownmillers `Against our will' verscheen in 1975


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

15

hebben feministische theorieën, zoals reeds opgemerkt, zich ontwikkeld tot één van de toonaangevende verklaringsmodellen van seksueel agressief gedrag (bijv. Darke, 1990; Herman, 1990; Muehlenhard, 1998; Muehlenhard, e,a., 1996; Russell, 1984; Seto & Barbaree, 1997).

De kern van deze benadering is dat mannen verkrachting en de dreiging met seksueel agressief gedrag doelbewust gebruiken om vrouwen angst aan te jagen zodat hun maatschappelijke privilegies en hun dominantie onaangetast blijven. Kortom: seksuele agressie als instrumenteel middel om vrouwen te onderdrukken. Binnen deze benadering zijn verschillende theoretische posities te onderscheiden. De theorieën van Abbey en collega's (1996), Russell (1988; 1998) en Schwarz & Dekeseredy (1997) worden als prototype beschreven.

Hoewel feministische theorieën seksueel agressief gedrag jegens kinderen op dezelfde wijze conceptualiseren als seksuele agressie jegens vrouwen, is er binnen het feminisme relatief weinig aandacht besteed aan de verdere theoretische ontwikkeling van het algemene uitgangspunt dat seksuele agressie jegens kinderen een gevolg is van een patriarchale samenleving waarbinnen mannen gesocialiseerd worden om desnoods door middel van seksuele agressie jegens kinderen hun masculiene identiteit en hun maatschappelijke dominantie te handhaven (voor overzichten: Adams, Trachtenberg & Fisher, 1992; Vander Mey, 1992). Daarom worden specifieke feministische theorieën over seksuele agressie jegens kinderen niet apart besproken.

De rol van alcohol in de etiologie van seksueel agressief gedrag

Het feministische model van Abbey en collega's (1996; figuur 3) focust op de rol van alcoholconsumptie in de etiologie van seksueel agressief gedrag jegens vrouwen door heteroseksuele mannen. Aansluitend bij het publieke beeld en de wetenschappelijke literatuur (George & Stoner, 2000) dat alcoholconsumptie het plegen van seksueel agressief gedrag bevordert, stelt Abbey de vraag hoe die invloed van alcoholconsumptie tot stand komt. Uitgaande van de zienswijze dat de verschillende socialisatie van mannen en vrouwen het startpunt is voor de studie van seksuele agressie voltrekt de psychologische invloed van alcoholconsumptie zich door middel van vier stappen.

Stap 1 zijn de schema's die mensen hebben over seksuele interacties, over de effecten van alcohol op de seksualiteit en agressie, en over vrouwen die drinken. Mannen denken dat ze seks dienen te initiëren en ze menen dat ze onder bepaalde omstandighe

den recht hebben op seks, waarbij agressie begrijpelijk of gewettigd is als dat recht getart wordt. Vrouwen denken daarentegen het omgekeerde: zij dienen verhoudingsgewijs seksualiteit af te remmen. Het sociaal-cognitieve schema over de effecten van alcohol is dat alcoholconsumptie bij mannen leidt tot meer seksueel verlangen , een grotere seksuele opwinding en meer agressie. Bij vrouwen leidt alcoholconsumptie, zo is de sociale verwachting, eveneens tot meer seksuele opwinding en verlangen. Bovendien is de verwachting dat vrouwen die gedronken hebben kwetsbaarder zijn. Het sociaal stereotiepe schema bepaalt verder dat dronken vrouwen geschikte kandidaten zijn voor seksualiteit en seksuele agressie.

Stap 2 specificeert de psychologische effecten van feitelijke alcoholconsumptie. Bij diegenen die drinken treden twee effecten op. De bestaande vooroordelen en genderschema's worden extra geactiveerd. Deze alcoholconsumptie leidt ook tot misperceptie in heteroseksuele interacties, die als volgt samengevat kan worden. Mannen die gedronken hebben seksualiseren vrouwen meer dan wanneer ze niet gedronken hebben en percipiëren de vriendelijkheid van vrouwen veel meer en veelal ten onrechte als een seksuele uitnodiging. Tevens wordt de psychologische gevoeligheid van mannen voor twijfel bij en weigering door vrouwen minder. Door de activering van gender


16

Gijs

schema's en de bevordering van misperceptie ontstaat een riskante situatie met een verhoogde kans op seksuele agressie.

In stap 3 wordt de kans op seksuele agressie nog verder opgevoerd. Vrouwen onderschatten de sterkte van de seksuele toenaderingspogingen van mannen waardoor later neen zeggen en/of zich verzetten leiden tot seksuele agressie, omdat mannen menen recht te hebben op seks en een neen niet meer accepteren. Temeer daar _zo is hun perceptie- de vrouw in kwestie er initieel mee ingestemd heeft en hen ook reeds te ver seksueel opgewonden heeft om nog te mogen stoppen. Fysiologisch leidt alcohol tot minder efficiënte activering van motorisch gedrag waardoor het verzet van vrouwen ondermijnd wordt. Al met al ontstaat zo een vicieuze cirkel waarbij alcoholconsumptie steeds sterker de bestaande genderschema's activeert zodat alternatieve cognitieve interpretaties steeds moeilijker worden en minder acceptabel worden en de kans op seksuele agressie steeds hoger wordt.

Tenslotte leidt alcoholconsumptie tot een verandering in het attributieproces van wie verantwoordelijk is voor seksueel agressief gedrag. Aan mannen die gedronken hebben wordt minder verantwoordelijkheid toegeschreven dan aan mannen die niet hebben gedronken. Het omgekeerde geldt voor vrouwen die gedronken hebben: aan hen wordt meer verantwoordelijkheid toegeschreven. Door deze attributies worden de bestaande opvattingen en vooroordelen over sek

suele agressie bevestigd. En zo is de cirkel rond. De samenleving socialiseert mannen en vrouwen tot personen met verschillende genderschema's, waarbij mannen menen seksualiteit te moeten initiëren en er recht op menen te hebben. Alcoholconsumptie, meer bepaald de psychologische verwachtingen over de effecten daarvan, bevorderen de activering van schema's die het plegen van seksuele agressie faciliteren. De kern van Abbey's model is dus dat de effecten van alcoholconsumptie fundamenteel tot stand komen door de psychologische effecten van alcohol die er voor zorgen dat bestaande schema's over seksualiteit versterkt geactiveerd worden. Is er empirische steun voor dit model? Een aantal onderdelen van Abbey's model zijn empirisch getoetst en het model is congruent met de literatuur over de psychologische effecten van alcohol in het algemeen (Abbey, e.a., 1996; George & Stoner, 2000). Als dusdanig is het gehele model echter niet empirisch getoetst

Pornografie als oorzaak van verkrachting

De theorie van de sociologe Russell richt zich vooral op de rol van pornografie in de etiologie van verkrachting (Russell, 1988; 1998; figuur 4 voor een overzicht). Pornografie wordt door Russell (1998, p. 3) gedefinieerd als "material that combines sex and/or the exposure of the genitals with abuse or degradation in a manner that appears to endorse, condone, or encourage such behavior". Pornografie is overigens


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

17

Figuur 4b. Nadere specificatie van de 4 factoren uit Russell's model

Factor 1: predisponeert bij sommige mannen het verlangen tot verkrachten en versterkt zulke bestaande verlangers

1. Door het associëren van seksueel opwindende stimuli met beelden van verkrachting

2. Door het seksueel opgewonden worden op zelf-gemaakte verkrachtingsfantasieën

3. Door het seksualiseren van dominantie en onderwerping

4. Door het creëren van een verlangen naar steeds sterkere stimuli.

Factor 2: Ondermijnt bij sommige mannen interne remmingen

1. Door het seksueel objectiveren van vrouwen

2. Door het versterken van het geloof in verkrachtingsmythen

3. Door het verhogen van de acceptatie van interpersoonlijk geweld

4. Door het verhogen van het `gewoon vinden' van verkrachting

5. Door het verhogen van (seksuele) vijandigheid jegens vrouwen

6. Door het verhogen van de acceptatie van dominantie van mannen in intieme relaties

7. Door het ongevoeliger maken van mannen voor verkrachting van en geweld tegen vrouwen.

Factor 3: Ondermijnt bij sommige mannen externe remmingen

1. Door het verlagen van de schrik voor sociale sancties

2. Door het verlagen van de schrik voor afkeuring door leeftijdgenoten.

Factor 4: Ondermijnt het vermijdings- en weerstandsvermogen van een deel van de potentiële slachtoffers

1. Door vrouwen te plaatsen in hoog risicovolle situaties voor verkrachting

2. Door het creëren van de pornografie-industrie, die uitbuiting van vrouwen vereist.


te onderscheiden van erotica, gedefinieerd als: "sexually suggestive or arousing material that is free of sexism, racism, and homophobia and is respectful of all human beings and animals portrayed" (voor operationele definities van beide begrippen: Russell, 1998).

Startpunt van Russell's theorie is de feministische idee dat seksueel agressief gedrag het product is van een patriarchale samenleving die (de dreiging met) seksueel agressief gedrag gebruikt als een middel om vrouwen te onderdrukken (Russell, 1984; Russell & Bolen, 2000). Daartoe socialiseert de Westerse samenleving mannen tot personen met een hoge neiging tot het verkrachten van vrouwen. In lijn met die socialisatie rapporteert 25 tot 60% van de Amerikaanse mannen het niet onwaarschijnlijk te achten dat ze een vrouw verkrachten als ze de garantie zouden hebben dat ze niet gepakt worden. Verder wijst Russell er ter ondersteuning van haar visie op, dat 25 tot 30% van de Amerikaanse mannen opgewonden wordt van gewelddadige beelden van verkrachting. Op basis van de onderzoeksliteratuur concludeert Russell (1988,1998) dat pornografie de kans op verkrachting van vrouwen doet toenemen door vier hoofdeffecten (voor een nadere precisering: figuur 4). 1. Blootstelling aan pornografie leidt bij mannen tot het ontstaan van het verlangen om te verkrachten of versterkt dit verlangen als het reeds bestaat. 2. Blootstelling aan pornografie ondermijnt de interne inhibities van mannen tegen verkrachting, zoals bijvoorbeeld de norm dat verkrachting sociaal en ethisch onacceptabel gedrag

is. 3. Blootstelling aan pornografie leidt niet alleen tot een aantasting van interne remmingen, maar ondermijnt evenzeer externe sociale inhibities als bijvoorbeeld de schrik voor negatieve sociale sancties. 4. Mannen kunnen een vrouw aan pornografie blootstellen zodat de weerstandsmogelijkheden van deze vrouw ondermijnd worden en de kans op verkrachting toeneemt. Deze laatste factor is niet noodzakelijk voor het plegen van een verkrachting door een man. Eerder is het een additioneel middel om het plegen van seksuele agressie te vergemakkelijken.

Russell (1998) meent dat haar model overeenstemt met de empirische literatuur, maar erkent dat haar model als dusdanig nog niet empirisch getoetst is.

Mannen-cultuur als steun voor seksueel agressief gedrag jegens vrouwen

Schwartz & Dekeseredy (1997) hebben een sociaal-psychologische theorie ontwikkeld over de etiologie van verkrachting van vrouwen door mannelijke studenten (zie figuur 5 voor een overzicht). Hun model is feministisch in de aanname (1997, p. 47) dat individueel gedrag de microsociale expressie is van bredere maatschappelijke krachten. Maar hun model is ook een multifactorieel model in de zin dat een aantal sociale en individuele factoren gecombineerd worden om (pogingen tot) verkrachting te verklaren.

Uitgangspunt is wederom de idee dat verkrachting het gevolg is van een patriarchale samenleving die vrouwen ondergeschikt maakt aan mannen en


18

Gijs

plaatsvindt. Bovendien is geheimhouding een belangrijk aspect van de groepscultuur, waardoor mannelijke leden leren dat seksueel agressief gedrag geen negatieve consequenties heeft in de buitenwereld. Een laatste kenmerk van deze mannengroepen is hun negatieve opvatting over vrouwen: vrouwen zijn seksuele objecten die minderwaardig zijn aan mannen. Het geheel van al deze factoren leidt tot een hoge kans op seksuele agressie jegens vrouwen (zie bijvoorbeeld de aan het begin van dit artikel besproken onderzoeksresultaten van Koss en collega's (1987). Twee andere factoren verhogen nogmaals de kans op seksueel agressief gedrag: alcohol consumptie en de afwezigheid van afschrikking.

Samengevat kan Schwartz & Dekeseredy's model, dat als dusdanig niet empirisch getoetst is, getypeerd worden als een model waarin seksueel agressief gedrag jegens vrouwen het resultaat is van de steun die mannen aan elkaar bieden voor het in stand houden van hun superieure masculiene identiteit, die hen recht geeft op seksualiteit en die het product is van socialisering door een patriarchale samenleving. Wanneer dat recht _en dus hun masculiene identiteit- getart wordt is de kans op seksuele agressie jegens vrouwen groot. Zeker als er veel alcohol geconsumeerd wordt en er weinig sociale afschrikking is.

Samengevat kan Scwartz & Dekeseredy's model, dat als dusdanig niet empirisch getoetst is, getypeerd worden als een model waarin seksueel agressief gedrag jegens vrouwen het resultaat is van de steun die mannen aan elkaar bieden voor het in stand houden van hun superieure masculiene identiteit, die hen recht geeft op seksualiteit en die het product is van socialisering door een patriarchale samenleving. Wanneer dat recht _en dus hun masculiene identiteit- getart wordt is de kans op seksuele agressie jegens vrouwen groot. Zeker als er veel alcohol geconsumeerd wordt en er weinig sociale afschrikking is.

Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: enkele kanttekeningen

Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen in de theorievorming over seksueel agressief gedrag sinds Brownmiller (1975) 25 jaar geleden afscheid nam van het psychopathologische model?

Richtinggevend voor het therapeutische motto "no cure, but control" werd de nog steeds dominante zienswijze 12 jaar geleden helder verwoord door Marshall, Laws en Barbaree (1990c, p. 390-391): "Sexual offending is not a `sickness'. We believe that a disease model, which guides far too many treatment programs, is outmoded and is based on false assumptions. It is our view that sexual offenders are not suffering from

verkrachtingsattitudes socialiseert bij mannen. Een belangrijk onderdeel van deze patriarchale samenleving is het subsysteem `courtship'- patriarchaat, dat te omschrijven is als het maatschappelijk regelsysteem dat voor mannen en vrouwen bepaalt hoe ze seksuele interacties dienen aan te gaan als ze (nog) geen partners zijn. Een van de regels van dat systeem is, aldus Schwartz en Dekeseredy (1997, p. 67) dat mannen onder vele omstandigheden recht menen te hebben op seksualiteit met hun `date'. Het niet instemmen met dat recht verhoogt de kans op seksueel agressief gedrag. Maar ook een aantal andere factoren spelen een rol in het tot stand komen van seksueel agressief gedrag. De verschillende posities van mannen en vrouwen in het `dating'-systeem leiden vaak tot stress bij mannen. Stress die mannen trachten te reduceren door het opzoeken en verkrijgen van sociale steun van andere mannen. Daardoor wordt de visie van mannen op (seksuele relaties met) vrouwen bevestigd en wordt hun identiteit gesteund. Een van de mogelijkheden om deze sociale steun structureel te verwerven is lid te worden van een jaarclub of van een andere mannen vereniging. Daardoor wordt de eigen masculiene identiteit ondersteund. Vaak worden dergelijke mannengroepen gekenmerkt door de visie dat een `echte' man recht heeft op seksualiteit en dat hij bepaalt wanneer welke seksualiteit


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

19

any disease and their behavior is not out of control, as such a medical model would imply. In fact, it is clear from an examination of the behavior of these men that their offending is very well controlled. They typically work assiduously to either set up circumstances for sex offending or they knowingly allow these circumstances to unfold. This simply means that these men have in their behavioral repertoire various responses, including sexual assault to occur when the circumstances are seen as maximizing their chances of avoiding apprehension". Seksueel agressief gedrag is dus fundamenteel een proces van gedragsregulatie. Dat gezichtspunt wordt door alle in dit artikel besproken theorieën onderschreven, waarbij seksueel agressief gedrag wordt geconceptualiseerd als de gedragsmatige interpersoonlijke uitkomst van faciliterende en inhiberende factoren. Over de aard, het gewicht en de interacties van deze factoren verschillen de theorieën overigens van mening (vgl. bijv. Buss & Malamuth, 1996; Marshall, Laws & Barbaree, 1990a; Muehlenhard, e.a., 1996; Thornhill & Palmer, 2001). Zo is er bijvoorbeeld een controverse over de rol van pornografie. Sommigen attribueren aan pornografie geen rol van betekenis in de etiologie van seksueel agressief gedrag (bijv. Christensen, 1994; Diamond & Ychiyama, 1999). Anderen menen dat pornografie een duidelijke en sterke oorzaak is van seksuele agressie (bijv. Itzin, 1997; Russell, 1998). Nog anderen vinden dat pornografie slechts een faciliterende rol heeft bij mannen die reeds gepredisponeerd zijn tot seksueel agressief gedrag (bijv. Malamuth, e.a., 2000; Seto, Maric & Barbaree, 2001). Een tweede voorbeeld betreft de aard van motivationele determinanten van seksueel agressief gedrag. Feministische benaderingen menen dat seksueel agressief gedrag vooral gemotiveerd wordt door macht en dominantie (voor een genuanceerd overzicht: Muehlenhard,e.a., 1996) terwijl evolutionair psychologische zienswijzen het meeste gewicht toekennen aan seksuele motivaties (Malamuth, 1996a; Thornhill & Thornhill, 1992; Thornhill & Palmer, 2001). Een belangrijk gevolg van zulke theoretische verschillen is dat ze leiden tot verschillende aanbevelingen voor de behandeling van plegers en voor de preventie van seksueel agressief gedrag (zie bijv. Thornhill & Palmer, 2001). Als bijvoorbeeld pornografie geen enkele etiologische betekenis heeft, is aandacht ervoor in de behandeling en preventie van seksueel agressief gedrag irrelevant. Als pornografie daarentegen een doorslaggevend effect heeft, is aandacht ervoor juist aangewezen. Op metatheoretisch niveau is de laatste 25 jaren de positie steeds meer gemeengoed geworden dat seksueel agressief gedrag complex gedrag is dat biopsychosociaal en multifactorieel bepaald is: biolo

gische, ontwikkelingspsychologische, maatschappelijke, culturele, sociaal-psychologische en situationele factoren zijn allen in het geding in de etiologie van seksueel agressief gedrag. Een gevolg hiervan is dat de theorievorming over seksueel agressief gedrag vanuit al deze perspectieven gedaan kan worden. En dat de theorievorming zowel de rol van één variabele kan betreffen, als het samenspel van vele etiologische variabelen kan trachten te omvatten in één model. Voorbeelden van het eerste zijn theorieën over de rol van seksuele opwinding en seksuele oriëntaties en theorieën over de rol van androgenen in de etiologie van seksueel agressief gedrag (bijv. Abel & Rouleau, 1990; Barbaree, 1990; Barbaree & Marshall, 1991; Book, Starzyk & Quinsey, 2001; Gijs, 1996; Lalumiere & Quinsey, 1994; Marshall & Fernandez, 2000; Seto & Barbaree, 1997) . Voorbeelden van integratieve modellen zijn de besproken theorieën van Marshall en Barbaree en van Malamuth. Zowel Marshall (1996) als Hudson en Ward (1997; Ward & Hudson, 1998) hebben classificaties voorgesteld om deze veelheid van theorieën te ordenen. Marshall (1996) maakt een onderscheid tussen macro-, meso- en microtheorieën. Macro-theorieën zijn algemene gedragstheorieën, zoals bijvoorbeeld Bandura's sociaal-cognitieve theorie (1999). Meso-theorieën zijn theorieën die één gedrag, bijvoorbeeld seksuele agressie, pogen te verklaren. Marshall (1996) classificeert op dit niveau bijvoorbeeld de theorieën van Finkelhor en Araij (1986), van Hall (1996) en van Marshall & Barbaree (1990a). Micro-theorieën zijn modellen over één specifieke variabele van een meso-theorie. Een voorbeeld is Barbaree's werk (bijv. 1990) over de rol van seksuele opwinding in agressief seksueel gedrag. Wat anders dan Marshall (1996) maken Hudson en Ward (1997; Ward & Hudson, 1998) een onderscheid tussen algemene of multifactoriële modellen, één-factor modellen en beschrijvende modellen van feitelijk gedrag. De theorieën van Malamuth, (bijv. 1996a) en van Marshall en Barbaree (1990a) en de zienswijzen van Finkelhor & Araij (1986) en van Hall (1996) zijn voorbeelden van multifactoriële modellen. Een voorbeeld van een één-factor theorie is Marshalls visie op de rol van hechting in de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag (bijv. Marshall, 2001). Een voorbeeld van een beschrijvend model is de delictscenario-procedure (bijv. Van Beek, 1999).

Een belangrijke metatheoretische kwestie is recent door de sociaal psycholoog Baumeister (1997; Baumeister, Smart & Boden, 1996) op de voorgrond geplaatst. Hij wees erop dat er twee fundamentele visies zijn op de etiologie van (seksuele) agressie: de `feel-bad' en de `feel-good'-visie. De `feel-bad'-visie ziet agressie als het gevolg van problemen, psychologi


20

Gijs

sche zwakte en tekorten aan vaardigheden; zoals een laag zelfwaardegevoel en een gebrek aan sociale vaardigheden. Agressie wordt derhalve gezien als een (inadequaat) middel om negatieve emoties ten gevolge van zwakte te verdrijven. De `feel-good'-visie meent daarentegen dat agressie vooral het gevolg is van een hoog zelfwaardegevoel en/of superioriteitsgevoelens als legitimatie van (seksuele) agressie en (seksuele) agressie als middel om deze gevoelens te bevestigen of de bedreiging ervan te bestrijden. Toegepast op verkrachting betekent dat deze vorm van seksuele agressie geen gevolg is van psychologische zwakte, maar van psychologische sterkte en superioriteit: "Ik ben uitstekend, meer dan een ander en dus gerechtigd tot seksuele agressie". Een treffend voorbeeld is het gebruik van verkrachting als strategie om de vijand te vernederen in oorlogstijd (Gijs, 1996). Baumeisters visie plaatst dus de rol van een hoog zelfbeeld, van een ongebreideld maatschappelijk individualisme en van narcisme -een grandioos maar kwetsbaar zelfbeeld- (Morf & Rhodewalt, 2001) op de voorgrond in de etiologie van seksueel agressief gedrag. Hoewel de empirische toetsing van Baumeister's visie nog in de kinderschoenen staat en zijn zienswijze controversieel is (Salmivalli, 2001), heeft zijn benadering belangrijke klinische consequenties. Het is diagnostisch en interventionistisch belangrijk er niet a-priori van uit te gaan dat seksuele agressie per definitie het gevolg is van zwakheden en problemen, maar evenzeer na te gaan welke `positieve' doelen ermee bereikt worden (vgl. de bespreking van Ward en Hudson's ideeën over toenaderings- en vermijdingsdoelen door Koeck en collega's).

Een laatste belangrijk meta-theoretisch thema, is de overeenstemming tussen de meeste theorieën dat mannen intrinsiek gevoelig zijn of kwetsbaar zijn om een pleger van seksuele agressie te worden (Brownmiller, 1975; Malamuth, 1996a; Marshall & Barbaree, 1990a). En dat die gevoeligheid aangewakkerd of getemperd kan worden door de samenleving (Brownmiller, 1975; Malamuth, 1996a; Marshall & Barbaree, 1990a). Voor de preventie van seksueel agressief gedrag betekent dit dat ze zich dient te richten op alle mannen.

Drie belangrijke problemen waarmee de theorievorming over seksueel agressief gedrag kampt, mogen niet onvermeld blijven: theoretische onhelderheden, methodische tekortkomingen en het gebrek aan praktische betekenis van etiologische theorieën.

Met de teloorgang van het psychopathologische model is er in de afgelopen 25 jaren weinig aandacht geweest voor de rol van psychopathologie in de etiologie van seksueel agressief gedrag. De laatste

jaren is er echter een hernieuwde belangstelling voor die rol. Twee thema's staan centraal: psychopathie _meer in het algemeen persoonlijkheidsstoornissen- en psychiatrische co-morbiditeit op As I. De rol van psychopathie (en/of de antisociale persoonlijkheidsstoornis) kan essentieel als volgt samengevat worden: naarmate een persoon meer psychopathisch is, zal de kans op seksuele agressie toenemen (Caputo, e.a., 1999; Gretton, e.a., 2001; Hanson & Bussiere, 1998; Hersh & Gray-Little, 1998; Kosson, Kelly & White, 1997; Porter, e.a., 2000; Seto & Barbaree, 1999). Een risico dat nog stijgt naarmate een psychopathisch persoon sterker reageert met seksuele opwinding op (seksuele) agressieve stimuli (Gretton, e.a., 2001; vgl. Hanson & Bussiere, 1998). Het is niet onbelangrijk op te merken dat het omgekeerde niet het geval is: seksuele agressie wijst niet automatisch op hoge psychopathie (Marshall, 1999). Interessant hiervoor zijn de resultaten van Raymond en collega's (1999). Zij vonden dat bij een klinische groep pedoseksuele plegers 77,5% geen antisociale persoonlijkheidsstoornis had en dat 80% geen narcistische persoonlijkheidsstoornis had. De rol van psychiatrische co-morbiditeit op As-I is vooralsnog onduidelijk. Maletzky (1998) heeft er op gewezen hoe weinig co-morbiditeit er is bij vele plegers. Raymond en collega's rapporteerden daarentegen een zeer hoge prevalentie van psychiatrische co-morbiditeit op As-I bij pedoseksuele plegers: 93% had ook een andere As-I stoornis gedurende hun leven. De klinische implicaties liggen voor de hand: zorgvuldige diagnostiek en behandeling van psychiatrische co-morbiditeit is noodzakelijk.

De aandacht voor psychiatrische co-morbiditeit is een signaal dat in de etiologie van seksuele agressie weer stilgestaan mag worden bij inter-individuele verschillen tussen mannen die seksueel agressief gedrag plegen. Dat is een verheugende vaststelling omdat feministische (sociologische) modellen weliswaar goede verklaringen bieden op macro-sociologisch niveau, maar slecht verklaren kunnen wat bepaalt dat binnen een zelfde maatschappelijke en culturele context sommige mannen wel seksuele agressie plegen en andere niet. De implicatie van de aandacht voor psychopathologie en interindividuele (persoonlijkheids)verschillen voor preventie is dat weliswaar alle mannen een risico lopen om pleger te worden, maar dat sommigen hoog risicovol en andere laag risicovol zijn (vgl. Malamuth, Addison & Koss, 2000).

Met de opkomst van het feminisme is in de afgelopen 25 jaren de rol van seksualiteit in seksuele agressie sterk naar de achtergrond gedrongen geweest _al is er steeds een debat gebleven in de cognitieve


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

21

gedragstherapie over de rol van `seksuele preferenties' in de diagnostiek en behandeling van plegers (voor een overzicht: Marshall & Fernandez, 2000)-. De laatste tijd is deze belangstelling voor de rol van seksualiteit weer sterk toegenomen. Naast de reeds gesignaleerde evolutionair psychologische visie dat de seksuele motivatie een belangrijke determinant is van seksuele agressie, betreft deze hernieuwde belangstelling vier kwesties. 1. Is seksuele opwinding op seksuele agressie een `state' (een tijdelijke psychologische toestand) of een `trait' (een permanente persoonlijkheidseigenschap of een parafilie)? 2. Wat is de rol van pornografie in de etiologie van seksueel agressief gedrag? 3. Is zelf seksueel misbruikt zijn een risicofactor voor het plegen van seksuele agressie? 4. Welke rol spelen seksuele fantasieën in de etiologie van seksuele agressie? Binnen het bestek van dit artikel is het onmogelijk om op deze vragen grondig in te gaan. Volstaan wordt met ruwe en meestal vrij tentatieve antwoorden. Seksuele opwinding op agressie kan zowel een `state' als een `trait' zijn (Barbaree & Seto, 1997) . Pornografie is enkel een risicofactor bij mannen die gepredisponeerd zijn tot seksuele agressie (Malamuth, e.a., 2000; Seto,e.a., 2001). De meerderheid (70%) van de plegers is zelf niet misbruikt (Maletzky, 1998), maar er is wel een correlatie tussen zelf misbruikt zijn en pleger zijn (Glasser, e.a., 2001). Glasser en collega's (2001) hebben opgemerkt dat zelf misbruikt zijn de kans verhoogt om een pedoseksuele of een incestpleger te worden. Hoe deze differentiële effecten van zelf misbruikt te zijn tot stand komen is onduidelijk. Ten aanzien van de rol van fantasieën kunnen twee hoofdposities onderscheiden worden. Sommigen menen dat seksueel agressieve fantasieën een direct bevorderend effect hebben op het plegen van seksueel agressief gedrag, omdat ze verwijzen naar persoonlijkheidsproblematiek (Prentky, e.a., 1989) die seksuele agressie bevordert, of omdat ze een afspiegeling zijn van persoonlijkheidseigenschappen die de kans op seksuele agressie sterk verhogen (Malamuth, 1998). Anderen menen echter dat niet zozeer seksueel agressieve fantasieën een probleem vormen, maar dat de mate waarin een persoon er pro- of antisociaal mee omgaat doorslaggevend is voor het al dan niet plegen van seksuele agressie (Leitenberg & Henning, 1995). Interessant is ook de studie van Langevin en collega's (1999). Zij stelden bij 201 plegers, die hun daden toegaven, vast dat twee derde geen deviante seksuele fantasieën had. De conclusie kan moeilijk anders zijn dan dat de rol van seksualiteit in seksuele agressie nog verre van opgehelderd is.

Methodisch dient er aan herinnerd te worden dat de selectiviteit van steekproeven en de heterogeniteit

van plegers de nodige problemen met zich meebrengen. Theorieën die ontwikkeld zijn aan `normale' studenten zijn niet noodzakelijk relevant voor `sex killers'in TBS-instellingen en vice versa. Meer aandacht voor dit probleem van externe validiteit is zeker gewenst. Hier wordt er voor gepleit om een dubbele onderzoekstrategie aan te houden: het ontwikkelen en toetsen van theorievorming voor specifieke vormen van seksueel agressief gedrag en het ontwikkelen en toetsen van algemene theorievorming voor alle plegers. Zodoende kan er een beter begrip komen van die factoren die plegers differentiëren en van die factoren die voor alle of de meeste plegers gelden. Verder wordt ervoor gepleit om de verhouding tussen theorieën en de eerder a-theoretische typologieën meer aandacht te geven. Totnogtoe hebben ze elkaar weinig geïnspireerd en is van integratie weinig sprake.

Een belangrijke beperking van de theorievorming is dat ze nagenoeg volledig ontwikkeld werd aan heteroseksuele volwassen mannen. Weliswaar plegen deze mannen de meeste seksuele agressie, maar het is overduidelijk dat ook kinderen, adolescenten, vrouwen en homoseksuele personen seksuele agressie plegen (Araij, 1999; Barbaree, Hudson & Marshall, 1993; Grayston & Deluca, 1999; Waldner-Haugrud, 1999).

Voor deze groepen is de theorievorming onderontwikkeld en wordt er te makkelijk verondersteld dat de theorievorming over heteroseksuele volwassen mannen ook wel zal gelden voor hen.

Het laatste methodische probleem is dat met uitzondering van Malamuth's `confluence model'geen enkel theoretisch model als dusdanig empirisch getoetst is (voor een belangrijke uitzondering: Bogaerts in dit nummer). In de mate dat clinici empirische toetsing een criterium vinden voor de validiteit van theorieën, zou dat impliceren dat Malamuth's model richtinggevend dient te zijn voor de klinische praktijk. Dat is echter niet het geval (Van Beek, 1999; Marshall, 1999). Meer in het algemeen is de afstand tussen etiologische theorieën en de klinische diagnostiek en behandeling van plegers groot. De reden daarvan is dat clinici vooral geïnteresseerd zijn in theorieën die leiden tot effectieve interventies en de etiologische theorieën ontwikkelingstheorieën zijn die niet geleid hebben tot effectieve interventies (Van Beek, 1999). Deze klinische interesse heeft geleid tot een beginnende, sterk speculatieve en ongetoetste theorievorming over welke factoren in de gedragsketen van seksueel agressief gedrag gewijzigd zou moeten worden om recidive te voorkomen. De belangrijkste `veranderings-theorieën' zijn theorieën over de rol van terugvalpreventie (voor een overzicht: Laws,e.a., 2000); Ward en Hudson's ideeën over de rol van vermijdings- en


22

Gijs

mind. Boston: Allyn & Bacon.

Crawford, C., & Krebbs, L. (Eds.) (1998). Handbook of evolutionary psychology. Ideas, issues and applications. London: LEA.

Buss, D.M., & Malamuth, N.M. (Eds.) (1996). Sex, power and conflict. Evolutionary and feminist perspectives. Oxford: Oxford University Press.

Caputo, A.A., Frick, P.J., & Brodsky, S.L. (1999). Family violenve and juvenile sex offending. The potential mediating role of psychopathic traits and negative attitudes toward women. Crimical Justice and Behavior, 26, 338-356.

Christensen, F.M. (1994). The alleged link between pornography and violence. In J.J. Krivacska & J. Money (Eds.), The handbook of forensic sexology (pp. 422-448). New York: Prometheus.

Damen, E. (1989). Seksueel geweld en behandeling. Een sociologisch-emancipatorische visie. Justitiële Verkenningen, 15, 113-126.

Darke, J.L. (1990). Sexual aggression: Achieving power through humiliation. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of the offender (pp. 55-72). New York: Plenum.

Dean, K.A. & Malamuth, N.M. (1997). Charateristics of men who aggress sexually and of men who imagine aggressing: Risk and moderating variables. Journal of Personality and Social Psychology, 72, 449-455.

De Maris, A. (2002). Covariance structure models. In M.W. Wiederman & B.E. Whitley (Eds.), Handbook for conducting research on human sexuality (pp. 289-325). London: LEA.

Deu, N. & Edelman, R.J. (1997). The role of criminal fantasy in predatory and opportunistic sex offending. Journal of Interpersonal Violence, 12, 18-29.

Diamond, M. & Uchiyama, A. (1999). Pornography, rape and sex crimes in Japan. International Journal of Law and Psychiatry, 22, 1-11.

Donat, P.L.N., & D'Emilio (1992). A feminist redefinition of rape and sexual assault: Historical foundations and change. Journal of Social Issues, 48, 9-22.

Draijer, N. (1990). Seksuele traumatisering in de jeugd. Gevolgen op lange termijn van seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Amsterdam: SUA.

Ellis, L. (1989). Theories of rape. New York: Hemisphere.

Ellis, L. (1998). Why some sexual assaults are not committed by men: A biosocial analysis. In P.B. Anderson & C. Struckman-Johnson (Eds.), Sexually aggressive women. Current perspectives and controversies (pp. 105-118). New York: Guilford Press.

Finkelhor, D. & Araij, S. (1986). Explanations of pedophilia: A four factor model. The Journal of Sex Research, 22, 145-161.

Frenken, J. (1997). Seksuele misdrijven en seksuele delinquenten. In P.J. van Koppen, D.J. Hessing & H.F.M. Crombag (Red.), Psychologie van het recht (pp.177-219). Deventer: Gouda Quint.

Frenken, J. (2000). Ontuchtplegers: Delictkenmerken, etiologie en behandeling. In T.I. Oei & M.S. Groenhuijsen (Red.). Forensische psychiatrie anno 2000. Actuele ontwikkelingen in breed perspectief (pp. 239-258). Deventer: Gouda Quint.

Gangestad, S.W. & Simpson, J.A. (2000). The evolution of human mating: trade-offs and strategic pluralism. Behavioral and Brain Sciences, 23, 573-644.

Geary, D.C. (1998). Male, female. The evolution of human sex differences. Washington: American Psychological Association.

Geerts, G., & Heestermans, H. (Red.) (1995) 12e druk. Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Utrecht: Van Dale Lexicografie.

George, H., & Stoner, S.A. (2000). Understanding acute alcohol effects on sexual behavior. Annual Review of Sex Research, 11, 92-124.

Gijs, L. (1994). Honderd jaar seksuologisch denken over seksueel deviant gedrag: een paradigmatisch overzicht in vogelvlucht. In

toenaderingsdoelen (zie Koeck en collega's) en de beschrijvende theorievorming over delictketens of _scenario's (Van Beek, 1999). Meer aandacht voor de integratie van ontwikkelingstheorieën en veranderingstheorieën is zeker gewenst. Ondertussen blijft het aloude ideaal (Marshall, 2001) dat een goede theorie een empirisch gevalideerde theorie is, die inzicht biedt in de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag en leidt tot erop gebaseerde effectieve diagnostische procedures en interventies verre van gerealiseerd.

Literatuur

Abbey,A., Ross,L.T., McDuffie,D., & Mcauslan,P. (1996). Alcohol, misperception and sexual assault: How and why are they linked? In D.M. Buss & N.M. Malamuth (Eds.), Sex, power, conflict. Evolutionary and feminist perspectives (pp. 138-161). Oxford: Oxford University Press.

Abel,G.G., & Rouleau,J.L. (1990). The nature and extent of sexual assault. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of the offender (pp. 9-21). New York: Plenum.

Adams, J.H., Trachtenberg, S., & Fisher, J.E. (1992). Feminist views of child sexual abuse. In W. O'Donohue & J.H. Geer (Eds.), The sexual abuse of children. Volume 1: Theory and research (pp. 359-396). London: LEA.

Anderson, P.B., & Struckman-Johnson, C. (Eds.)(1998). Sexually aggressive women. Current perspectives and controversies. New York: Guilford Press.

Araij,S.K. (1997). Sexually aggressive children. London: Sage.

Bandura, A. (1999). Social cognitive theory of personality. In L.A. Pervin & O.P. John (Eds.), Handbook of personality. Theory and research (2nd Ed., pp. 154-196). New York: Guilford Press.

Barbaree, H.E. (1990). Stimulus control of sexual arousal: Its role in sexual assault. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of the offender (pp. 115-142). New York: Plenum.

Barbaree,H.E., Marshall,W.L., & Hudson,S.M. (Eds.). (1993). The juvenile sex offender. New York: Guilford Press.

Barbaree, H.E., & Marshall, W.L. (1991). The role of male sexual arousal in rape: six models. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 59, 621-630.

Barbaree, H.E., & Seto, M.C. (1997). Pedophilia. Assessment and treatment. In D.R. Laws & W. O'Donohue (Eds.), Sexual deviance. Theory, assessment, and treatment (pp. 175-193). New York: Guilford Press.

Baumeister, R.T. (1997). Evil. New York: Freeman.

Baumeister, R.F., Smart, L., & Boden, J.M. (1996). Relation of threatened egotism to violence and aggression: The dark side of high self-esteem. Psychological Review, 103, 5-33.

Beek, D. van (1999). De delictscenarioprocedure bij seksueel agressieve delinquenten. Deventer: Gouda Quint.

Book, A.S., Starzyk, K.B., & Quinsey, V.L. (2001). The relationship between testosterone and aggression: a meta-analysis. Aggression and Violent Behavior, 6, 579-599.

Brownmiller, S. (1975). Against our will. Men, women and rape. New York: Simon and Schuster.

Burgess, A.W., Prentky, R.A., Burgess, A.W., & Ressler, R.K. (1994). Serial murder. In M. Hersen, R.T. Ammerman & L.A. Sisson (Eds.), Handbook of aggressive and destructive behavior in psychiatric patients (pp.509-530). New York: Plenum.

Buss, D.M. (1999). Evolutionary psychology. The new science of the


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

23

W. Bezemer, L.J.G. Gooren & H.J.C. van Marle (Red.). Seksueel deviant gedrag (pp. 6-31). Bussum: Medicom Europe.

Gijs, L. (1996). Een biopsychologische exploratie van verkrachting in oorlogstijd. Kernvraag, 110, 52-64.

Gijs, L. (1998). Parafilieën: over seksuele oriëntaties in het spanningsveld tussen variatie en pathologische stoornis. In A.K. Slob, C.W. Vink, J.P.C. Moors & W. Everaerd (Red.), Leerboek seksuologie (pp.345-362). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Glasser, M., Kolvin, I., Campbell, D., Glasser, A., Leith, I., & Farrelly, S. (2001). Cycle of child sexual abuse: links between being a victim and becoming a perpetrator. British Journal of Psychiatry, 179, 482-494.

Gooren, S. (1994a). Parafilieën in het Nederlandse strafrecht: op de grens tussen gedragskunde en recht. Tijdschrift voor Seksuologie, 18, 72-81.

Gooren. S. (1994b). Juridische aspecten van seksueel deviant gedrag. In W. Bezemer, L.J.G. Gooren & H.J.C. van Marle (Red.), Seksueel deviant gedrag (pp. 80-87). Bussum: Medicom: Europe.

Graupner, H. (1999). Love versus abuse: crossgenerational sexual relations of minors: A gay right issue? Journal of Homosexuality, 37, 23-56.

Grayston, A.D., & De Luca, V. (1999). Female perpetrators of child sexual abuse. Aggression and Violent Behavior, 4, 93-106.

Gretton, H.M., McBride, M., Hare, R.C., O'Shaugnessy, R., & Kumka, G. (2001). Psychopathy and recidivism in adolescent sex offenders. Criminal Justice and Behavior, 28, 427-449.

Grubin, D. (1994). Sexual murder. British Journal of Psychiatry, 165, 624-629.

Hall, G.C.N. (1996). Theory based assessment, treatment and prevention of sexual aggression. Oxford: Oxford University Press.

Hanson, R.K., & Bussiere, M.T. (1998). Predicting relapse: A meta-analysis of sexual offender recidivism studies. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 66, 348-362.

Hare, R.D., Cooke, D.J., & Hart, S.D. (1999). Psychopathy and sadistic personality disorder. In T. Millon, P.H. Blaney & R.D. Davis (Eds.), Oxford textbook of psychopathology (pp.555-584). Oxford: Oxford University Press.

Herk, B. van (1985). Waarom mannen verkrachten. Boom: Meppel.

Herman, J.L. (1990). Sex offenders: A feminist perspective. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and the treatment of the offender (pp. 177-193). New York: Plenum.

Hersh, K., & Gray-Little, B. (1998). Psychopathic traits and attitudes associated with self-reported sexual aggression in college men. Journal of Interpersonal Violence, 13, 456-471.

Hudson, S.M., & Ward, T. (1997a). Rape. Psychopathology and theory. In D.R. Laws & W.O'Donohue (Eds.), Sexual deviance. Theory, assessment and treatment (pp.332-355). New York: Guilford Press.

Hudson, S.M., & Ward, T. (1997b). Future directions. In D.R. Laws & W. O'Donohue (Eds.), Sexual deviance (pp. 481-500). New York: Guilford Press.

Itzin, C. (1997). Pornography and the organization of intrafamilial and extrafamilial child sexual abuse: developing a conceptual model. Child Abuse Review, 6, 94-106.

Kelly, R.J., & Lusk, R. (1992). Theories of pedophila. In W. O'Donohue & J.H. Geer (Eds.), The sexual abuse of children. Volume 1: Theory and research (pp. 168-203). London: LEA.

Keppel, R.D., & Walter, R. (1999). Profiling killers: A revisited classification model for understanding sexual murder. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 43, 417-437.

Koningsveld, H. (1976). Het verschijnsel wetenschap. Een inleiding tot de wetenschapsfilosofie. Meppel: Boom.

Koss. M.P., Gidycz, C.A., & Wisniewski, N. (1987). The sope of rape: Incidence and prevalence of sexual aggression and victimization in a national sample of higher education students. Journal of

Consulting and Clinical Psychology, 55, 162-170.

Koss, M.P., & Leonard, K.E. (1984). Sexually aggressive men: Empirical findings and theoretical implications. In N.M. Malamuth & E. Donnerstein (Eds.), Pornography and sexual aggression (pp. 213-232). New York: Academic Press.

Kosson, D.C., Kelly, J.C., & White, J.W. (1997). Psychopathy-related traits predict self-reported sexual aggression among college men. Journal of Interpersonal Violence, 12, 241-254.

Krahé, B. (1998). Sexual aggression among adolescents. Prevalence and predictors in a German sample. Psychology of Women Quarterley, 22, 537-554.

Lalumiere, M.C., & Quinsey, V.L. (1994). The discriminability of rapists from non-sex offenders using phallometric measures: A meta-analysis. Criminal Justice and Behavior, 21, 150-175.

Langevin, R. (1991). The sex killer. In A.W. Burgess (Ed.), Rape and sexual assault III. A research handbook (pp. 509-530). New York: Garland Publishing.

Langevin, R., Lang, R.A., & Curnoe, S. (1999). The prevalence of sex offenders with deviant fantasies. Journal of Interpersonal Violence, 13, 315-327.

Laws, D.R., Hudson, S.M., & Ward, T. (Eds.)(2000). Remaking relapse prevention with sex offenders. London: Sage.

Leeuwestein, S.U. (1989). De behandeling van seksueel gestoorde delinquenten in de Dr. S. van Mesdagkliniek. Justitiëele Verkenningen, 15, 76-92.

Lehneke, K.M. (2000). Zedendelinquentie: een eeuwige zoektocht. In T.L. Oei & M.S. Groenhuijsen (Red.), Forensische psychiatrie anno 2000. Actuele ontwikkelingen in breed perspectief (pp. 259-278). Deventer: Gouda Quint.

Leitenberg, H., & Henning, K. (1995). Sexual fantasy. Psychological Bulletin, 117, 469-496.

Lim, S., & Howard, R. (1998). Antecedents of sexual and non-sexual aggression in young Singaporean men. Personality and Individual Differences, 25, 1163-1182.

Malamuth, N.M. (1984). Aggression against women: Cultural and individual causes. In N.M. Malamuth & E. Donnerstein (Eds.), Pornography and sexual aggression (pp. 19-52). Orlando: Academic Press.

Malamuth, N.M. (1986). Predictors of naturalistic sexual aggression. Journal of Personality and Social Psychology, 50, 953-962.

Malamuth, N.M. (1996a). The confluence model of sexual aggression. In D.N. Buss & N.M. Malamuth (Eds.), Sex, power, conflict. Evolutionary and feminist perspectives (pp. 269-295). Oxford: Oxford University Press.

Malamuth, N.M. (1996b). Sexually explicit media, gender difference, and evolutionary theory. Journal of Communication, 46, 8-31.

Malamuth, N.M. (1998). The confluence model as an organizing framework for research on sexually aggressive men: risk moderators, imagined aggression, and pornography consumption. In R.G. Geen & E. Donnerstein (Eds.). Human aggression (pp. 229-245). New York: Academic Press.

Malamuth, N.M., Addison, T., & Koss, M.P. (2000). Pornography and sexual aggression: Are there reliable effects and can we understand them. Annual Review of Sex Research, 11, 26-91.

Malamuth, N.M., Heavy, C., & Linz, D. (1993). Predicting men's antisocial behavior against women: The interaction model of sexual aggression. In G.N.C. Hall, R. Hirschman, J.R. Graham & M.S. Zaragoza (Eds.), Sexual aggression (pp. 63-97). Washington: Taylor & Francis.

Malamuth, N.M., & Heilmann, M.F. (1998). Evolutionary psychology and sexual aggression. In C. Crawford & D.L. Krebs (Eds.), Handbook of evolutionary psychology. Ideas, issues and applications (pp. 515-542). London: LEA.

Malamuth, N.M., Linz, D., Haevey, C.L., Barnes, G., & Acker, M. (1995). Using the confluence model of sexual aggression to predict men's conflict with women: A 10 year follow-up study. Journal of Personality and Social Psychology, 69, 353-369.


24

Gijs

Malamuth, N.M., Sockloskie, R., Koss, M.P., & Tanaka, J. (1991). The characteristics of aggressors against women: Testing a model using a national sample of college students. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 52, 670-681.

Maletzky, B.M. (1998). The paraphilias: Research and treatment. In P.E. Nathan & J.M. Gorman (Eds.), A guide to treatments that work (pp. 472-500). Oxford: Oxford University Press.

Marshall, W.L. (1989). Intimacy, loneliness and sexual offenders. Behaviour Research and Therapy, 27, 691-503.

Marshall, W.L. (1996). Assessment, treatment and theorizing about sex offenders. Criminal Justice and Behavior, 23, 162-199.

Marshall, W.L. (1997). Pedophilia. Psychopathology and theory. In D.R. Laws & W. O'Donohue (Eds.), Sexual deviance. Theory, assessment and treatment (pp. 152-174). New York: Guilford Press.

Marshall, W.L. (1999). Diagnosing and treating sexual offenders. In A.K. Hess & R.B. Weiner (Eds.), Handbook of forensic psychology (2nd ed., pp. 640-670). New York: Wiley.

Marshall, W.L. (2001). Attachment programs in the etiology and treatment of sexual offending. In W. Everaerd, E. Laan & S. Both (Eds.), Sexual appetite, desire and motivation: Energetics of the sexual system (pp. 135-143).

Marshall, W.L., & Barbaree, H.E. (1990a). An integrated theory of the etiology of sex offending. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of offender (pp. 257-275). New York: Plenum.

Marshall, W.L., & Barbaree, H.E. (1990b). Outcome of comprehensive cognitive-behavioral treatment programs. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of the offender (pp. 363-385). New York: Plenum.

Marshall, W.L., & Fernandez, Y.M. (2000). Phallometric testing with sexual offenders: Limits to its value. Clinical Psychology Review, 20, 807-822.

Marshall, W.L., Fernandez, Y.M., & Cortoni, F. (1999). Rape. In V.B. van Hasselt & M. Hersen (Eds.), Handbook of psychological approaches with violent offenders. Contemporary strategies and issues. (pp. 245-266). New York: Plenum.

Marshall, W.L., Laws, D.R., & Barbaree, H.E. (1990a). Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of the offender. New York: Plenum.

Marshall, W.L., Laws, D.R., & Barbaree, H.E. (1990b). Issues in sexual assault. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and the treatment of the offender (pp.3-7). New York: Plenum.

Marshall, W.L., Laws, D.R., & Barbaree, H.E. (1990c). Present status and future directions. In W.L. Marshall, D.R. Laws & H.E. Barbaree (Eds.), Handbook of sexual assault. Issues, theories and treatment of the offender (pp. 389-395). New York: Plenum.

Mey, Vander (1992). Theories of incest. In W. O'Donohue & J.H. Geer (Eds.), The sexual abuse of children. Volume 1: Theory and research (pp. 204-260). London: LEA.

Morff, C.C., & Rhodewalt, F. (2001). Unraveling the paradoxes of narcissism. A dynamic self-regulatory processing model. Psychological Inquiry, 12, 177-196.

Muehlenhard, C.L., Danoff-Burg, S., & Powch, I.G. (1996). Is rape sex or violence? Conceptual issues and implications. In D.M. Buss & N.M. Malamuth (Eds.), Sex, power, conflict. Evolutionary and feminist perspectives (pp. 119-137). Oxford: Oxford University Press.

Muehlenhard, C.I., Powch, I.G., Phelps, J.L., & Giusti, L.M. (1992). Definitions of rape: Scientific and political implications. Journal of Social Issues, 48, 23-44.

Okami, P. (1990). Sociopolitical biases in contemporary scientific literature on adult human sexual behavior with children and adolescents. In J.R. Feierman (Ed.), Pedophilia. Biosocial dimensions (pp. 91-121). New York: Springer Verlag.

Porter, S., Fairweather, D., Drugge, J., Herve, H., Birt, A., & Boer, D.P. (2000). Profiles of psychopathy in incarcerated sexual offenders. Criminal Justice and Behavior, 27, 216-233.

Prentky, R.A., Burgess, A.W., Rokous, F., Lee, A., Hartman, C., Ressler, R., & Douglas, M. (1989). The presumptive role of fantasy in serial sexual homicide. American Journal of Psychiatry, 146, 887-891.

Quinsey, V.L., & Lalumiere, M.L. (1995). Evolutionary perspectives on sexual offending. Sexual Abuse, 7, 301-315.

Raymond, R.C., Coleman, E., Ohlerking, F., Christenson, G.A., & Miner, M. (1999). Psychiatric co-morbidity in pedophilic sex offenders. American Journal of Psychiatry, 156, 786-788.

Ressler, R.K., Burgess, A.W., & Douglas, J.E. (1988). Sexual homicide. Patterns and motives. Lexington Books.

Roiphe, K. (1993). The morning after. Sex, fear and feminism on campus. Boston: Little Brown and Company.

Rosen, I. (Ed.)(1996, 3th ed.). Sexual deviation. Oxford: Oxford University Press.

Rozee, P.D. (1993). Forbidden or forgiven? Rape in cross-cultural perspective. Psychology of Women Quarterley, 17, 499-514.

Russell, D.E.H. (1984). Sexual exploitation. Rape, child sexual abuse, and workplace harassment. London: Sage.

Russell, D.E.H. (1988). Pornography and rape: A causal model. Political Psychology, 9, 41-73.

Russell, D.E.H. (1998). Dangerous relationships. Pornography, misogyny and rape. London: Sage.

Russell, D.E.H. & Bolen (2000). The epidemic of rape and child sexual abuse in the United States . London: Sage.

Salmivalli, C. (2001). Feeling good about one-self, being bad to others? Remarks on self-esteem, hostility and aggressive behavior. Aggression and Violent Behavior, 6, 375-393.

Schwartz, M.D., & Dekeseredy, W.S. (1997). Sexual assault on the college campus. The role of male peer support. London: Sage.

Seto, M.C., & Barbaree, H.E. (1997). Sexual aggression as antisocial behavior: A developmental model. In D.M. Stoff, J. Breiling & J. Maser (Eds.), Handbook of antisocial behavior (pp. 524-533). New York: Wiley.

Seto, M.C., & Barbaree, H.E. (1999). Psychopathy, treatment behavior, and sex offender recidivism. Journal of Interpersonal Violence, 14, 1235-1248.

Seto, M.C., Maric, A., & Barbaree, H.E. (2001). The role of pornography in the etiology of sexual agression. Agression and Violent Behavior, 6, 35-53.

Tardif, M., & Van Gijseghem, H. (2001). Do pedophiles have a weaker identity structure compared with nonsexual offenders? Child Abuse & Neglect, 25, 1381-1394.

Thornhill, R., & Palmer, C.T. (2001). A natural history of rape. Biological basis of sexual coercion. London: The MIT Press.

Thornhill, R., & Thornhill, N.W. (1992). The evolutionary psychology of men's coercive sexuality. Behavioral and Brain Sciences, 15, 363-421.

Tubex, H. (2000). Seksuele delinquentie doorheen de strafprocessus. In C. Dillen & P. Cosyns (Red.), Behandeling van seksuele delinquenten in België (pp. 9-42). Leuven: Garant.

Ward, T., & Hudson, S.M. (1998). The construction and development of theory in the sexual offending area: A meta-theoretical framework. Sexual Abuse, 10, 47-63.

Waldner-Haugrud, L.K. (1999). Sexual coercion in lesbian and gay-relationships: A review and critique. Aggression and Violent Behavior, 4, 139-149.

Zeegers, N. (1999). Dwang en vrijwilligheid in heteroseksuele relaties. De politieke strijd over verkrachting in het strafrecht 1975-1995. Amsterdam: Thela Thesis.


Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

25

Summary

Theories of the aetiology of sexually agressive behaviour: an introductory review

Sexually aggressive behaviour is behaviour committed regularly. For example Koss et al (1987) found that 53.7% of their large sample consisting of female students (N=3187) reported that they had been victims of sexual aggression. How does this aggression develop? In this article a survey is given of the most influential general theories on the development of sexually aggressive behaviour during the past 25 years. Marshall's biopsychosocial theory, Malamuth's confluence model and the feminist theories by Abbey, Russell, Schwartz and Dekeseredy are dealt with. All these theories consider sexual aggression to be a problem of behavioural regulation. Moreover, there is consensus about the fact that sexually aggressive behaviour is complex behaviour which is determined biopsychosocially and multifactorially.

After describing the various theories, some evaluative comment is given. It concerns (meta-)theoretical developments, methodical shortcomings and a lack of clinical relevance in the theories discussed. The conclusion is that the ancient ideal that a good theory is an empirically validated theory, which offers insight into the development of sexually aggressive behaviour and leads to effective, diagnostic procedures and interventions based on this theory, is by no means realized.