|
Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 4-8 | ||||
|
Strafbare seksualiteit en seksueel deviant gedrag: definities en prevalenties1
Jos Frenken2
Welke seksuele gedragingen worden in Nederland strafbaar gesteld? Wat is de omvang van de seksuele criminaliteit? Mensen kunnen ook in behandeling komen als zij al dan niet strafbaar parafiel gedrag vertonen en daaronder lijden. Wat is parafilie en welke parafilieën kunnen worden onderscheiden? Dit inleidend artikel geeft definities en prevalentiecijfers. Het blijkt dat _op een enkele uitzondering na- er weinig betrouwbare gegevens voorhanden zijn over afwijkend seksueel gedrag. | ||||
|
Aard en omvang van strafbaar seksueel gedrag
Het Nederlandse Wetboek van Strafrecht stelt een aantal seksuele gedragingen strafbaar. Verkrachting: Het seksueel binnendringen van een lichaamsopening door middel van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid - bijvoorbeeld psychische druk _ van een man of vrouw, binnen of buiten het huwelijk. Aanranding: het dwingen van een persoon tot het plegen of dulden van seksuele handelingen anders dan penetratie met (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid. Ontucht: seksueel binnendringen van een beneden 12-jarige, of van een 12-16 jarige maar in dat geval alleen als het kind, een ouder of de kinderbescherming een klacht indient, of van een bewusteloze of van een persoon met een ernstige lichamelijke, verstandelijke of psychische handicap. Ook andere seksuele handelingen dan het binnendringen van een persoon uit deze categorieën zijn strafbaar. Ontucht met misbruik van gezag: seksueel contact met een beneden 18-jarige in een afhankelijksrelatie (ouder-kind, leraar-leerling) of met een meerderjarige die aan het gezag van de pleger is onderworpen of aan zijn zorg is toevertrouwd (arts-patiënt, hulpverlener-cliënt, docent-student). Schennis van de eerbaarheid: het in het openbaar opzettelijk tonen van de geslachtsorganen (exhibitionisme) of het in het openbaar plegen van seksuele handelingen. Pornografie: het ongevraagd aanbieden van pornografie, het aanbieden van pornografie aan een beneden 16-jarige en het gebruik van een beneden 16-jarige voor het vervaardigen van te verspreiden kinderpornografie en het bezit van kinderpornografie. Verkrachting is geregeld in artikel 242 Wetboek van |
Strafrecht (r.). Aanranding in artikel 246. Ontucht in artikel 244, 245, 247, 248ter en 249. Schennis van de eerbaarheid in artikel 239 en Pornografie in artikel 240, 240a, 240b. Aspecten van de zedelijkheidswetgeving en seksuele criminaliteit in België worden beschreven in Tubex (2000).
Aanranding en verkrachting
Het aantal seksuele misdrijven in elk van de genoemde categorieën is moeilijk te bepalen. Plegers zijn over het algemeen niet genegen hun daden te bespreken. Alleen op indirecte wijze valt een globaal beeld te schetsen van de omvang van seksueel geweld, namelijk uit de periodieke slachtofferstudies van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). 2% van de vrouwen van 15 tot 79 jaar geeft in elk van die onderzoeken aan buitenshuis of binnenshuis geconfronteerd te zijn met één of meer ongewenste seksuele contacten door een bekende of onbekende gedurende het afgelopen jaar. Omgerekend zijn dat 170.000 vrouwen. De overgrote meerderheid van de voorvallen wordt `vervelend of kwetsend gedrag' genoemd. Een op de tien voorvallen werd ervaren als `een poging tot verkrachting of aanranding' terwijl bij 2% tot 4% van de gebeurtenissen sprake zou zijn van een daadwerkelijke verkrachting of aanranding. Vooral in de horeca, op het werk, op school en op straat doen zich deze seksuele delicten voor en overwegend bij ongehuwde vrouwen van 15 tot 39 jaar die buitenshuis werken, studeren of in een grote stad wonen. De aantallen voorvallen zijn redelijk constant over de jaren 1992 en 1999 (WODC, 2001). In 1990 werden 3562 aanrandingen en verkrachtingen bij de politie aangegeven, in 1999 waren dat er 4734, een stijging van 33%. Wat aangegeven wordt, is waarschijnlijk niet meer dan 20 procent van alle, uit | |||
|
1 Geaccepteerd voor publicatie: 21 januari 2002. 2 Prof. dr. J. Frenken, psycholoog/ seksuoloog NVVS. Leids Universitair Medisch Centrum en Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch Onderzoek, Postbus 9022, 3506 GA Utrecht, Nederland, e-mail: J.Frenken@nisso.nl | ||||
|
Strafbare seksualiteit en seksueel deviant gedrag: definities en prevalenties | ||||||
|
5 | ||||||
|
de CBS- slachtofferenquêtes af te leiden, serieuze strafwaardige seksuele delicten. Het zogenaamde dark number is dus zeer groot. Vooral aanrandingen en verkrachtingen die door onbekenden worden gepleegd met veel fysiek geweld of dreiging van ernstig lichamelijk letsel worden aangegeven (Van der Heijden, 1984). In Vlaanderen zijn survey-onderzoeken verricht naar de lifetime prevalence van aanranding, verkrachting en seksueel misbruik in de jeugd. Uit het onderzoek van Vandeweghe e.a. (1988) blijkt dat van de ondervraagde vrouwen (N= 953) 7% ooit zeer ernstig seksueel misbruik of geweld heeft meegemaakt (penetratie of pogingen daartoe), 5% matig misbruik heeft meegemaakt (bijvoorbeeld iemand moeten masturberen) en 16% te maken heeft gehad met minder ernstig misbruik (betast worden boven of onder de kleding). De replicatie van deze studie (Bruynooghe e.a. (1998)) bij 783 vrouwen toont een ongeveer gelijksoortig beeld. Verder rapporteerde een op de tien mannen (de N was 656) ooit _vanaf de kindertijd tot heden- een matige of ernstige seksuele misbruikervaring te hebben meegemaakt.
Seksueel misbruik van kinderen
Onder seksueel misbruik van kinderen verstaan we seksuele contacten van (jong) volwassenen met kinderen jonger dan 16 jaar, die plaatsvinden tegen de zin van het kind of zonder dat het kind deze contacten kan weigeren. Daders zetten het kind emotioneel onder druk, dwingen het of weten door hun overwicht te bereiken dat het zich niet aan de seksuele toenaderingen kan onttrekken. Uit landelijk Nederlands onderzoek (Draijer, 1988) blijkt dat ruim vijftien procent van de vrouwen voor het zestiende levensjaar een of meer negatieve seksuele ervaringen heeft meegemaakt met een gezins- of familielid. Iets meer dan de helft van deze slachtoffers is ernstig misbruikt: er waren herhaalde verkrachtingen of pogingen tot verkrachting, er werden andere ingrijpende seksuele handelingen afgedwongen óf er was sprake van verschillende daders. In eenderde van de gevallen betrof het een eenmalige gebeurtenis, bij eenderde deel ging het om meer dan vijf keer en bij het resterende deel om veel voorkomende gebeurtenissen over een lange periode. De daders waren voornamelijk vaders, oudere broers en ooms. Eén procent van de (mede-) plegers was vrouw. Daarnaast is 24 procent van de vrouwen in hun jeugd geconfronteerd met (meestal eenmalig) seksueel misbruik door iemand die niet tot de familiekring behoorde: een oudere jongen, een onderwijzer, een buurman, de vader van een vriendinnetje, een |
volwassen vriend van het gezin of een onbekende man. In bijna de helft van deze gevallen deed de dader een poging tot verkrachting of dwong het slachtoffer tot masturbatie. Als we de gebeurtenissen binnen en buiten de kring van verwanten combineren, blijkt dat bijna 40% van de vrouwen vóór het zestiende levensjaar een of meer ervaringen met seksueel misbruik heeft gehad. De meest voorkomende leeftijd waarop kindermisbruik voorkomt, ligt tussen de acht en twaalf jaar. Naar seksueel misbruik van jongens is in ons land nog geen landelijk onderzoek verricht. Buitenlandse studies tonen aan dat drie tot negen procent van de jongens misbruikervaringen kent, meestal gepleegd door mannen buiten de kring van familieleden (Peters, 1988). Elk jaar neemt de politie ongeveer 2500 aangiften op van seksueel misbruik van een kind of jongere. Het aantal misbruikzaken dat het openbaar ministerie behandelt is de laatste jaren eveneens redelijk stabiel. Het gaat om ongeveer 2050 tot 2350 zaken per jaar (Jaarverslag Openbaar Ministerie, 2001). Het OM seponeert ongeveer 40% van alle aangiften om verschillende redenen (onvoldoende bewijs, geen overtuiging, geringe ernst van het feit) en doet een derde van de gevallen zelf af: transactie, taakstraf of voorwaardelijk sepot indien behandeling wordt geaccepteerd. Het resterende aantal misbruikzaken waarin de rechter een beslissing neemt, schommelt van 1997 tot en met 1999 tussen de 500 en 550 per jaar voor meerderjarige verdachten en bedraagt circa 135 per jaar voor minderjarige verdachten. Het aantal misbruikzaken waarbij moord en doodslag plaatsvinden is gemiddeld, hoe ernstig ook, nog geen drie per jaar (gerekend tussen 1992 en 2000). De kans dat een kind dodelijk slachtoffer wordt van een pleger van seksueel geweld is dus heel klein.
Schennis van de eerbaarheid
Hoeveel mannen (en vrouwen) genitaal toongedrag vertonen, is onbekend. Volgens de CBS-slachtoffer enquêtes worden jaarlijks twee tot drie procent van de vrouwen van 15-79 jaar geconfronteerd met exhibitionistisch gedrag. Het betreft _omgerekend naar alle vrouwen_ ongeveer 140.000 vrouwen. Jonge vrouwen hebben er meer last van: zo'n 15 tot 20 procent (Beukenhorst, 1994). Omdat een deel van de mannen dit gedrag frequent vertoont, is hun aantal beduidend kleiner dan het aantal voorvallen. Het aantal aangiften daalde van 4.334 in 1990 tot 2.333 in 1999, een daling van 46%. 900 van de gevallen (39%) werden in 1999 opgehelderd en 540 zaken werden door het OM behandeld en 170 door de rechter afgedaan (WODC, 2001). | |||||
|
6 | ||||||
|
Frenken | ||||||
|
De confrontatie met een exhibitionist wordt door 46 procent van de vrouwen en door 28 procent van de mannen als beangstigend of zeer beangstigend ervaren, zo bleek uit een onderzoek onder een steekproef van 140 Leidse medische studenten (Frenken, 1984). Het betrof dan angst voor seksueel geweld. Minderjarige exhibitionisten behoren tot een kleine minderheid (zo'n 70 gevallen per jaar bij de politie); de meerderheid van deze mannen is tussen de 20 en 40 jaar oud. Schennisplegers hebben een hoog recidivepercentage: 57 procent van de tussen 1975 en 1982 veroordeelde exhibitionisten is al eens eerder veroordeeld wegens een of ander bekend geworden delict, meestal schennis (Van der Heijden, 1984). Sommige gewoonte-exhibitionisten gaan over tot aanranding (ook van kinderen) maar hoeveel is niet bekend.
Minderjarige plegers
Het aantal minderjarige verdachten (beneden de 18 jaar) van seksuele misdrijven dat door de politie de afgelopen tien jaar is verhoord, is explosief gestegen. Van, bijeengenomen 311 aanrandingen, verkrachtingen van leeftijdgenoten of volwassenen en gevallen van misbruik van kinderen in 1990 tot 898 in 1999, een toename van 190 procent (Van Wijk, 2000). Een verklaring van de stijging kan liggen in een grotere aangiftebereidheid bij de slachtoffers of hun ouders. Maar er kan ook sprake zijn van een reële toename. Het aantal minderjarige verdachten van niet-seksuele geweldsmisdrijven dat gehoord werd in dezelfde periode steeg van 3505 naar 9807, een stijging van 180 procent (Ongepubliceerde mededeling van het WODC, 2001). Deze gegevens suggereren dat seksueel geweld van jongeren deel uit maakt van een patroon van toenemend algemeen gewelddadig gedrag.
Antecedenten van verdachten
Van de in 1998 verdachten van aanranding, verkrachting en/ of seksueel misbruik van kinderen was 53% een first offender of een "nieuwkomer". Zij hebben geen (bekend geworden) antecedenten voor een of ander seksueel of niet-seksueel delict. 38% van de verdachten had 2 tot en met 10 antecedenten en kunnen als "bekende verdachte" worden beschouwd. 9% kunnen "veelplegers" genoemd worden; zij hebben 11 of meer antecedenten voor enigerlei delict (WODC, 2001, pag. 332). Onder de nieuwkomers, vaak minderjarigen, zijn er veel die na één keer stoppen met het seksueel deviante gedrag, maar anderen ontwikkelen in de volwassenheid een deviante loopbaan. De | ||||||
|
veelplegers die 11 of meer antecedenten hebben, zijn verantwoordelijk voor meer dan 50% van het totale aantal (seksuele en niet-seksuele) antecedenten van de in 1998 van een seksueel delict verdachte mannen (WODC, 2001, pag. 77). Dus een klein deel van de verdachten (9%) van een seksueel delict in 1998 is ook verantwoordelijk voor een relatief groot aantal eerdere seksuele delicten. Waarschijnlijk betreft het mensen met één of meerdere verschillende parafilieën en/of met een antisociale persoonlijkheidstendentie.
Parafilieën
Mensen die strafbaar seksueel gedrag vertonen, zijn niet per definitie psychisch gestoord; aanranding en verkrachting is meestal gewoon anti-sociaal gedrag. Er is echter een kleine categorie mensen die een psychoseksuele stoornis hebben die parafilie wordt genoemd. De DSM-IV-TR van de Amerikaanse psychiatrische Associatie (APA) (2000) definieert parafilieën als duurzame intens seksueel opwindende fantasieën, impulsen of gedragingen die gericht zijn op ongebruikelijke objecten of stimulering. Figuur 1 beschrijft de belangrijkste parafilieën, die door de DSM onderscheiden worden. Sommige parafilieën zijn strafbaar, andere niet. Om aan de diagnose parafilie te voldoen dienen de parafiele fantasieën, impulsen en/of handelingen 1. als ego-dystoon (ik-vreemd) beleefd te worden, 2. beperkingen met zich mee te brengen in het sociale functioneren en 3. lijdensdruk te veroorzaken. Als er geen subjectief lijden of geen sociale beperkingen of geen delinquentie is, dan mogen parafiele handelingen niet als parafilie in de zin van psychische stoornis gediagnosticeerd worden. Probleemloos fetisjisme is als normaal te waarderen, maar bij een ander die daaronder lijdt, is psychotherapie aangewezen. Deze ambivalentie geldt bij bijna alle andere parafilieën als bijvoorbeeld travestie, voyeurisme, frotteurisme, consensuele SM. Er zijn vloeiende overgangen tussen psychische stoornis en normale uitdrukkingsvormen. Gaat het om strafbare parafilieën dan gaat de DSM-IV-TR uit van "psychische stoornis", omdat sociale en beroepsmatig conflicten en beperkingen altijd wel verbonden zijn aan het delinquente gedrag, ook al is er geen subjectieve lijdensdruk. Juridisch is dan de grens overschreden van dwang, manipulatie, exploitatie, vernedering en inperking van de zelfbepaling van de ander, bijvoorbeeld bij pedofilie, exhibitionisme en obscene telefoongesprekken.
Prevalentie en incidentie
Hoe vaak parafilieën voorkomen in de populatie is niet | ||||||
|
Strafbare seksualiteit en seksueel deviant gedrag: definities en prevalenties | ||||||||
|
7 | ||||||||
|
Figuur 1. Overzicht van parafilieën (DSM-IV-TR)
Gedurende een periode van tenminste zes maanden recidiverende, intense seksueel opwindende fantasieën, seksuele drang of gedragingen,
... die het tonen van de geslachtsorganen aan een nietsvermoedende vreemde met zich meebrengen (Exhibitionisme 302.4).
die het gebruik van niet-levende objecten met zich meebrengen (bijvoorbeeld lingerie) (Fetisjisme, 302.81)
die het zonder instemming aanraken van en wrijven tegen iemand met zich meebrengen (Frotteurisme, 302.89).
die seksuele handelingen met één of meer kinderen in de prepuberteit (in het algemeen dertien jaar of jonger) met zich meebrengen. Reken hier niet de oudere adolescent toe die een vaste seksuele relatie heeft met een twaalf- of dertienjarige (Pedofilie, 302.2).
die handelingen (echte, niet gesimuleerde) met zich meebrengen waarbij betrokkene vernederd, geslagen of vastgebonden of op een andere manier gepijnigd wordt (Seksueel masochisme, 302.83).
die handelingen (echte, niet gesimuleerde) met zich meebrengen waarbij betrokkene opgewonden raakt door het psychisch en lichamelijk lijden (met in begrip van vernedering) van het slachtoffer (Seksueel sadisme, 302.84).
bij een heteroseksuele man, die het dragen van kleding van de andere sekse met zich meebrengen (Transvestitisme, 302.3).
die het kijken naar iemand die niets vermoedt en die naakt, zich aan het uitkleden of seksueel actief is, met zich meebrengen (Voyeurisme, 302.82). | ||||||||
|
bekend, omdat representatieve studies ontbreken. Er is ook nooit onderzoek gedaan naar het percentage strafrechtelijke daders dat een of meer parafilieën heeft. De hierboven besproken "veelplegers", die maar liefst 11 of meer antecedenten hebben, vormen 9% van alle verdachten van een seksueel delict in een bepaald jaar. Het aantal parafiel georiënteerde plegers onder hen is waarschijnlijk verhoudingsgewijs groot. In die subgroep zullen voorkomen: exhibitionisten, pedofielen en de parafiel georiënteerde seksualiserende en sadistische verkrachters (Frenken, 1997). Het vermoeden bestaat dat parafilieën bij vrouwen praktisch niet of uiterst zelden worden aangetroffen. Prevalentie-schattingen zijn wel voor SM gemaakt en er wordt een verhouding vermoed van 20 mannen op 1 vrouw (APA, 2000). Daarnaast heerst er een opvatting dat vrouwelijke parafilieën dáárom zo zelden worden gediagnosticeerd, omdat ze vaak en zonder verdere differentiëring tot de symptomatiek van andere psychische stoornissen gerekend worden, zoals bijvoorbeeld de borderline personality stoornis, anorexia of bulimia, die beduidend vaker bij vrouwen dan bij mannen gezien worden. Maar er zijn ook andere speculatieve verklaringen geopperd voor het sekseverschil (Frenken, 1984;Gijs, 1998). Om een bijzondere sek |
suele voorkeur te kunnen koesteren moet de persoon kunnen objectiveren, partialiseren (alleen op een deel letten) en afstand nemen. Mannen worden in onze cultuur meer dan vrouwen daartoe gesocialiseerd: mannen leren te fetisjeren. Mannen kunnen zich ook scherper als afgegrensd van een ander beleven. Dit bevordert het onafhankelijk kunnen zijn van de seksuele partner en dus de mogelijkheid tot objectiveren. Tenslotte leren mannen sterker dan vrouwen alert te zijn op en te reageren op seksuele prikkels. Ze seksualiseren sterker hun waarnemingsveld en kunnen seksualiteit en affectie gemakkelijker van elkaar scheiden. Zo lopen ze de kans _meer dan vrouwen- te blijven `hangen' aan cultureel afwijkende seksuele objecten, partners en prikkelsituaties. In de algemene klinische praktijk worden parafilieën zelden gediagnosticeerd. In de onder andere op behandeling van strafbare parafilieën gerichte forensische klinieken, afdelingen of poli's komen vooral pedofilie en exhibitionisme voor (Van der Linden en Steketee, 1999). Andere vormen zoals seksueel masochisme of sadisme worden zelden gezien. En al helemaal zelden zoeken voyeuristen, frotteuristen en travestieten psychotherapeutische hulp (Vroege e.a., 2001). Aan de andere kant wekt de commerciële markt voor parafiele pornografie en hulpmiddelen de indruk | |||||||
|
8 | ||||||
|
Frenken | ||||||
|
dat parafilieën in onze maatschappij tamelijk verbreid zijn en dat tussen parafilie als psychische storing en parafilie als normale uitdrukkingsvorm van seksueel gedrag vloeiende overgangen bestaan.
Besluit
Het in kaart brengen van de omvang van de seksuele criminaliteit is moeilijk vanwege het _op een enkele uitzondering na- ontbreken van deugdelijk onderzoek. Alleen op indirecte wijze valt een globaal beeld te schetsen van de omvang van seksueel geweld, namelijk uit de periodieke slachtofferenquêtes van het Centraal Bureau voor de Statistiek en uit de door de politie geregistreerde seksuele criminaliteit. De jaarincidentie voor aangiften van aanrandingen en verkrachtingen van volwassenen en seksueel misbruik van kinderen nam significant toe tussen 1992 en 2000 terwijl er geen stijging was in de aangiftebereidheid. Slechts een fractie van de in de slachtofferenquêtes van het CBS genoemde strafwaardige gebeurtenissen wordt bij de politie aangegeven. Het percentage seksuele delinquenten met een parafiele oriëntatie is onbekend. Het aantal bij de politie geregistreerde seksuele delicten door minderjarigen gepleegd, is de laatste tien jaren fors toegenomen en loopt parallel met hun niet-seksuele geweldscriminaliteit. Het is niet bekend of allochtone jongeren verhoudingsgewijs oververtegenwoordigd zijn als zij vergeleken worden met autochtone jongeren met dezelfde demografische en sociaal-economische achtergrond. Ook dit zou moeten worden onderzocht.
Literatuur
American Psychiatric Association (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Fourth Edition, Text Revision. Washington DC: American Psychiatric Association. Beukenhorst, D.J. (1994). Geweldsdelicten in de enquête rechtsbescherming en veiligheid. Kwartaalbericht Rechtsbescherming en Veiligheid, 7, 39-47. Bruynooghe, R., Noelanders, S., & Opdebeeck, S. (1998). Geweld ondervinden, gebruiken en voorkomen. Diepenbeek: Limburgs Universitair Centrum. Draijer, N. (1988). Seksueel misbruik van meisjes door verwanten; een landelijk onderzoek naar de omvang, de aard, de gezinsachtergronden, de emotionele betekenis en de psychische en psychosomatische gevolgen. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken. Frenken, J. (1984). Anders denken over `afwijkend' seksueel gedrag. In J. Frenken & J. Doomen (Red.), Strafbare seksualiteit. Opvattingen en aanpak van politie, justitie en hulpverlening (pp. 13-30). Deventer: Van Loghum Slaterus. Frenken, J. (1997). Seksuele misdrijven en seksuele delinquenten. In P.J. van Koppen, D.J. Hessing & H.F.M. Crombach (Red.), Het Hart van de Zaak; Psychologie van het Recht (pp. 177-219). Deventer: Gouda Quint. |
Gijs, L. (1998). Parafilieën; over seksuele oriëntaties in het spanningsveld tussen atypische variatie en pathologische stoornis. In A.K. Slob, C.W. Vink, J.P.C. Moors & W. Everaerd (Red.). Leerboek seksuologie (pp. 345-362). Houten/ Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum. Heijden, A. van der (1984). Seksuele criminaliteit, 1975-1982. Maandstatistiek Politie, Justitie en Brandweer, 2, 6-26. Jaarverslag Openbaar Ministerie 2000(2001). Den Haag: Voorlichtingsdienst Openbaar Ministerie. Linden, P. van der, & Steketee, M. (1999). Daderhulpverlening in Nederland. Utrecht: TransAct. Peters, S.D. (1988). Child sexual abuse and later psychological problems. In G.E. Wyatt & G.J. Powel (Red.), Lasting effects of child sexual abuse (pp. 101-117). Newbury Park: Sage. Tubex, H. (2000). Seksuele delinquentie doorheen de strafprocessus. In C. Dillen & P. Cosijns (red.). Behandeling van seksuele delinquenten in België (pp. 9-42). Leuven/ Apeldoorn: Garant. Vandeweghe, R., Bruynooghe, R., & Opdebeeck, S. (1988). Ervaringen van vrouwen met fysiek en seksueel geweld; prevalentie en gevolgen. Diepenbeek: Limburgs Universitair Centrum. Vroege, J., Nicolaï, L., & Wiel, H. van de (2001). Seksualiteitshulpverlening in Nederland. Delft: Eburon. WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) (2001). Criminaliteit en rechtshandhaving 2000. Rapport in de serie Onderzoek en beleid nr. 189. Den Haag: WODC. Wijk, A.Ph. van (2000). Een verkennend onderzoek naar jeugdige zedendelinquenten. Arnhem/ Amsterdam: Adres- en Onderzoeksgroep Beke/ Vrije Universiteit.
English Summary
Criminal and deviant sexual behavior; definitions and prevalence.
This article describes which sexual behaviors are punishable in the Dutch Penal Code. Figures are given from the police statistics concerning annual incidence of registered sexual crimes: rape, sexual assault, child sexual abuse and indecent exposure. Data is also presented from Dutch and Flemish, random sample, victim studies regarding the annual incidence or lifetime prevalence of sexual violent acts. Parafilia's, some of which are punishable, are described, and the possible explanations for sex differences are given. | |||||