Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 113

HOOFDREDACTIONEEL:

Gaat het nu wel of niet goed met de seksuologie?

Jacques van Lankveld

Gaat het nu wel of niet goed met de seksuologie? Wanneer we Van de Wiel (2001) in het vorige num-mer van het Tijdschrift voor Seksuologie als bron raadplegen gaat de seksuologie gouden tijden tegemoet, op voorwaarde dat de seksuoloog zijn produkt goed op de markt brengt. En in dit nummer getuigt ook Slob (2001) van een flinke dosis optimisme, bij gelegenheid van zijn afscheid als bijzonder hoogleraar seksuologie in Rotterdam. Is dat het optimisme van mensen die er mee ophouden? Beiden nemen afscheid van de seksuologie.

Voor een flink aantal actieve seksuologen in Nederland die er eigenlijk helemaal niet over piekeren om een punt achter hun seksuologische carriëre te zetten dreigt echter zwaar weer. De berichten zijn dat de Rutgers Stichting zoals we die kenden op korte termijn haar deuren gaat sluiten en, in nog verder afgeslankte vorm, verder zal gaan als Kennis- en Expertisecentrum. Voor de artsen en therapeuten die hun baan verliezen een slechte zaak, net als voor de cliënten die om hulp aankloppen. Andere werkgevers in de seksuologische hulpverlening zijn schaars. En het opstarten van een eigen praktijk op basis van de seksuologiekwalificatie is momenteel slechts heel beperkt mogelijk. Men moet al een andere beroepskwalificatie bezitten die erkend is in de wet BIG om een beroep op de ziektekostenverzekeraars te kunnen doen, en ook dan zijn de mogelijkheden beperkt. Maar wellicht hebben degenen die er op de korte termijn niet (meer) van afhankelijk zijn, wel een helderder kijk op de toekomst.

Er zijn onlangs enkele prijzen uitgereikt in het seksuologische vakgebied. De Herman Musaphprijs voor de Europeaan die zich in de afgelopen jaren uitzonderlijk verdienstelijk heeft gemaakt voor de seksuologie is, direct na afloop van zijn afscheidscollege op 29 juni j.l., toegekend aan Koos Slob, onder meer vanwege zijn 13-jarig hoofdredacteurschap van ons Tijdschrift. We drukken het bij de prijs horende getuigschrift hiernaast af. Marco Blanker, samen met anderen verantwoordelijk voor een zeer gedegen studie naar de seksualiteit van oudere mannen (de 'Krimpen-studie'), ontving van de Stichting ter Bevordering van de Seksuologie in de Huisartspraktijk de Seksuologieprijs 2001. Over beide prijzen vindt u meer in dit nummer van het TvS,

dat verder een aantal zeer interessante bijdragen bevat.

Literatuur

Slob, A.K. (2001). Seksuologie, een vak om warm voor te lopen. Tijdschrift voor Seksuologie 25, 3: 116-123.

Wiel, H.B.M. van de (2001). Gouden tijden. Tijdschrift voor Seksuologie 26, 2: 57-58.



Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 114

Stichting ter bevordering van de seksuologie in de huisartspraktijk kent de seksuologieprijs 2001 toe aan Marco H. Blanker

Het bestuur van de Stichting kent dit jaar de SEKSUOLOGIEPRIJS 2001 toe aan Marco H. Blanker, arts in opleiding tot huisarts-onderzoeker. Hij heeft in het kader van de zogenaamde Krimpen-studie onderzoek gedaan naar en gepubliceerd over: Erectiestoornissen en ejaculatiestoornissen bij mannen van 50 tot 78 jaar; de prevalentie van die stoornissen, de mate waarin men daarvan hinder ondervindt, alsmede de relatie ervan tot hun seksuele activiteit. Ook onderzocht hij: Determinanten van erectiestoornissen bij diezelfde oudere mannen. De prijs werd hem d.d. 21 juni 2001 uitgereikt op de NHG-Wetenschapsdag De Meervaart Amsterdam.

De data werden verzameld in het kader van een longitudinale open populatie studie naar (dis)functie van lage urinewegen en welbevinden bij mannen van 50 tot 78 jaar in het Gezondheidscentrum te Krimpen aan den IJssel en de Polikliniek Urologie van het Academisch Ziekenhuis Dijkzicht te Rotterdam (M.H. Blanker, F.P.M.J. Groeneveld, A. Prins, A.M. Bohnen en J.L.H.R. Bosch). De respondenten werden ook bevraagd over hun seksleven. Men was niet alleen nieuwsgierig naar het voorkomen van erectie- en ejaculatiestoornissen, maar vooral ook naar de ernst daarvan in de ogen van de patiënt zelf. Collega Blanker heeft sinds 1999 meegewerkt aan het bepalen van een juiste vraagstelling met betrekking tot seksueel disfunctioneren in deze studie. Hij kon ondertussen enkele resultaten in een paar Engelstalige tijdschriften publiceren (Blanker et al., 2000, 2001a, 2001b).

Het bestuur van de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk wil nadrukkelijk met het toekennen van de Seksuologieprijs 2001 aan Marco Blanker het hele onderzoeksteam lauweren voor initiatief en uitvoering van dit belangrijke onderzoek. Geheel in lijn met de resultaten van de Boxmeer-studie zal deze studie opzien baren. Vooral door de conclusie dat in feite in ons land relatief weinig oudere mannen hulp behoeven als ze geplaagd worden door erectie- of ejaculatiestoornissen. Huisartsen hoeven zich niet langer te generen voor het feit dat ze relatief weinig patiënten met erectie- en ejaculatiestoornissen op hun spreekuur zien. Ze doen hun werk - ook in de ogen van hun patiënten - goed als ze bepaalde bedreigde groepen op adequate en discrete wijze wel hulp aanbieden.

Ik maak van de gelegenheid gebruik een kritische noot met betrekking tot seksuologisch onderzoek, ook in de huisartspraktijk, te laten horen. Jammer is dat alleen onderzoek van de grond schijnt te komen dat op de een of andere manier gerelateerd is aan het voorschrijven van geneesmiddelen. En dat betekent in de praktijk dat er vrijwel geen onderzoek gedaan wordt naar seksuele stoornissen en disfuncties bij vrouwen. Ook naar de beleving en het lijden van de partner wordt, volgens ons, te weinig onderzoek gedaan.

We kunnen de seksuologieprijs prijs jaarlijks toekennen door de hulp van sponsoren uit de farmaceutische wereld. Momenteel zijn dat de firma's Byk Nederland, Organon Nederland en Pfizer. Onze stichting heeft hierdoor een bescheiden fonds ter beschikking voor het ondersteunen van seksuologisch onderzoek in de huisartspraktijk.

Dr. J.P.C. Moors, voorzitter van de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk

Literatuur

Blanker, M.H. et al. (2000). Strong effects of definition and nonresponse bias on prevalence rates of clinical benign prostatic hyperplasia: the Krimpen study of male urogenital tract problems and general health status. BJU International 85: 665-671.

Blanker, M.H. et al. (2001a). Erectile and ejaculatory dysfunction in a community-based sample of man 50 to 78 years old: prevalence, concern, and relation to sexual activity. Urology, 57: 763-768.

Blanker, M.H. et al. (2001b). Correlates for erectile and ejaculatory dysfunction in older Dutch men: A community-based study. JAGS 49: 436-442.


0 Buiten verantwoordelijkheid van de redactie. Geaccepteerd voor publicatie: 25 juni 2001.

Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 115

MUSAPHPRIJS VOOR MEDISCHE SEKSUOLOGIE TOEGEKEND AAN PROF. KOOS SLOB

Op de dag van zijn afscheid als hoogleraar fysiologische en pathofysiologische aspecten van de seksualiteit bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) werd aan prof.dr. A. Koos Slob de dr. Herman Musaphprijs voor medische seksuologie 2001 uitgereikt. Deze prijs werd in 1990 gecreëerd door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en is genoemd naar een van de pioniers van de seksuologie, prof. dr. Herman Musaph. Elke drie jaar wordt de prijs, een bedrag van fl. 5000, toegekend aan de Europeaan die in de afgelopen periode de meest verdienstelijke bijdrage heeft geleverd op het gebied van de medische seksuologie

Professor Slob heeft veel betekend voor de seksuologische wetenschap. Hij was, samen met zijn medewerkers, auteur van 139 buitenlandse en 92 Nederlandstalige wetenschappelijke publicaties en was betrokken bij het vervaardigen van 7 films en video's. Hij vervulde tal van functies, onder andere: medeoprichter en jarenlang bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Seksuologie; 13 jaar lang hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Seksuologie; president van de International Academy of Sex Research (waarvoor hij in 1996 in Rotterdam het jaarcongres organiseerde); en eindredacteur van het eerste Nederlandse Leerboek Seksuologie. In 1984 kreeg hij de Van Emde Boas - Van Ussel prijs, die toen voor het eerst door de Nederlandse Vereniging voor Seksuologie werd uitgereikt.

De laatste jaren richtte het onderzoek van Slob zich op de psychofysiologie en farmacotherapie van de erectiestoornis en de voortijdige ejaculatie en

de seksuele gevolgen van urologische aandoeningen en ingrepen. In de periode 1997 tot en met 2000 publiceerde hij met zijn medewerkers nog 30 buitenlandse en 11 Nederlandse wetenschappelijke artikelen. Omdat hij zich zorgen maakte over het voortbestaan van de bijzondere leerstoelen seksuologie aan de medische faculteiten in ons land richtte hij in 1998 het Concilium Sexologicum op, het adviesorgaan op het terrein van de academische seksuologie voor de Nederlandse Vereniging voor Seksuologie.

De jury van de dr. Herman Musaphprijs voor medische seksuologie 2001 bestond uit de Zweedse neuroloog-seksuoloog en winnaar van de prijs in 1997, prof. dr. Per Olov Lundberg, de arts-seksuoloog Woet Gianotten en de psychiater-seksuoloog prof. dr. Michiel W. Hengeveld.

Prof. dr. M.W. Hengeveld


0 Buiten verantwoordelijkheid van de redactie. Geaccepteerd voor publicatie: 2 juli 2001.

Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 116-123

SEKSUOLOGIE, EEN SPECIALISME OM WARM VOOR TE LOPEN

Koos Slob1

In deze afscheidsrede wordt een pleidooi gehouden voor de seksuologie als vak: een brede interdiscipline met raakvlakken met allerlei andere vakgebieden: biologie, psychologie, geneeskunde, ethiek, sociologie etc. Uitvoerig wordt stilgestaan bij de revival van de biologie in de seksuologie: evolutionair (de menselijke voortplanting in vergelijking met andere dieren), genetisch (genen medebepalend voor allerlei gedrag) en therapeutisch (somatische therapieën bij seksuele disfuncties). Ook de donkere kanten van de seksuologie krijgen aandacht met als specifiek voorbeeld het aan het licht komen van seksueel geweld in onze maatschappij: 40% van alle vrouwen heeft voor het 16e levensjaar een of meer negatieve ervaringen met seksueel misbruik!

Seksuoloog, een beroep om trots op te zijn. Een echte seksuoloog word je pas na behoorlijke wetenschappelijke scholing en vorming, en je houdt het bij met na- en bijscholing! In de nabije en verre toekomst vele mogelijkheden voor seksuologen: onderzoek, voorlichting, en therapie. Een voorbeeld: de vergrijzende maatschappij. Normale seksfysiologische veranderingen bij het ouder worden, vele therapeutische mogelijkheden.

Het moderne farmacotherapeutisch onderzoek werkt mee aan de erkenning van de seksuologie. Een punt van zorg is het wegzuigen van goede seksuologische onderzoekers naar dit soort onderzoek. Daardoor komt fundamenteel seksuologisch onderzoek in het nauw: geen onderzoek(st)ers, geen geld. Farmacotherapeutisch onderzoek dient centraal geregeld te worden in universiteiten en grote ziekenhuizen. Geld binnengehaald met farmacotherapeutisch seksuologisch onderzoek dient in belangrijke mate weer beschikbaar te komen voor (fundamenteel) seksuologisch onderzoek.

Dokters zijn niet automatisch seksuologen, ook zij dienen zich seksuologisch te scholen. De toekomstige farmacologische middelen bij seksuele disfuncties zijn waardevol doch mogen nooit de vraagverheldering, de minianamnese en het consult vervangen! De toekomst ziet er hoopvol uit: effectieve middelen voor allerhande seksuele disfuncties zullen ontwikkeld worden, de seksuologie zal meer en meer studenten uit verschillende basisdisciplines gaan trekken.

Ergens in februari van dit jaar, tijdens een trainingsloop in de heuvels rond ons mooie Franse huis en omringend terrein, bedacht ik de titel van mijn afscheidsrede: "Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen". Het illustreert op ietwat vrolijke wijze twee van mijn hobby's. Van de ene, de seksuologie, heb ik met veel plezier in de afgelopen jaren mijn vak gemaakt. Zoiets is voor de andere, het hardlopen, niet weggelegd, dat zal altijd een hobby moeten blijven. Het is overigens wel zo dat trainingslopen, en dan met name de duurlopen, een uitstekende gelegenheid zijn om over van alles na te denken en zo is de inhoud van deze rede dan ook stap voor stap tot stand gekomen.

De titel van mijn rede, "Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen", is tevens een stelling, een uitgangspunt, een mening. In de komende 40 minuten wil ik proberen u te winnen voor

deze stelling. Laten we beginnen met een afbakening, een definiëring van het vakgebied, van het specialisme. Wat is Seksuologie eigenlijk?

Een definiëring

Seksuologie is volgens Van Dale (1999) "de leer van de seksualiteit, van het normale en het gestoorde geslachtsleven van de mens en de daaraan verbonden vraagstukken". En seksualiteit betreft geslachtelijkheid, het geslachtsleven, en de geslachtsdrift.

Naar mijn idee dient de seksuologie breder opgevat te worden dan de omschrijving van Van Dale welke tot mensen beperkt blijft. Wat voorbeelden ter illustratie. Seksuologie betreft zowel de differentiatie van normale als abnormale mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen, uitwendig zowel als inwendig (embryologie/ genetica), als het behan

0 Afscheidcollege uitgesproken 29 juni 2001. Geaccepteerd voor publicatie: 18 juli 2001.

1 Prof. Dr. A.K. Slob, Bijzonder Hoogleraar in de Fysiologie en Pathofysiologie van de Seksualiteit aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Afd Endocrinologie & Voortplanting, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.


Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen 117

delen van bijvoorbeeld anorgasmie bij de man (sekstherapie). Het gaat over hetero-, homo-, bi- en transseksualiteit en het ontstaan daarvan (biologie/ genetica). Het bestudeert de invloed van geslachtshormonen op het gedrag van mens en dier (gedragsendocrinologie). Het onderzoekt bijvoorbeeld de oorzaken van een parafilie (psychiatrie/ psychologie/ sociologie) en hoe daar in de maatschappij mee om te gaan (ethiek). Seksuologie gaat ook over het gebruik van goede anticonceptie zonder seksuele bijwerkingen (geneeskunde) en over het voorkómen en bestrijden van geslachtsziekten (geneeskunde/ sociologie/ opvoedkunde). Of het fenomeen van spermacompetitie in het inwendige van de vrouwelijke dieren (evolutiebiologie), monogamie of overspel bij vogels (evolutiebiologie), of vrouwen die geheel gesluierd door het leven moeten gaan of vrouwen die zich terug moeten trekken in een aparte hut wanneer ze menstrueren (culturele antropologie). Maar de seksuologie houdt zich ook bezig met plezierige en lustvolle seks, met de `ars amandi' zoals Van Emde Boas placht te zeggen (en dan betreft het opvoedkunde/ sociologie).

Een seksuolo(o)g(e) breed wetenschappelijk opgeleid

Seksuologie is dus heel divers en heeft raakvlakken met allerlei andere wetenschappen: biologie, sociologie, psychologie, geneeskunde, farmacologie, theologie, ethiek, epidemiologie etc. Sommigen spreken van een `interdiscipline', anderen van een `multidisciplinair vakgebied' (Everaerd & Slob, 1986) maar ik noem het gewoon een vakgebied, een wetenschapsgebied, een specialisme. En iemand die werkzaam is op dit terrein èn zich wetenschappelijk daarin bekwaamd heeft noem ik een seksuoloog of seksuologe. Een seksuoloog kán (met de nadruk op kan) dus iemand zijn die het paringsgedrag van apen of ratten bestudeert, iemand die seksuele voorlichting aan scholieren geeft, of iemand die therapie geeft aan een seksueel getraumatiseerde vrouw met een incestverleden. Doch voordat zo iemand zich een seksuoloog kan noemen, is het naar mijn idee beslist noodzakelijk dat hij of zij zich binnen het brede vakgebied van de seksuologie wetenschappelijk bekwaamd heeft, bij voorkeur door het volgen van een postinitiële seksuologie-opleiding (wij hebben zo'n opleiding aan onze Erasmus Universiteit; ook in Amsterdam bestaat een opleiding, en in België - Katholieke Universiteit Leuven- bestaat zelfs een universitaire licentiaats (=doctoraal) opleiding), maar zeker door na- en bijscholing-

en. De Nederlandse Vereniging voor Seksuologie heeft dit soort zaken rond de registratie en herregistratie van Seksuoloog-NVVS professioneel vastgelegd. Dat is mijns inziens een goede en noodzakelijke ontwikkeling die het specialisme Seksuologie ten goede komt.

Seksuologie en biologie

Het is u wellicht opgevallen dat ik een aantal voorbeelden uit de biologie heb gebruikt. Dat is een bewuste keuze, en niet zo onlogisch als u bedenkt dat ik van huis uit bioloog ben! En het bloed kruipt immers waar het niet gaan kan... Voor een bioloog-seksuoloog leven we seksuologisch gezien in een bijzonder interessante tijd. Een tijd waarin heel duidelijk een revival van de biologie is te bespeuren, en waarbij de mens weer als een onderdeel van de natuur, van de evolutie wordt beschouwd. Vergun mij een kort historisch overzichtje, noodzakelijkerwijs ietwat beperkt en niet erg diepgaand.

Een kort historisch overzicht

De eerste 50 jaar van de vorige eeuw, van 1900 tot circa 1950, was van alles `biologisch bepaald'. Mannen en vrouwen waren zeer verschillend, de natuur had dat zo bepaald. Ook in seksueel opzicht, mannen waren actief, vrouwen passief. Mannen konden er niets aan doen als ze opgewonden raakten van een mooie vrouw, zo was hun aard, het was biologisch bepaald. Vrouwen dienden daar rekening mee te houden. Mannen waren `jagers', vrouwen het wild waar op gejaagd werd. Mannen wilden altijd seks, vrouwen stonden het toe, waren hun mannen ter wille. Veel plezier beleefden vrouwen vaak niet aan seks. Vrouwen waren `van nature' voorbestemd om kinderen te baren en te verzorgen en het huishouden te runnen. Mannen waren meer actief buitenshuis, geld verdienen voor het gezin, voor `zijn' vrouw en `zijn' kinderen. Mannen en vrouwen waren heel `ongelijk' en in veel opzichten `ongelijkwaardig', ook in sociaal en maatschappelijk opzicht.

De reactie hierop zien we in de jaren 1950 tot circa 1980: de seksuele revolutie. De opkomst van de sociologie, van de maakbare mens. Biologie is niet langer je `noodlot', maar je kunt als mens keuzes maken. Genen bepalen niet je leven. Mannen en vrouwen zijn elkaar's gelijke. De nadruk kwam te liggen op de overlap, op het gelijke en men bagatelliseerde het verschil (Schwarzer, 1977). Zo was seksuele oriëntatie een vrije keuze. Je werd lesbisch


118 A.K. Slob

want je ging niet met je onderdrukker naar bed (vrouwenbeweging/ feminisme); of je werd homo want heteroseksueel werd je uit verveling (Hekma, 1993). Door goede en algemeen geaccepteerde anticonceptie kon seks los komen van de procreatie en een belangrijke rol gaan spelen als recreatie. De effectieve bestrijding van geslachtszieken, we gingen ze seksueel overdraagbare aandoeningen noemen, speelde ook een belangrijke rol. Seksuele vrijheid voor man en vrouw, voor hetero en homo, voor oudere en jongere, voor pedofiel en exhibitionist, communes, partnerruil, alles moest kunnen….. De donkere kanten van de seks bestaan nog niet (of willen we ze niet zien?). Biomedisch onderzoek, bijvoorbeeld naar het ontstaan van seksuele oriëntatie was nauwelijks geaccepteerd. ...Wetenschappelijk onderzoek naar anatomische verschillen in hersenen van hetero's en homo's?. ...de tuin van Dick Swaab werd volgegooid met mest!

En dan de meest recente periode van 1980 tot nu: de opleving van de genetica, van de moleculaire biologie. Hoe overduidelijk blijkt dat genen het gedrag kunnen bepalen. We zijn af van het `nature-nurture' debat, dus of het de natuur dan wel de cultuur is die ons tot seksuele vrouwen en mannen maakt. Vandaag de dag is het èn èn; we zijn terug bij het oude biologische beginsel: fenotype = genotype + milieu (uiterlijke verschijningsvorm wordt bepaald door het geheel aan genen èn de omgeving waarin we opgroeien). Mannen en vrouwen zijn biologisch en psychologisch heel verschillend, maar sociaal-maatschappelijk volkomen gelijkwaardig. De biologische verschillen worden weer benadrukt, de tuinbroeken en wijde slobbertruien zijn weer `uit', vrouwen en mannen kleden zich nogal onthullend. Met een grote schrik wordt duidelijk dat de seksuele revolutie niet alleen vrijheid-blijheid heeft gebracht: incest en ander ongewenst en traumatiserend seksueel gedrag blijkt veel meer voor te komen dan voor mogelijk werd gehouden. De daders worden meer en meer aan de kaak gesteld en juridisch vervolgd (Frenken, 2001).

De mens als seksueel dier

Tot zover het historisch overzichtje. Terug naar het heden: kort samengevat: de laatste jaren worden dus gekenmerkt door een grote wetenschappelijke belangstelling voor de biologische kanten van menselijke seksualiteit. Moleculair biologische research, hersenanatomisch onderzoek, stamboomonderzoek naar `oorzaken' van homoseksualiteit beleven een enorme opleving: tientallen artikelen worden

in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd. De protesten uit de 70-er jaren zijn verstomd. Proefdieronderzoek naar de relatie tussen bijvoorbeeld hormonen en gedrag, meer specifiek tussen geslachtshormonen en seksueel gedrag, komt weer in de belangstelling. Met name in Amerika wordt dit soort onderzoek met enthousiasme begroet, in Nederland was men aanvankelijk wat aarzelend. Ik herinner me dat de medisch-ethische proefdiercommissie van onze Medische Faculteit aanvankelijk, begin jaren 80, ethische bezwaren had met ons onderzoek naar de hormonale beïnvloeding van seksuele partnerpreferentie in de laboratoriumrat (Merkx, 1986; Brand, 1991; Houtsmuller, 1993; Bakker, 1996). Overigens, ook ver in de 90-er jaren kon het gebeuren dat een collega-wetenschapper zo ontregeld raakte dat hij alles in het werk stelde om dit soort ratten-onderzoek onderuit te halen en er zelfs niet voor schroomde frau-de en bedrog te insinueren om het onderzoek en de onderzoekers in een kwaad daglicht te stellen!

Seksualiteit: Emoties en opwinding

"Seks" roept in onze cultuur, in onze samenleving, heel gauw emoties op. Of het nu een Rotterdamse imam is die ouderwetse en achterhaalde uitspraken doet over homoseksualiteit (mei 2001), of de invoering van de Viagra-pil (oktober 1998), of een naakt beeld in het dorp Hedel (december 1998), of een blote reclameposter voor `veilig vrijen' (juni 1995), de media zijn er als de kippen bij om het breed uit te meten. Dat is meer nog het geval als het over de sombere kanten van seks gaat: kinderporno, incest, pederastie, om enkele voorbeelden te noemen. Met name wanneer seks in de negatieve zin in de belangstelling staat betreur ik dat. Maar tegelijkertijd weet ik dat het nodig is, helaas. Immers, alleen op die manier kunnen we paal en perk stellen aan misstanden. En dat betekent dat je soms eerst onderzoek moet doen om de ernst en de omvang van een probleem, van een misstand aan het licht te brengen. Ik denk in dit verband aan de schokkende resultaten van retrospectief landelijk onderzoek naar het vóórkomen van seksueel geweld bij kinderen (Draijer, 1988). Om uw geheugen op te frissen enige feiten: bijna 40% van alle vrouwen heeft voor hun 16e levensjaar een of meer negatieve ervaringen met seksueel misbruik. Cijfers voor mannen liggen lager, maar de problematiek is heel identiek.

Nu dit breed bekend is geworden worden er hulpprogramma's ontwikkeld voor ex-slachtoffers,


Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen 119

worden daders aangepakt in justitiële en psychotherapeutische zin, wordt er voorlichting gegeven aan kinderen, met als uiteindelijk doel: het zo veel mogelijk uitroeien van deze seksuele misstand in gezin en samenleving (Frenken, 2001). En in dit geheel liggen vele belangrijke taken voor de seksuologie in het algemeen, en voor menig seksuoloog of seksuologe in het bijzonder.

Tegelijkertijd prijs ik mij gelukkig in Nederland te wonen. Een bijzonder land met een zeer tolerante cultuur (al haast ik mij er aan toe te voegen dat we er nog niet zijn!), zeker op het gebied van persoonlijke vrijheden, van seksuele rechten van zeer velen, en van seksuele vrijheden. Natuurlijk kan en mag niet alles, en is het goed als er door de gemeenschap grenzen worden gesteld. Maar ik waardeer de openheid over seksuele voorlichting, de openheid over anticonceptie en abortus, de openheid over homofilie, biseksualiteit en transseksualiteit, de openheid over allerlei samenlevingsvormen, de gelijkheid van vrouwen en mannen. Het is mijns inziens een groot goed dat we over allerlei seksuele zaken een open debat kunnen voeren, openlijk ook in de krant, in TV-programma's, op school.

Seksuologie, een vak met toekomst

Mijn uitgangspunt: het beroep van seksuoloog is iets om trots op te zijn. Seksualiteit is immers heel belangrijk voor zeer veel mensen, van jong tot oud. Problemen en moeilijkheden met het seksueel functioneren in de meest brede zin kan de kwaliteit van leven erg negatief beïnvloeden. Mensen lijden daaronder. Wetenschappelijk onderzoek verrichten naar bijvoorbeeld oorzaak van de seksuele disfuncties is zeer gewenst. Voorlichting geven en informatie verschaffen aan, of therapeutisch begeleiden van mensen, jong en oud, zodat zij zelf hun vragen kunnen beantwoorden of hun problemen kunnen oplossen, is dankbaar werk. Seksuologieboeken schrijven, studieboeken zowel als zelfhulpboeken is van groot belang. Of een wetenschappelijk tijdschrift uitgeven of een website verzorgen of een vragenrubriek over seksvragen verzorgen, en ga zo maar door!

De vergrijzende maatschappij

Vanwege de beperkte tijd bespreek ik één voorbeeld. In een vergrijzende maatschappij ligt er voor de seksuologie een grote toekomst. Immers, het ouder worden is tegenwoordig geen straf meer, het is in veel gevallen heel plezierig. Dankzij onze goede voorzieningen en medische zorg komen er meer

en meer vitale en actieve ouderen. Maar het ouder worden heeft fysiologisch nogal wat gevolgen op seksueel gebied (Masters & Johnson, 1966; Schiavi, 1999; Slob, 2000). Ik noem er een paar. Bij de man: minder sterke erecties, minder lust, minder krachtige ejaculatie, minder intens orgasme. Bij de vrouw: dunner worden van het slijmvlies van de schede, minder snel opgewonden raken, minder nat worden bij vrijen, minder lust hebben, een minder intens orgasme. Gelukkig zijn er voor veel van deze normale veranderingen bij het ouder worden heel goede remedies op de markt. Van hulpmiddelen als vibrator tot Viagra, van stimulerende erotische video's tot een glijmiddel, van suppletie met androgenen en/of oestrogenen bij de oudere man en vrouw tot zelfhulpvideo's om je seksleven weer nieuw leven in te blazen.

Wel bestaat er nog een behoorlijk taboe op seksualiteit van ouderen. Dokters, seksuologen en andere hulpverlenenden, maar ook de ouderen zelf, moeten er op geattendeerd worden dat er nog zo veel mogelijkheden zijn. Dat seks niet met pensioen hoeft te gaan op je 60ste, je 70ste of je 80ste. Toch haast ik mij er bij te zeggen: seks móet niet, seks kán als je er zin in hebt. Dus we moeten oudere mensen ook geen seks gaan aanpraten. Je kunt heel gelukkig en tevreden zijn zonder seks (geldt trouwens mijns inziens ook voor jongeren).

Erkenning van de seksuologie

In 1938 schreef Premsela al over "Het bestaansrecht van de sexuologie als specialisme" in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Premsela was teleurgesteld omdat zijn verzoek was afgewezen (Premsela, 1938).

De wegbereiders

Na de 2e wereldoorlog werd de wereld eerst opgeschrikt door de epidemiologische publicaties van Kinsey en medewerkers over het seksuele leven van de gemiddelde Amerikaanse man (1948) en Amerikaanse vrouw (1953). Vervolgens publiceerden Masters & Johnson een fysiologieboek over seksuele opwinding, gebaseerd op waarnemingen en metingen gedaan aan mensen die in het laboratorium seksueel actief waren (1966): de wereld was opnieuw geschokt! Dankzij deze baanbrekende publicaties kwam de seksuologie als volwaardige wetenschap heel duidelijk in beeld en stonden zij aan de basis van een naoorlogse bloeiperiode van de seksuologie.


120 A.K. Slob

Het medisch curriculum

Ook binnen de medische wereld heb ik duidelijke veranderingen meegemaakt. Het vak seksuologie is in vrijwel alle studies geneeskunde een onderdeel van het curriculum. Ook in enkele medische specialisaties is het een verplicht terrein, al behoeft dat zeker nog verbetering. In de huisartsen- en gynaecologieopleidingen is het een regulier onderdeel geworden, van de urologie-opleiding weet ik het niet (mijns inziens is het absoluut noodzakelijk), en ik vrees dat het bij de andere specialistenopleidingen ontbreekt. Echter, en dat is weer een positieve ontwikkeling, meer en meer ziekenhuizen gaan over tot het aanstellen van een parttime seksuoloog of seksuologe voor poliklinische hulpverlening.

De laatste jaren werkt de farmaceutische industrie duidelijk mee in de erkenning van de seksuologie. Het farmacotherapeutisch onderzoek heeft vele artsen, en niet alleen urologen, de ogen geopend. Ik denk aan alle klinische onderzoeken naar de effectiviteit van middelen ter bestrijding van erectiestoornissen. En in de nabije toekomst gaat men equivalenten ontwikkelen en testen bij vrouwen met seksuele disfuncties (zie bijvoorbeeld Conrad, 2000).

Farmacotherapeutisch seksuologisch onderzoek

Tegenwoordig wordt aan alle kanten voor humaan farmacoseksuologisch onderzoek naar onderzoekers en -sters gezocht. Dat is goed voor de professie, voor de seksuologie als evidence based medicine. Het heeft echter ook een problematische kant, welke absoluut de aandacht van de seksuologen-onderzoekers/sters behoeft! Ik wil even bij die zorgelijke kant stil blijven staan (Feenstra, 2000; Tiefer, 2000; Angell, 2000; Ten Cate & Büller, 1999; van Gijn & Algra, 1999; Cohen, 1999; Roos, 1999).

Op dit moment gaat vrij veel van het beperkte onderzoekspotentieel naar farmacoseksuologisch onderzoek. De universiteit wordt meer en meer een ondernemende universiteit en als we niet oppassen worden onderzoekers ondernemers, met dollar- of eurotekens in hun ogen. Het wordt van hogerhand zeer gewaardeerd als artsen klinisch onderzoek binnenhalen want het betekent geld voor ziekenhuis, instituut of afdeling. Maar wordt dat geld dan weer besteed aan seksuologisch onderzoek? Daar ben ik niet zo zeker van, sterker nog ik betwijfel dat. En wat gebeurt er met de wetenschappe

lijke gegevens? Veel van dit onderzoek is multicenter onderzoek en het betreft honderden patiënten. De sponsor beschikt over de gegevens en die beslist ook over de publicatie van die gegevens. En dat vind ik toch als onderzoeker een niet zo goede ontwikkeling. De onderzoeker dient in principe over de onderzoeksgegevens te beschikken en dient vrij te zijn de gegevens voor publicatie geschikt te maken. Meestal maken contracten dit vrijwel onmogelijk, en dus verliest de onderzoeker zijn of haar wetenschappelijke onafhankelijkheid.

Patientenonderzoek centraal

Ik wil dan ook met nadruk pleiten voor een centrale afdeling voor patiëntenonderzoek, zoals thans in het Universitair Medisch Centrum Utrecht functioneert. Zo'n afdeling dient in alle grote ziekenhuizen en uni-versitaire medische centra zo gauw mogelijk ingesteld te worden (Bruntink, 2001). Dit alles geldt overigens niet alleen voor seksuologisch onderzoek, maar voor alle door de farmaceutische industrie gefinancierd en geïnitieerd onderzoek.

Ik wil ook pleiten dat een belangrijk deel van het binnengehaalde geld voor seksuologisch onderzoek wordt bestemd, bij voorkeur voor fundamenteel onderzoek.

Basaal seksuologisch onderzoek

En dat brengt me bij mijn tweede punt van zorg. Door toegepast farmacotherapeutisch onderzoek komt fundamenteel seksuologisch onderzoek in de verdrukking. Met uitzondering misschien van basaal onderzoek dat binnen afzienbare tijd mogelijk leidt tot praktische toepassingen die van commercieel belang zijn. Enkele voorbeelden van fundamenteel onderzoek: Wat is verliefdheid? Kunnen dieren seksueel opgewonden worden van visuele beelden van andere seksueel actieve dieren? Wat windt mensen seksueel op, hoe werkt dat en kunnen we misschien iets meten of zien in de hersenen? Een recent voorbeeld uit Nature bij een taaltest waarin duidelijk het man-vrouwverschil van de menselijke hersenschors werd zichtbaar gemaakt: bij mannen een duidelijke cerebrale lateralisatie van taalvaardigheid en bij vrouwen niet (Shaywitz et al, 1995). Of een heel recent voorbeeld: man-vrouw verschillen in allerlei hersenonderdelen met behulp van MRI (Goldstein et al., 2001).

Maar fundamenteel onderzoek kan ook zijn in een MRI-apparaat de coïtus bestuderen (Weijmar Schultz e.a. 2000). In belangrijke mate wordt


Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen 121

basaal seksuologisch onderzoek gewoon gestuurd worden door `nieuwsgierigheid', hoe zitten dingen in elkaar? Als een vrouwelijke beermakaak tijdens copulatie een ronde-mond-gezicht vertoont is dat dan een orgasme (Goldfoot et al, 1980)? Wat is eigenlijk `normaal' op seksgebied? Hoe komt het dat de ene man heel goed zijn ejaculatie onder controle heeft, terwijl de andere al bij de minste of geringste aanraking van zijn penis klaarkomt? Zijn het biologische, fysiologische factoren die hierbij een rol spelen, en hoe kunnen we dat uitzoeken (Rowland et al, 1998)? Zijn er misschien verschillen te zien in hersenactiviteit tijdens seksuele opwinding of tijdens orgasme, bij proefdieren en bij mensen? Hoe komt het dat rhesusapen maar zo'n 3 maanden per jaar seksueel actief zijn, en dus 9 maanden hebben om zich aan andere dingen te wijden, bijv. het grootbrengen van de jongen. En waarom is dat bij nauw verwante apen als de beermakaak niet het geval? Die hebben seks het hele jaar door. Of de bonobo's dwergchimpansees, die lijken in onze menselijke ogen wel oversekst. ...Seksuele activiteiten het hele jaar door, in allerlei combinaties, niet geremd door sociale regels. ...Met maar nauwelijks agressie in de groep…. Maar zijn ze eigenlijk wel seksueel opgewonden of is veel van hun seksueel gedrag een sociaal gedrag geworden zoals bij ons elkaar een hand geven, of een kus op of langs de wang? Waarom zijn monogame vogels niet trouw, maar wordt er volop buiten de deur gecopuleerd? Bevordert seksuele activiteit aan de vooravond van een grote wedstrijd de sportieve resultaten of juist niet? Met andere woorden moet je onze voetballers en volleybalsters seks af- of juist aanraden aan de vooravond van een grote wedstrijd?

Het moge duidelijk zijn: wetenschappelijke nieuwsgierigheid aan de basis van interessant en zinnig seksuologisch onderzoek. En daar moeten mijns inziens waardering, ruimte en geld voor beschikbaar blijven, en niet te vergeten: onderzoekers/ of -sters!

Dokters en seksuologie

De medische wetenschap heeft een enorm belangrijke plaats in onze samenleving. Dokters beslissen vaak over leven en dood, over normaal en abnormaal. Dokters zijn echter geen seksuologen. ...Omdat je van alles geleerd hebt over het lijf, over de geslachtsorganen, over de voortplanting of anticonceptie, ben je nog geen expert op seksuologisch gebied (Szasz, 1980). Ook de dokter dient zich te bekwamen op seksuologisch terrein. Ik zei het eer

der, de laatste 25 jaar is de seksuologie in het medisch curriculum, zeker in Rotterdam, een volledig geaccepteerd vakgebied in het onderwijs. En ik hoop dat dat in ons nieuwe curriculum "Erasmus-arts 2007" ook zo zal blijven. Ik vertrouw er op dat een en ander in goede handen is bij de onderwijsdecaan Dr Ted Splinter en seksuologiedocent dokter Woet Gianotten (en in de hopelijk nabije toekomst bij mijn opvolger/ster).

Wat beslist niet moet gebeuren, en daar moeten we als seksuologen alert op blijven, is dat dokters bij een hulpvraag op seksuologisch terrein onmiddellijk naar een receptpapiertje grijpen en iets voorschrijven. Anders vrees ik het ergste. Laat me dit toelichten. In een vrij recent themanummer "Seks en intimiteit" van het tweemaandelijks blad "M/V Zorg", uit een artikel over "Viagra: wonderpil of schijnoplossing", waarin verschillende Nederlandse deskundigen geïnterviewd worden, een citaat ter illustratie: "Hoewel A de psychische kant van erectiestoornissen niet zal ontkennen - `De patiënt moet wel een goede relatie hebben, anders heeft Viagra geen zin' - gelooft hij niet erg in psychotherapie als primaire oplossing voor het probleem. A: "Een groot deel van de mannen met erectieproblemen is ouder dan vijftig en bij hen spelen medische factoren vaak een hoofdrol. Daar kan de huisarts goed op inspelen door Viagra voor te schrijven. Ik geloof dat te veel aandacht voor de psycho-relationele problemen de huisartsen -die bij erectiestoornissen het eerst worden geraadpleegd- terughoudend heeft gemaakt. Huisartsen praten, net als hun patiënten niet graag over psycho-relationele factoren en hebben daar de deskundigheid en de tijd niet voor. Ze willen een directere oplossing. Die directere oplossing is er met Viagra gekomen en dat werkt uitstekend. Dan moeten we nu niet te veel nadruk gaan leggen op de seksuologie" (Geerdink, 2000, p.8). Einde citaat.

Nu ken ik deze specialist heel goed en ik kan en wil me niet voorstellen dat hij het zó gezegd en letterlijk bedoeld heeft. Ik ga er vooralsnog van uit dat één en ander uit zijn verband is gehaald en dat een aantal zinnen achter elkaar zijn geplakt tot een geheel.

Toch verontrust het mij. Patiënten die een seksueel probleem ter sprake brengen in de spreekkamer dienen professionele, adequate aandacht te krijgen. Na vraagverheldering en een seksuologische mini-anamnese (Moors, 1996) kan de arts dan professioneel advies geven. Naar mijn stellige overtuiging zal dat vaak een èn-èn advies zijn, zowel op psycho-relationeel terrein als op farmacotherapeutisch terrein (en dat kán een recept zijn).


122 A.K. Slob

Seksuologie: de toekomst

Ik ben een enthousiast liefhebber van science fiction, en dan niet zozeer van de gewelddadige oorlogszuchtige en doemscenario-achtige soort, maar van de wat meer psychologische, zachtere soort. TV-series als "Startrek" boeien me al vanaf 1969 toen ik er kennis mee maakte tijdens mijn eerste verblijf in Amerika. Wat ik vrijwel nooit tegenkom is science fiction over seksualiteit, over hoe mensen seksueel met elkaar om zullen gaan in de nabije en verre toekomst. Hier moet ik dus geheel op eigen kracht varen. Ik zal mij beperken tot de nabije toekomst.

Ik voorspel de seksuologie een grote toekomst. Psycho-biologisch onderzoek zal opbloeien. De moleculaire biologie zal haar intrede doen in seksuologisch onderzoek. De eerste stappen zijn gezet: gentherapie in verband met erectiele disfunctie, nu nog bij mannetjesratten (Christ & Melman, 1998), maar straks ongetwijfeld bij mensenmannen. Dankzij nieuwe beeldvormende technieken zullen we kunnen zien wat er in ons lijf en in ons centraal zenuwstelsel gebeurt bij seksuele opwinding. Dit kan therapieën opleveren voor die mannen en vrouwen die daar moeite mee hebben. Dankzij nieuwe en verfijnde beeldvormende technieken zullen we ook prenataal kunnen zien wat er aan seksuologische, anatomische ontwikkelingen gebeurt en waar de geslachtsdifferentiatie eventueel derailleert. Ongetwijfeld zal men in dat laatste geval in staat zijn tijdig in te grijpen en te zorgen voor een normale ontwikkeling.

Er zullen farmacologische stoffen komen die heel gericht onze libido zullen versterken en die het genot zullen vergroten, zonder schadelijke of verslavende bijwerkingen. Het zal me niet verbazen als er in de toekomst een pil komt die je inneemt, alleen of samen, en waarna je zonder al te veel lichamelijke inspanning een heel plezierige seksuele ervaring kunt beleven (lijkt me trouwens een uitkomst voor drukke, gestresste of anderszins gehandicapte mensen. ..., aannemende dat die in de toekomst blijven bestaan). Voor de ouder wordende mens zullen heel adequate middelen beschikbaar komen die de fysiologische en psychologische veroudering van het seksueel functioneren met vele jaren zullen uitstellen.

De seksuologie zal als specialisme erkend worden en daardoor extra aantrekkelijk worden voor vele studenten, zowel vanuit de biologie, de psychologie als de geneeskunde. Het zal in de universitaire curricula van die studies een eigen plaats krijgen. Er zal een nog grotere maatschappelijke tole

rantie en acceptatie komen voor het recht op seksuele lustbeleving voor alle mensen (zonder dat medemensen daarbij lijden!). In zo'n maatschappij zal de seksuologie als vakgebied, als specialisme kunnen bloeien. In zo'n maatschappij blijft de seksuologie een specialisme om warm voor te lopen!

Dankwoord

U merkt het. Mijn verhaal is rond, is klaar. Zoals gebruikelijk wil ook ik afsluiten met een kort dankwoord. En dan denk ik aan mijn leermeesters, mijn collega's, mijn promovendi, mijn doctoraal studenten, mijn vrienden en vriendinnen en mijn familie. Van allemaal heb ik in de loop der jaren vele dingen geleerd en ik ben hen daar dankbaar voor. Ik voel me vereerd dat zovelen van hen vandaag hier zijn om mijn rituele afscheid mee te maken. Dat geldt ook voor de mensen van de Centrale Research Werkplaats, van het AudioVisuele Centrum en de mensen van de Post: nooit deed ik in de afgelopen 34 jaar tevergeefs een beroep op hen: heel veel dank voor de bijzondere samenwerking

Ik hoop nog een tijdje actief te blijven in de seksuologie: een studie over de Geschiedenis van de Nederlandse Seksuologie, samen met Ineke Vink, een maandelijkse rubriek met vragen over seks in een glossy mannenblad, het bewerken van enkele artikelen voor het Nederlands taalgebied, en wat er verder nog op mijn seksuologische weg komt.

Maar bovenal komt er veel meer vrije tijd: voor het kweken van bomen en struiken, voor hardlopen en voor timmeren en bouwen. ...Ik kijk er naar uit!

Literatuur

Angell, M. (2000). The pharmaceutical industry - To whom is it accountable? New England Journal of Medicine 342: 1902-1904 (vertaling in: Geneesmiddelenbulletin (2001) 35: 13-17).

Bakker, J. (1996). Sexual differentiation of the brain and partner preference in the male rat. Academisch Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Brand, T. (1991). Perinatale programmering van volwassen seksueel gedrag en partnerpreferentie van de rat. Academisch Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Bruntink, R. (2001). Eigen afdeling voor patiëntenonderzoek. Algemeen Dagblad, 25 mei 2001, pagina 35.

Cate, J.W. ten, & Büller, H.R. (1999). Klinische onderzoekers en farmaceutische industrie. Een relatie met voor en nadelen. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 143: 1572-1576.

Cohen, A.F. (1999). Klinische onderzoekers en farmaceutische industrie. Het onderzoekscontract is geen bijzaak. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 143: 1345-1352.

Conrad, B. (2000). Testosteron en de zin in seks. Algemeen Dagblad 22 sept: 31.

Christ, G.J., & Melman, A. (1998). The application of gene therapy to the treatment of erectile dysfunction. International Journal of Impotence Research 10: 111-112.


Seksuologie, een specialisme om warm voor te lopen 123

Dale van (1999). Groot woordenboek der Nederlandse Taal. Van Dale Lexicografie, Utrecht.

Draijer, N. (1988). Seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Ministerie van Sociale Zaken, Den Haag.

Ellis, L., & Ebertz, L. (Eds.)(1997). Sexual orientation. Toward biological understanding. Praeger, Westport, USA.

Everaerd, W., & Slob, A.K. (1986). Onderwijs en opleiding in seksuele hulpverlening. In: Moors-Mommers M.C.T. et al. (red). Handboek Seksuele Hulpverlening. Van Loghum Slaterus, Deventer.

Feenstra, G. (2000). Medici te koop. NRC/Handelsblad, 27-05-2000.

Frenken, J. (2001). Seksueel misbruik van kinderen. Aard, omvang, signalen, aanpak. Ministerie van Justitie, Afdeling Informatie, Voorlichting en Publiciteit, Postbus 20301, 2500 EH Den Haag.

Geerdink, F. (2000). Viagra: wondermiddel of schijnoplossing. M/V Zorg 6:7-9.

Goldfoot, D.A., Westerborg-van Loon, H., Groeneveld, W., & Slob, A.K. (1980). Behavioral and physiological evidence of sexual climax in the female stump-tailed macaque (Macaca arctoides). Science 208: 1477-1479.

Goldstein, J.M., Seidman, L.J., Horton, N.J., Makris, N., Kennedy, D.N., Caviness, V.S., Faraone, S.V., & Tsuang, M.T. (2001). Normal sexual dimorphism of adult human brain assessed by in vivo magnetic resonance imaging. Cerebral Cortex 11:490-497.

Gijn, J. van, & Algra, A. (1999). Klinische onderzoekers en farmaceutische industrie. Nut en noodzaak van een onafhankelijke stuurgroep. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 143: 1477-1479.

Hekma, G. (1993). "Hetero word je uit verveling". In: Metz N: Sekse en sekualiteit, Quod Novum 1 december 1993, pagina 7.

Houtsmuller, E.L. (1993). Prenatal uterine environment and sexual differentiation of rats. Academisch Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Masters, W.H., & Johnson, V.E. (1966). Human Sexual Response. Little, Brown & Co, Boston USA.

McDonald, K. (1988). Sex Researchers still stigmatized. Current Contents, 31/5.

Merkx, J.A.M. (1986). Hormonen en partnerkeuze bij de rat. Academisch Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Moors, J.P.C. (1996). Stappenplan erectieproblematiek. Diagnostische en therapeutische aanpak door huisartsen. Tijdschrift voor Seksuologie 20: 428.

Nieuwenhuijsen, K., Slob, A.K., & van der Werff ten Bosch, J.J. (1988). Gender-related behaviors in group-living stumptail macaques. Psychobiology 16: 357-371

Premsela, B. (1938). Het bestaansrecht van de sexuologie als specialisme. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 82: 3995-3996.

Roos, J.C. (1999). Klinisch onderzoekers en farmaceutische industrie. Liaisons dangereuses. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 143: 1668-1671.

Rowland, D.L., Cooper, S.E., & Slob, A.K. (1998). The treatment of premature ejaculation: psychological and biological strategies. Drugs of Today 34: 879-899.

Shaywitz, B.A. et al (1995). Sex differences in the functional organization of the brain for language. Nature 373: 607-609.

Schiavi, R.C. (1999). Aging and male sexuality. Cambridge Univ Press, Cambridge.

Schwarzer, A. (1977). Het "Kleine verschil" en de grote gevolgen. Vrouwen over zichzelf; Begin van een bevrijding. SARA, Amsterdam.

Slob, A.K. (2000). Age, libido, and male sexual function. The Prostate Suppl 10:9-13.

Szasz, T. (1980). Sex by prescription. Anchor Press/Doubleday.

Tiefer, L. (2000). Sexology and the pharmaceutical industry: the threat of co-optation. The Journal of Sex Research 37: 273-283.

Weijmar Schultz, W., van Andel, P., Sabelis, I., & Mooyaart, E. (2000). Liefde tussen magneten. Tijdschrift voor Seksuologie 24: 131-140.

English Summary

In this farewell-lecture a plea is made for sexology as a broad scientific field with overlap in biology, psychology, medicine, ethics, sociology, etc. There is nowadays an obvious revival of biology in sexology: evolutionary (human reproduction compared to other animals), genetically (genes partially determining various behaviors), and therapeutically (somatic therapies for sexual dysfunctions). Also the dark sides of sexology are discussed: 40% of all Dutch women have one or more sexual abuse experience before the age of 16. Sexologist, a profession to be proud of. It is obligatory for a professional sexologist to have (and maintain) a scientific, academic education. In the future there are many possibilities in sexology: research, counseling, education and therapy. To mention one obvious example for future work: the aging society. For the normal sexophysiological changes with aging there are already many therapeutic options available, and more will come.

The recent pharmacotherapeutic research supports the recognition and appreciation of sexology as a scientific field. A point of concern is the great number of sexological researchers who are drained off from basic sexological research. This pharmaco-therapeutic research generates a substantial amount of money, which should be -at least partially- allocated for basic sexology research.

Medical doctors are not automatically sex-specialists. They also have to be educated and trained in sexology before we can call them sexologists. The future seems hopeful for sexology: very effective new drugs will be developed for all kinds of sexual dysfunctions. Sexology will become a very attractive academic field for students from different disciplines: biology, medicine, psychology, sociology, etc.



Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 124-129

Het formaat van de penis: was will das Weib?

Anne Brecht Francken1, Harry van de Wiel2, Mels van Driel3 en Willibrord Weijmar Schultz4

Veel mannen leggen een relatie tussen het formaat van hun geslachtsdeel en het functioneren ervan. Een deel van de mannen die zich zorgen maken over het formaat, wil in aanmerking komen voor operatieve verlenging of verdikking van de penis. De argumentatie hiervoor wijst nogal eens naar de vrouw. Maar in hoeverre is het formaat van de penis voor vrouwen in seksueel opzicht van belang? En in hoeverre bestaat er een relatie tussen opvattingen omtrent formaat van de penis en het huidige seksuele functioneren?

Om deze vraag te beantwoorden werd 375 seksueel actieve vrouwen die in het AZG waren bevallen een aantal vragen gesteld over hun seksuele functioneren en het belang dat zij stelden aan de omvang van de penis. 170 vragenlijsten werden teruggestuurd (respons= 45%). Het bleek dat 20% van de vrouwen de lengte van de penis belangrijk vond en 1% zeer belangrijk. 55% en 22% van de vrouwen vond de lengte van de penis onbelangrijk respectievelijk volstrekt onbelangrijk . Over de dikte van de penis waren de meningen min of meer overeenkomstig verdeeld. Lengte is daarbij van minder belang dan dikte: 21% respectievelijk 32%. De vrouwen die de dikte van de penis belangrijk vonden, waren dezelfde mening toegedaan met betrekking tot de lengte van de penis (correlatie 0,71 p = - 0,001). Mediane opsplitsing in twee subgroepen (omvang wel/niet van belang, m.b.v. T-test) liet geen significante verschillen zien met betrekking tot de demografische gegevens. Correlatie-analyse liet geen significant verband zien tussen het seksuele functioneren, gemeten met de NSF-9 en de opvattingen over de omvang van de penis.

Hoewel een duidelijke minderheid, hecht toch een aanzienlijk percentage vrouwen wel degelijk waarde aan het formaat van het mannelijke geslachtsdeel.

"It's function is simply to constrict, when necessary, the part it embraces, particularly at the time of coitus. The woman's vagina in fact is so cleverly constructed that it will accommodate itself to each and every penis; it will go out to meet a short one, retire before a long one, dilate for a fat one, and constrict for a thin one. Nature has taken account of every variety of penis and so there will be no need to seek a scabberd the same size as your knife."

Reinier de Graaf, 1672

Van geen menselijk orgaan is het formaat zoveel besproken als dat van de penis. Enkele uitstekend gedocumenteerde artikelen beschrijven de cultuur-historische lotgevallen van het mannelijk deel (van Driel et al., 1997, 1998). Hoe groter, hoe beter blijkt al eeuwenlang het devies (Vãtsyãyana, 1883). In dit opzicht werd en wordt `onder de maat zijn' in vele culturen dan ook als zeer smadelijk ervaren. Als we

daarnaast beseffen dat mannen de penis als hun meest `aantrekkelijke' lichaamsdeel ervaren (Batstra et al., 1998), alsmede een relatie leggen tussen het formaat en het functioneren van dit orgaan (Slob, 1989; Toussieng, 1977), ligt het voor de hand te veronderstellen dat sommige mannen zich zorgen maken over het formaat van hun penis (Peltz, 1973). Soms gaat dat zover, dat zij zich melden voor operatieve verlenging en/of verdikking. Met het beschikbaar komen van deze ingrepen werpt zich de vraag op welke argumenten naar voren worden gebracht om hiervoor in aanmerking te komen (de Koning, 1994; Van Driel, 1998). Desgevraagd verwijzen de mannen in kwestie vaak naar de, in hun ogen, beoordelende `instantie' bij uitstek: hun vrouw. Maar hechten vrouwen wel zoveel belang aan het formaat van de penis als deze mannen veronderstellen (Gianotten, 1998)?

In de literatuur is daarover weinig te vinden. In "Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie" maakte

0 Geaccepteerd voor publicatie: 14 juni 2001

1 A.B. Francken, co-assistent

2 Prof. dr. H.B.M. van de Wiel, psycholoog/seksuoloog NVVS

3 dr. M.F. van Driel, uroloog/seksuoloog NVVS

4 dr. W.C.M. Weijmar Schultz, gynaecoloog/seksuoloog NVVS, Academisch Ziekenhuis Groningen.

Correspondentieadres: dr. W.C.M. Weijmar Schultz, afdeling Gynaecologie AZG, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen.

E-mail: w.c.m.weymar.schultz@oprit.rug.nl


Het formaat van de penis: Was will das Weib? 125

Freud (1915) onderscheid tussen het in zijn ogen infantiele clitorale orgasme en het volwassen vaginale orgasme. Mogelijk had dit te maken met de tijdgeest. Mannen konden zich in die tijd wellicht niet voorstellen, dat een vrouw zonder een penis tot seksuele bevrediging zou kunnen komen. Nu weten we dat vrouwen met behulp van clitorale stimulatie sec tot bevrediging kunnen komen. Edoch, de meeste vrouwen ervaren de coitus als seksueel opwindend. Speelt het formaat van de penis daarbij een rol, fysiologisch dan wel cognitief? Was will das Weib?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden werd een explorerend onderzoek ingesteld met als vraagstelling:

1. In hoeverre vinden vrouwen het formaat van de penis, lengte en dikte, in seksueel opzicht van belang?

2. In hoeverre bestaat er een relatie tussen opvattingen omtrent het formaat van de penis en het huidige seksuele fuctioneren?

Proefpersonen en methode

Gezocht werd naar een relevante groep beschikbare vrouwen. Uit praktische overwegingen werd gekozen voor een populatie vrouwen die in de afgelopen jaren zonder complicaties een gezond kind ter wereld had gebracht. De vrouwen moesten langer dan 6 maanden geleden zijn bevallen.

Die praktische overwegingen waren tweëerlei: 1. er liep een onderzoek naar het seksuele functioneren na een ongecompliceerde bevalling en 2. dat bood ons de gelegenheid om `terloops' en min of meer `verpakt' informatie te vergaren over een onderwerp dat, indien centraal geplaatst, mogelijk aanleiding zou kunnen gegeven tot geen reactie of een overdreven reactie of louter hilariteit. Gegevens over het seksuele functioneren na een ongecompliceerde bevalling worden apart gepubliceerd.

De vrouwen uit de doelgroep kregen voor wat betreft de vraagstelling in dit artikel een vragenlijst toegezonden, bestaande uit de volgende vier onderdelen (zie ook bijlage):

1. demografische vragen; leeftijd, relatievorm, opleiding e.d.

2. medische achtergrond: verloop bevalling, periode vanaf bevalling tot heden, opnieuw zwanger, borstvoeding e.d.

3. huidig seksueel functioneren; bepaald met behulp van: Negen vragen over het Seksueel Functioneren (NSF, Vroege, 1996)

4. belang van het formaat van de penis; enkele

items over het belang van lengte respectievelijk dikte van de penis.

De beantwoorde vragenlijsten werden met behulp van SPSS verwerkt, waarbij gebruik werd gemaakt van: rechte tellingen, Pearson produkt-moment correlaties, Student's T-toetsen en Chi-kwadraten.

Resultaten

Van de 375 verzonden vragenlijsten werden er 170 geretourneerd (respons = 45%). De gegevens van de populatie zijn weergegeven in tabel 1.

Zoals in figuur 1 is samengevat, bleek dat 34 (20%) van de vrouwen de lengte van de penis belangrijk vonden en 1 (0,6 %) vrouw vond de lengte zeer belangrijk. Vierennegentig (55%) en 38 (22%) van de vrouwen vonden de lengte van de penis onbelangrijk respectievelijk volstrekt onbelangrijk. Over de dikte van de penis waren de meningen min of meer overeenkomstig verdeeld: 52 vrouwen (31 %) vonden dikte belangrijk, dan wel 3 (2 %) vonden het zeer belangrijk, tegenover 82 (49 %) en 30 (18 %) van de vrouwen die het onbelangrijk respectievelijk volstrekt onbelangrijk vonden (zie figuur 1). Tussen het belang hechten aan lengte en aan dikte bleek een redelijke mate van overeenstemming te bestaan (r = 0,71; p = - 0,001). Mediane opsplitsing in twee subgroepen (omvang wel/niet van belang, m.b.v. T-test) liet geen significante verschillen zien met betrekking tot de demografische gegevens. Analyse van de correlatie tussen opvattingen over omvang van de penis en het huidige seksuele functioneren, gemeten met de NSF, bracht geen enkel significant resultaat aan het licht.

Tabel 1. Totaal aantal vrouwen, pariteit, zwangerschap, gemiddelde leeftijd, gemiddelde tijdsduur na de bevalling en relationele situatie van de onderzochte populatie
Vrouwen (totaal aantal) 170
Pariteit (frequentie) 153 primi 17 multi
Zwanger * (heden) 158 niet 12 wel
Leeftijd (jaren) 30,4 niet (range 19-41) -
Tijdsduur na bevalling *
(maanden)
15,7 (range 6-28) -
Vaste relatie 168 wel 2 niet
* ten tijde van beantwoorden vragenlijst


126 A.B. Francken, H.B.M. van de Wiel, M.F. van Driel en W. Weijmar Schultz
Figuur 1. Het belang dat vrouwen hechten aan het formaat (lengte en dikte) van het mannelijk geslachtsdeel

zijn minst is de uitspraak gerechtvaardigd, dat er een gerede kans is, dat een niet onbelangrijk deel van de vrouwen het formaat van de penis wel degelijk belangrijk vindt. Herhaling van onderzoek is gewenst, bij voorkeur onder een grotere en minder specifieke populatie en met meer oog voor detail. Bijvoorbeeld: welke factoren bepalen de mening van de vrouw? Is die gebaseerd op ervaring (Fisher et al., 1983), of juist op onervarenheid, op angst of zijn er andere factoren zoals bijvoorbeeld een mogelijk verondersteld verband tussen formaat van de penis en vruchtbaarheid?

Invloed van de doorgemaakte zwangerschap op de uitkomst van het onderzoek wordt door ons niet waarschijnlijk geacht. Uit de literatuur is bekend dat we ervan uit mogen gaan dat zeker in een populatie vrouwen gemiddeld 15,7 maanden na de bevalling de seksuele relatie weer zal zijn hervat (Ryding, 1984; Adinma, 1996; Abraham et al, 1990). Wel kan als gevolg van de zwangerschap en de bevalling het seksuele functioneren veranderd zijn, met als belangrijkste negatieve verandering het vaker voorkomen van de klacht dyspareunie (Barrett et al., 1999, 2000). In dat geval mag worden verwacht, dat het percentage vrouwen dat het formaat van de penis belangrijk acht, eerder zal toenemen. Immers, als er sprake is van vulvaire dysesthesie, dan vormt het formaat van de penis niet zelden een klachtenonderhoudende factor (Weijmar Schultz et al., 2000).

Een deel van de mannen, die zich melden voor penisverlenging, geeft te kennen naast seksuele faalangst ook last te hebben van minderwaardigheidsgevoelens bij groepsgewijs douchen, saunabezoek etc. Dit is een aspect dat we in dit onderzoek buiten beschouwing hebben gelaten. Net als bij de vraag om borstvergroting bij vrouwen, zou bij deze mannen niet zozeer (seksuele) aantrekkelijkheid alswel sociale vergelijking met het eigen geslacht de belangrijkste drijfveer kunnen zijn. In het kader van de aanhoudende discussie rond penisvergroting verdient nader onderzoek aanbeveling, waarin ook de homosociale aspecten aan de orde zouden moeten komen. Tevens zou het interessant zijn om niet alleen attitude-aspecten, maar ook de objectieve maten van de penis hierbij te betrekken. Met name de `rek' in het adaptatievermogen van de vagina en mogelijk ook de omstandigheden die die rek bepalen, zouden interessante aanknopingspunten kunnen bieden voor een van de meest voorkomende seksuele klachten bij vrouwen: pijn bij het vrijen.

Volstrekt Niet Zeer

onbelangrijk belangrijk Belangrijk belangrijk

Discussie

In dit onderzoek werd gekeken naar het seksuele belang dat vrouwen hechten aan het formaat van de penis en naar een mogelijk verband tussen hun opvattingen in dezen en hun seksuele functioneren. Terwijl veel mannen tobben met het in hun ogen beperkte formaat van hun orgaan, blijkt slechts een minderheid van de vrouwen het formaat van de penis belangrijk te vinden. Lengte is daarbij van minder belang dan dikte: 21% respectievelijk 32%. Er werd geen verschil in het seksuele functioneren vastgesteld tussen de vrouwen die het formaat van de penis wel belangrijk vonden en vrouwen die het het formaat van de penis niet van belang vonden.

De conclusie kan zijn: slechts een minderheid van de vrouwen vindt het formaat van de penis belangrijk. De vraag is echter in hoeverre deze bevinding voor de twijfelaars onder de mannen, want om deze groep gaat het vooral, geruststellend is. Voor hetzelfde geld kan de conclusie luiden: maar liefst één op de drie vrouwen vindt het formaat wel belangrijk.

Een paar kanttekeningen. Een respons van 45% dwingt ons bescheiden te zijn. Mogelijk heeft deze tegenvallende lage respons in aansluiting op een overigens vreugdevolle ongecompliceerde bevalling te maken met het confronterende karakter van de door ons gestelde vragen. De demografische gegevens van de non-respondenten zijn ons niet bekend. Ook zijn we ons ervan bewust dat het hier een selectieve populatie vrouwen betreft. De onderscheiden groepen (het formaat van de penis is wel of niet van belang) functioneren op seksueel gebied niet verschillend. Dit kan dus niet de verklaring zijn voor de uitkomst van deze enquête. Op


Het formaat van de penis: Was will das Weib? 127

Vragenlijst

(A.B. Francken, H.B.M. van de Wiel, M.F. van Driel en W.C.M. Weijmar Schultz)

Algemeen

1. Wat is uw leeftijd? .........jaar.

2. Heeft u op dit moment een relatie?

o nee

o ja. Zo ja:

o ja, ik heb een vaste partner

o ja, ik heb wisselende partners

3. Wat is de hoogste opleiding waarvoor u een diploma behaald heeft?

o lagere school,

o lager beroepsonderwijs,

o mulo/mms/mavo,

o middelbaar beroepsonderwijs,

o havo, vwo,

o hoger beroepsonderwijs,

o wetenschappelijk onderwijs,

o anders namelijk.................................................

3. Welke omschrijving is op dit moment het meest op u van toepassing?

o Ik heb een betaalde werkkring,

namelijk...................................

o Ik ben werkloos (geregistreerd bij het GAB)

o Ik ben arbeidsongeschikt (WAO, AWW, enz.)

o ik heb geen betaalde werkkring (bijv. huisvrouw of vrijwilligerswerk)

4. Rekent u zichzelf tot een religieuze groepering?

o nee

o ja, ik ben rooms-katholiek

o ja, ik ben gereformeerd

o ja, ik ben Nederlands-hervormd

o ja, ik reken mijzelf tot een (andere) religieuze groepering, namelijk..........................................

5. Wat is uw etnische achtergrond?

o Nederlands

o Indonesisch

o Surinaams

o Antiliaans

o Turks

o Marokkaans

o anders, namelijk................................................

De bevalling

1. Hoeveel maanden geleden bent u bevallen? .........maanden

2. Hoe bent u bevallen?

o spontaan

o d.m.v. een keizersnee

o d.m.v. een vacuumextractie

o d.m.v. een "tang"

1. Was dit uw eerste bevalling?

o ja

o nee

2. Verrichtingen of complicaties tijdens de bevalling:

o geknipt

o uitgescheurd

o geknipt en uitgescheurd

o totaalruptuur (compleet uitgescheurd)

o perineum is gaaf gebleven

3. Welke voeding kreeg uw kind tot nu toe?

o borstvoeding. Zo ja: o..........maanden

o tot heden

o flesvoeding. Zo ja: o..........maanden

? tot heden

4. Welk anticonceptiemiddel gebruikt u?

o geen

o OAC ("de pil")

o spiraal

o anders nl.........................................

Het seksueel functioneren

Het is de bedoeling dat u vij elke vraag slechts één antwoord geeft. U doet dat door het hokje vóór het door u gekozen antwoord aan te kruisen.

1. Hoe vaak had u de afgelopen maand zin in seksueel contact? (Denk bij `seksueel contact' niet alleen aan geslachtsgemeenschap, maar ook aan andere manieren van vrijen met een partner die voor u seksueel opwindend zijn.)

o geen enkele keer

o 1x

o een aantal keren

o 1x per week

o een aantal keren per week

o 1x per dag

o een aantal keren per dag


128 A.B. Francken, H.B.M. van de Wiel, M.F. van Driel en W. Weijmar Schultz

2. Hoe vaak had u de afgelopen maand seksueel contact? (Denk bij `seksueel contact' niet alleen aan geslachtsgemeenschap; zie boven.)

o geen enkele keer

o 1x

o een aantal keren

o 1x per week

o een aantal keren per week

o 1x per dag

o een aantal keren per dag

3. Hoe vaak werd in de afgelopen maand bij seksueel contact uw vagina minder vochtig dan u wilde?

o geen enkele keer

o weleens

o regelmatig

o vaak

o iedere keer

4. Hoe vaak bleef de afgelopen maand bij seksueel contact uw vagina minder lang vochtig dan u wilde?

o geen enkele keer

o weleens

o regelmatig

o vaak

o iedere keer

5. Hoe vaak kreeg u in de afgelopen maand bij seksueel contact een orgasme (hoe vaak kwam u klaar)?

o geen enkele keer

o weleens

o regelmatig

o vaak

o iedere keer

6. Hoe vaak kwam u in de afgelopen maand bij seksueel contact minder snel klaar dan u wilde?

o geen enkele keer

o weleens

o regelmatig

o vaak

o iedere keer

7. Hoe vaak kwam u in de afgelopen maand bij seksueel contact sneller klaar dan u wilde?

o geen enkele keer

o weleens

o regelmatig

o vaak

o iedere keer

8. Hoe vaak had u in de afgelopen maand voor, tijdens, of na seksueel contact pijn in uw geslachtsdelen? (Denk bij `pijn' ook aan jeuk, een branderig gevoel etc.)

o geen enkele keer

o weleens

o regelmatig

o vaak

o iedere keer

9. In hoeverre bent u tevreden over uw huidige seksuele leven?

o zeer ontevreden

o ontevreden

o neutraal

o tevreden

o zeer tevreden

10. Ik vind de lengte van de penis

o zeer belangrijk

o belangrijk

o niet belangrijk

o helemaal niet belangrijk

11. Ik vind de dikte (omtrek) van de penis

o zeer belangrijk

o belangrijk

o niet belangrijk

o helemaal niet belangrijk

Voor 12 t/m 14 geldt steeds de hierop volgende stelling: In vergelijking met vóór de bevalling vind ik na de bevalling.....

12. Mijn sexleven

o veel beter

o beter

o hetzelfde

o slechter

o veel slechter

13. De sexuele aantrekkelijkheid van de vrouw

o veel beter

o beter

o hetzelfde

o slechter

o veel slechter

14. De toegankelijkheid van mijn vagina

o veel beter

o beter

o hetzelfde

o slechter

o veel slechter


Het formaat van de penis: Was will das Weib? 129

Literatuur

Abraham, S., Child, A., Ferry, J.Vizzard, J., & Mira, M. (1990). Recovery after childbirth: a preliminary prospective study. The Med J Austr, 152: 9-12.

Adinma, J.I.B. (1996). Sexual activity during and after pregnancy. Adv in Contrac 12: 53-61.

Barrett, G.B.A., & Pendry, E. (1999). Women's Sexuality After Childbirth: A Pilot Study. Arch Sex Behav, 28: 179-191.

Barrett G.B.A., & Pendry, E. (2000). Women's sexual health after childbirth. Brit J Obstet Gynaecol, 107: 186-195.

Batstra, L., Weijmar Schultz, W.C.M., & van de Wiel, H.B.M. (1998). Uiterlijk, relaties en seksualiteit. Psychol, 14-19.

Driel, M.F. van (1997). Het Geheime Deel. De Arbeidspers, Amsterdam.

Driel, M.F. van, Weijmar Schultz, W.C.M., van de Wiel, H.B.M., & Mensink, H.J.A. (1998). Penisverlenging: aan de maat of onder de maat? Tijdschrift voor Seksuologie 22: 3-10.

Fisher, W.A., Branscombe, N.R., Lemery, C.R. (1983). The bigger the better? Arousal and attributional responses to erotic stimuli that depict different size penises. J Sex Res, 19: 377-396.

Freud, S. (1915). Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie. Leipzig und Wien, Franz Deuticke.

Gianotten, W.L. (1998). Forum: penis aan de maat of onder de maat? Voor wie eigenlijk? Tijdschrift voor Seksuologie 22: 119-120.

Koning, P. de (1994). Soms is een penis echt heel klein. NRC Handelsblad, 9 September.

Peltz, W. (1973). Concern with penis size. Med Asp Sex, 10: 143-144.

Ryding, E. (1984). Sexuality during and after pregnancy. Acta Obstet Gynecol Scan, 63: 679-682.

Slob, A.K. (1989). Een micropenis op volwassen leeftijd, opereren of niet? Tijdschrift voor Seksuologie. 13: 1-11.

Toussieng, P.V. (1977). Men's fear of having a too small a penis. Med Asp Sex, 5: 62-70.

Vãtsyãyana, Kama Sutra (1972). 6th edition. Asia Press, Dehli.

Reinier de Graaf, 1672. In: E.R. te Velde, P.L. Pearson & F.J. Broekmans (2000). Female reproductive aging; the proceedings of the 10th Reinier de Graaf symposium, Zeist, The Netherlands, 9-11 September 1999. Studies in profertility series. Volume 9: xii-xvi. The Parthenon Publishing Group.

Vroege, J.A. (1996). Negen vragen over het seksueel functioneren (NSF). Samenstelling van een korte vragenlijst voor gebruik in farmacologische studies. Leiden: vakgroep Psychiatrie, Rijksuniversiteit Leiden.

Weijmar Schultz, W.M.C., Nijman, G.W., & van de Wiel, H.B.M. (2000). Vulvodynie, wat zijn de valkuilen? Gynaecologie voor de huisarts. Boerhaave Commissie, LUMC, Leiden, 37-53.

English summary

The size of the penis: what do women want?

A great deal of men consider that the size of the penis is directly proportional to its `sexual power'. Some men who believe that their penis is too small, wish to be considered for surgical lengthening or thickening procedures. The motivation for this fairly often involves their perception of women's desire. However, have women actually been asked about the extent to which they consider penis size to be of importance or about the relationship between the size of the penis and actual sexual functioning?

To address these questions, 375 sexually active parous women were asked a number of questions about sexual functioning and the importance they attach to the size of their partner's penis. 170 questionnaires were returned (response rate 45%); 20% of the women found the length of the penis to be important, and 1% extremely important; 55% and 22% of the women found the length of the penis unimportant and totally unimportant, respectively. Opinions about the thickness of the penis followed the same trend. Length was less important than thickness: 21% and 32%, respectively. The women who found the thickness of the penis important had the same opinion about the length of the penis (r = 0.71, p = -0.001). A median split into two subgroups (thickness important / unimportant; t-test) did not reveal any significant differences in relation with demographic data. No significant differences were found in sexual functioning between women who did and did not indicate that penile size was important. Although in the minority, a considerable percentage of women attached value to the size of the male sexual organ.



Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 130-138

SEKSUELE GEDRAGING... OVER DE DELICTOMSCHRIJVING IN DE KINDERPORNOWETGEVING1

Frits Wafelbakker2

Op 3 juli 1985 trad het nieuwe art 240 b Sr in werking, het zgn. kinderporno-artikel3. Dit artikel noemt de drie delen van het delict: `kennelijke leeftijd van zestien jaar', `afbeelding van een seksuele gedraging', en `in voorraad hebben'. In een vorig artikel werd de `kennelijke leeftijd van zestien jaar' nader beschouwd (Wafelbakker, 2000). Thans wordt ingegaan op het begrip `seksuele gedraging', dat als een nouveauté in wetstermen is te beschouwen. Nagegaan wordt hoe het in de strafwet is terechtgekomen en tot welke vragen het naderhand heeft geleid. Ter onderbouwing volgen een aantal strafzaken. Ingegaan wordt op de gevolgen van de omschrijving `seksuele gedraging' voor de samenleving. Tenslotte volgen enkele gedachten over `virtuele' kinderporno, die strafbaar zal worden als Nederland zich aansluit bij de ontwerpconventie tegen `cybermisdaad' van de Raad van Europa.

Wetsgeschiedenis

De in 1970 ingestelde Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving (Commissie Melai) kwam in 1973 met een Tweede interimrapport, over exhibitionisme, naaktrecreatie en pornografie (Adviescommissie, 1973). Vijf jaar later kon de minister van Justitie (de Ruiter, CDA) zich met de strekking van dit rapport verenigen en in oktober 1979 diende hij een wetsontwerp ter wijziging van art. 240 in. De behandeling daarvan liep aanvankelijk rustig, maar stuitte rond 1982 op verzet vanuit de vrouwenbeweging, die moeite had met de `liberale' strafrechtelijke regeling van pornografie (Goudt & van Herk, 1984; Kosto, 1984). Korte tijd later ontstond er ook maatschappelijke discussie rond kinderpornografie, aangeblazen door de Amsterdamse politie die in juli 1984 invallen deed bij seksshops en aanwezige kinderporno in beslag nam.

Op 20 september 1984 stelde mw Groenman (D'66) in de Tweede Kamer een amendement voor, waarbij strafbaar gesteld werd `hij die een afbeelding aanbiedt of verspreidt ten behoeve van de vervaardiging waarvan een misdrijf is gepleegd'. De minister (Korthals Altes, VVD) reageerde op 2 oktober 1984 met een `derde nota van wijziging' waarin niet meer gesproken wordt van een afbeelding waarvoor een misdrijf plaats vond, maar van een `af

beelding van een seksuele gedraging'. Daarop diende Mw Groenman op 5 oktober 1984 een gewijzigd amendement in waarin zowel de `seksuele gedraging' als het `gepleegde misdrijf' waren opgenomen. In een toelichting onderstreepte zij dat laatste: Het gaat dus om porno, waarbij aantoonbare strafbare feiten zijn gepleegd (kinderporno, porno onder dwang) speciaal ten behoeve van het maken van de afbeelding (Tweede Kamer 1984-1985, 15 836, 13/17/19).

Het begrip `seksuele gedraging', dat verder in de zedelijkheidswetgeving geheel onbekend is, (van der Neut, 2000) stamt dus uit de koker van de minister, i.c. van een anonieme ambtenaar ten ministerie, en is daarna overgenomen door mw Groenman.

Uiteindelijk komt de term ook terecht in het nieuwe wetsontwerp, dat ongewijzigd aanvaard wordt. Er zijn verschillende pogingen ondernomen om het te veranderen. Zowel de NVSH als het COC hebben voorgesteld om de strafbaarheid te binden aan de seksuele handelingen bedoeld in een van de strafwetsartikelen 242 tot en met 249 door of met de afgebeelde persoon verricht (Tweede Kamer 1993-1994, 23.682, 4). Daarmee zou de wetgeving overeenkomen met het Duitse Strafgesetzbuch, dat strafbaarheid van kinderporno verbindt aan seksueel misbruik: `Wer pornographische Schriften, die Gewalttätigkeiten, den sexuellen Missbrauch von

1 Geaccepteerd voor publicatie: 26 maart 2001.

2 Drs. F Wafelbakker, arts/seksuoloog NVVS, augustus 2001.

3 Art.240 b. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in voorraad heeft. Niet strafbaar is degene, die dergelijke afbeelding in voorraad heeft waarvan vaststaat dat hij deze voor een wetenschappelijk, educatief of therapeutisch doel gebruikt.



Seksuele gedraging... Over de delictomschrijving in de kinderporno-wetgeving 131

Kindern zum Gegenstand haben... wird bestraft' (Jescheck, 1999; van der Neut, 2000).

Dat zou ook een begin van harmonisatie in de Europese strafwetgeving betekend hebben, wat zeker voor kinderporno zinvol is, omdat velen menen dat er een sterke internationale uitwisseling bestaat.

Het ontbreken van een memorie van toelichting en - aanvankelijk - van iedere onderbouwing van het begrip `seksuele gedraging' leidde tot een serie problemen. Aanvankelijk bestond bij politie en justitie nog de gedachte dat kinderporno vooral bestreden moest worden omdat het prikkelend was. Daarbij steunde men op de formulering van de Werkgroep kinderpornografie (de Wit, 1986), die aangaf dat met de in art 240 b bedoelde afbeeldingen mede beschouwd moet worden afbeeldingen, `al dan niet alleen, in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van seksuel prikkeling wordt beoogd'. Deze opvatting hield meer dan tien jaar stand en speelde een belangrijke rol in de zgn. Maderzaak. Pas door de Handleiding van de procureurs-generaaal (1996) werd dit doorbroken. `De in 1985 ingevoerde strafbepaling inzake kinderpornografie levert nog een heleboel interpretatieproblemen op, met alle daaruit voortvloeiende onzekerheden', aldus mr `t Hart in een Noot bij de uitspraak van de Hoge Raad op 4 december 1990, naar aanleiding van de inbeslagname van kalenders (Nederlandse Jurisprudentie 1991, no 312). Ook van der Neut die een uitgebreide studie gemaakt heeft van art 240 b meende `dat de formulering voor de gekozen delictomschrijving moeilijk als erg doordacht kan worden bestempeld' (van der Neut, 2000). Later strandden ook alle pogingen om tot een betere formulering te komen. Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe artikel is er voortdurend discussie geweest over de invulling van het begrip `seksuele gedraging'. In verschillende Algemene Politie Verordeningen kent men, in verband met prostitutie, wel de term `seksuele handelingen'.

Toelichting door de procureurs-generaal

Het duurde nog negen jaar voordat er meer duidelijkheid kwam. Op 15 september 1996 trad er een `Handleiding college van procureurs-generaal' in werking. Daarin werd voor het eerst duidelijk geformuleerd dat de bescherming van de (afgebeelde) jeugdige centraal staat en dat het niet de bedoeling is om derden te behoeden voor kennisneming van seksueel prikkelend beeldmateriaal of om uiting te geven aan bepaalde zedelijke opvattingen. Bij het

delictbestanddeel `seksuele gedraging' werd onderscheid gemaakt tussen afbeeldingen van seksuele gedragingen die elders in de strafwet strafbaar gesteld zijn (seksueel binnendringen, ontuchtige handelingen, verleiden) en afbeeldingen van een jeugdige alleen. Voor dit laatste is een aparte vragenlijst nodig om onderscheid te kunnen maken ten aanzien van een `normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer'. Een onnatuurlijke pose, een duidelijk seksueel getinte houding, de nadruk op de geslachtsdelen, bepaalde kleding, voorwerpen, attributen, een omgeving waarin een kind van heel jonge leeftijd niet verkeert, dat zijn de factoren die kunnen maken dat een afbeelding als een seksuele gedraging moet worden gekwalificeerd. In een bijlage werden al deze factoren nog eens nadrukkelijk geformuleerd (Handleiding procureurs-generaal, 1996).

Op 13 oktober 1998 werd deze handleiding omgebouwd tot een `Aanwijzing kinderpornografie', naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad in april 1998 over het delictbestanddeel `in voorraad hebben'. Duidelijk wordt gezegd dat de intentie van art 240 b is de jeugdige te beschermen tegen seksueel misbruik. Het is niet de bedoeling derden te behoeden voor kennisneming van seksueel prikkelend beeldmateriaal (Aanwijzing kinderpornografie, 1998).

Zaak Mader

Don Mader, een Amerikaanse fotograaf die zich in de tachtiger jaren in Amsterdam vestigde, organiseerde in mei 1987 een tentoonstelling in de Amsterdamse boekhandelgalerie Intermale. Hij toonde naaktfoto's van de ontwikkeling van knaap tot man. Een deel van de foto's werd in beslag genomen, waarbij de rechercheurs als criterium kozen of er wel of geen schaamhaar te zien was' (NRC-Handelsblad 16-5-1987). Tegen de eigenaar van de boekhandel en de fotograaf werd proces verbaal opgemaakt. Justitie in Amsterdam vroeg aan de Amerikaanse politie `achtergrondinformatie' over de kinderen die voorkwamen op de in beslag genomen foto's (Trouw 6-6-1987).

Mader diende een bezwaarschrift in, waarin de rechtmatigheid van de dagvaarding werd betwist, omdat er op de foto's geen derde te zien is, zodat van `betrokken zijn bij' geen sprake is. Ook meende hij dat het enkele `bloot zijn' geen `seksuele gedraging' is.

De rechtbank wees het bezwaarschrift af, omdat `in die afbeelding een onevenredige nadruk op het


132 F. Wafelbakker

geslachtsdeel wordt gelegd of het geslachtsdeel wordt gemanipuleerd'. Slechts twee van de aanvankelijk 15 in beslag genomen foto's konden worden aangemerkt als afbeeldingen van een seksuele gedraging.

Zowel Mader als de officier van justitie gingen in beroep. Mader voerde aan dat vervolging van hem in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, nu soortgelijke foto's verspreid en/of tentoongesteld konden worden zonder vervolgd te worden. Hij beschouwde zijn foto's niet als naaktfoto's maar als uitingen van kunst.

Het gerechtshof in Amsterdam geeft dan een bredere uitleg aan het begrip kinderporno. Er is sprake van kinderporno als een jeugdige is afgebeeld `in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van seksuele prikkeling wordt beoogd'. Deze uitspraak wekte nogal wat beroering in de media. Schalken, hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht, in 1972 gepromoveerd op het onderwerp `pornografie en strafrecht', constateerde dat `daarmee wederom een terminologie in onze zedelijkheidswetgeving geintroduceerd is, die de jurisprudentie sinds het tijdperk van ver voor de seksuele revolutie niet meer hanteerde' (NRC-Handelsblad, 1988).

Ook de Coornhert-Liga, die zich richt op de juridische grondrechten van de mens, tekende bezwaar aan. `Het gerechtvaardigde doel van artikel 240 b - de bescherming van kinderen tegen seksuele exploitatie - wordt door deze omschrijving voorbijgeschoten. Doordat `gedraging' mede wordt uitgelegd als een `houding', kan vervolging worden ingesteld voor naaktfoto's, tekeningen en schilderijen die in de Nederlandse rechtsgeschiedenis nooit illegaal zijn geweest. Daaronder de uitgave van klassieke werken zoals `Amor Vincit Omnia' van Caraveggio en andere erkend erotisch getinte verbeeldingen zoals die van Pontorno, Caracci en Balthus' (Coornhert-Liga, 1988).

Bij de behandeling door de Hoge Raad meende advocaat-generaal Leijten dat `als ik de foto's in deze zaak bezie de beleidsvrijheid van het OM om tot vervolging over te gaan wel tot het uiterste toe schijnt te zijn uitgerekt'. Maar de Hoge Raad plaatste zich toch achter de interpretatie van het gerechtshof, dat het aannemen van een lichaamshouding ook een gedraging is, en bovendien kunnen die gedragingen een seksueel karakter krijgen door de prikkelende werking die zij hebben op toeschouwers (Nederlandse Jurisprudentie 1990, Nr 667). `De koppeling van strafbaarheid aan een beoogde zinnenprikkeling is zeer discutabel en hoort niet thuis in

een strafbepaling die jeugdigen tegen seksuele exploitatie wil beschermen. Het is ook een terugval naar de tijden waarin moralisme de toon zette bij strafbepalingen' (van der Neut, 2000). De vraag naar de `prikkelwerking' van kinderporno keert later in verhulde vorm terug bij de discussie over `virtuele' afbeeldingen.

Naakt voor de camera

De eigenaar van de boekhandel/galerie `Intermale', die tegelijk met Mader in 1987 aangeklaagd werd, liet het er evenmin bij zitten. Hij signaleerde dat er in `De Meervaart', in Osdorp, waar juist de tentoonstelling `Naakt voor de camera' gehouden werd, foto's hingen die `justitieel' niet verschilden van de bij hem verwijderde foto's . Hij diende een aanklacht in en de politie haalde inderdaad enkele foto's weg. Eerst meende de politie dat de foto's te oud waren, omdat de afgebeelde kinderen al heel lang geen kinderen meer waren. Ook overwoog men dat hier `toch eigenlijk wel min of meer een beetje sprake was van Kunst'. `Van hogerhand wordt dit gezwabber gecorrigeerd, waarna alsnog één lijn wordt getrokken' (De Tijd 10-7-1987).

Erectie een seksuele gedraging?

In 1988 bestelde de vereniging `Martijn', een vereniging van pedofielen, vijf PojkArt kalenders bij het `Verlag Jugend in der Kunst' in Lübeck, dat handelt in `art-prints, calenders, books, photographs, video's, and sculpture'. Deze kalenders werden daarna door Justitie in beslag genomen, omdat zij afbeeldingen zouden bevatten die zgn kinderpornografie, art 240b opleveren. Martijn diende beklag in om de kalenders terug te krijgen, aanvoerend dat er geen sprake was van een seksuele gedraging. De rechtbank te Almelo achtte art 240 b toepasselijk op een afbeelding: `op de bewuste afbeelding, te weten de foto bij de maand maart, is een jongeman zichtbaar, die duidelijk een pose heeft aangenomen met zijn linkerzijde naar de camera gewend, waarbij duidelijk het, in enigszins gezwollen toestand verkerende geslachtsdeel te zien is'. De klager meende dat het enkel en alleen poseren geen seksuele gedraging kan opleveren. De rechtbank overwoog `dat het poseren een gedraging vormt welke door de manier waarop en de toestand waarin het geslachtsdeel is gefotografeerd, een sexueel karakter heeft' en dat er geen sprake is van `enkel bloot' zijn. De Hoge Raad sloot zich hierbij aan. In de zaak voerde klager ook nog aan dat er voor een


Seksuele gedraging... Over de delictomschrijving in de kinderporno-wetgeving 133

`seksuele gedraging' minstens twee deelnemers vereist zijn. De Hoge Raad oordeelde dat `het vereist zijn van minstens twee deelnemers' geen steun vindt in het recht (Nederlandse Jurisprudentie 1991, nr. 312).

Het door rechtbank en Hoge Raad gelegde verband tussen erectie en seksuele gedraging vindt echter onvoldoende steun in de fysiologie van de opgroeiende jongen. Juist bij jeugdigen kan een erectie optreden als gevolg van een veelheid van prikkels. Kinsey spreekt van een `very generalized nature of the response'. In de juridische praktijk wordt een erectie te snel opgevat als een teken van erotische prikkeling. In 1943 deed Ramsey onderzoek naar het optreden van erecties bij jeugdigen. Zijn proefgroep van 291 jongens in de pre-adolescentie , 7e en 8e jaar junior high school, meldde 23 lichamelijke (douche, zwemmen, busrit, duiken, skiën, enz), 22 emotionele (angst, te laat komen, voor de klas komen, politie zien, enz.) en 19 overwegend emotionele (evenwicht verliezen, leeg huis binnenkomen, volkslied horen, enz) oorzaken van een erectie, naast 13 seksuele (meisjes zien, seksplaatjes, zichzelf bloot in de spiegel zien, genitaliën van andere mannen zien, liefdesverhalen, enz.) bronnen. (Kinsey, 1948) Het is te betreuren dat de seksuologie-wereld niet heeft gereageerd op de eenzijdige erotische interpretatie van erecties bij jeugdigen door de juridische wereld.

Van verschillende kanten is voorgesteld om de term `gedraging' te vervangen door `handeling'. Een van de discussiepunten was namelijk de afbeelding van een jeugdige met een erectie. Dat zou wel een gedraging, maar geen handeling zijn.

De betreffende kalender was daarna bij alle homo-boekhandels zonder problemen verkrijgbaar.

Zaak Ophuis

Najaar 1997 is er in de Bergkerk te Deventer een tentoonstelling `Alleen in het Atelier', met werk van drie jonge kunstenaars die `de menselijke figuur centraal stellen'. Over een schilderij van Ronald Ophuis wordt geklaagd door bezoekers, die zich gekwetst voelden. Het schilderij, `Sweet Violence', geeft een verkrachtingssiuatie weer, waarbij twee mannen, een vrouw en twee kinderen betrokken zijn.

Na overleg met het Openbaar Ministerie in Zwolle werd `Sweet violence' van de tentoonstelling verwijderd. Ook de catalogus, met een afbeelding van Sweet Violence, werd voorlopig uit de verkoop genomen, waarbij het O.M. zich beriep op artikel

240 b Wetboek van Strafrecht.

Ronald Ophuis liet het er niet bij zitten en spande een kortgeding aan. Daarbij bepaalde de president van de rechtbank in Zwolle dat het Openbaar Ministerie in Zwolle het schilderij ten onrechte had aangemerkt als `in strijd met art 240 b van het Wetboek voor Strafrecht'. Als argument voerde de president aan dat er op het schilderij `geen herkenbare figuren waren afgebeeld'. Het gaat in artikel 240 b Sr over afbeeldingen van iemand. De procureurs-generaal stellen nadrukkelijk in hun handleiding van 8-2-1996 onder 3.1.3 : `Afbeeldingen waarvan vaststaat dat zij zijn vervaardigd zonder betrokkenheid van een echt kind. Dit materiaal kan een werkelijke seksuele gedraging nabootsen. "Iemand" is echter een persoon, niet een tekening of iets dat kunstmatig vervaardigd is. Een levensechte animatie, tekening, etc is niet strafbaar. Indien vaststaat dat er geen kind betrokken is geweest bij de vervaardiging ervan blijft vervolging achterwege'.

Bij de behandeling van art 240b in de Tweede Kamer is nog een poging gedaan om artistieke uitingen rond kinderseksualiteit buiten de strafwet te stellen. Maar dat heeft het niet gehaald. Alleen wetenschappelijke, educatieve en therapeutische doelen vallen nu onder de exceptie van art 240 b.

Zaak Schafthuizen

In 1998 stuit een vrouwelijke abonnee van de artotheek in Schiedam bij het `doorbladeren' van een diapresentatie op enkele `naar kinderporno neigende' foto's van Joop Schafthuizen, de partner van schrijver Gerard Reve. De vrouw deed aangifte bij de politie. De artotheek had het werk, dat dateert uit de jaren zestig, begin jaren zeventig aangekocht. De afbeeldingen vormden onderdeel van vijftien collages met in totaal circa 100 foto's. `Het werk werd zelden of nooit uitgeleend' (Leenes, 1998). Volgens krantenberichten waren op enkele collages naakte jongens te zien die elkaar met de hand bevredigden. Het werk werd in beslag genomen door Justitie, die het kwalificeerde als kinderporno. In september 1999 besliste Justitie dat de vijf fotocollages niet meer in het openbaar vertoond mogen worden. Joop Schafthuizen doet afstand van de foto-collages en wordt niet vervolgd (Volkskrant 11-9-1999).

Zaak `Attack'

Als onderdeel van het Holland Festival 1999 vond er in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et


134 F. Wafelbakker

Amicitiae een openbare tentoonsteling plaats, onder de titel `Attack', waarop foto's getoond werden van manlijk naakt, van Japanse prostituees en Maori-tatouages. Enig opzien baart de foto van een naakte man met een erectie, die een net zo naakt kind op de arm houdt. Het is de foto `Father and Son' uit 1962, gemaakt door de vrouw van de Amerikaanse fotograaf Walter Chapell. De lokale tv-zender AT5 vroeg de mening van het Openbaar Ministerie over de foto's. Zondag 6 juni 1999 werd deze foto in beslag genomen door het OM in Amsterdam, omdat het hier om kinderporno zou gaan (NRC 8-6-1999). De directie van het Holland Festival is zeer verbaasd over het verwijderen van de bijna veertig jaar oude foto. De foto is in de Verenigde Staten al vaak zonder problemen tentoongesteld. Ook alle catalogi waarin de foto staat werden in beslag genomen. Later werden nog eens acht foto's op de tentoonstelling `Attack' aangemerkt als kinderporno en `formeel in beslag genomen'; ze mochten wel blijven hangen. Het ging om foto's van verschillende fotografen waarop naakte jongetjes te zien waren en die gemaakt zijn tussen 1890 en 1980. Een groot aantal prominenten in de Nederlandse kunstwereld keert zich tegen de inbeslagname van negen foto's en in de pers speelt zich een discussie af tot in de commentaar-kolommen. Het Holland Festival dient een klaagschrift in tegen de inbeslagname en daarop worden twee foto's weer vrijgegeven (Volkskrant 11-6-1999).

Op 14-6-1999 beslist de raadkamer van de Amsterdamse rechtbank dat er geen sprake is van kinderporno. Volgens de rechter is van geen enkele foto, waarvan sommige meer dan een eeuw oud zijn, gebleken dat er misbruik is gemaakt van de kinderen. Ook is op geen foto sprake van een seksueel uitdagende houding of van `een ambiance met een seksuele lading', die als schadelijk voor de afgebeelde jongens aangemerkt kunnen worden (NRC 15-6-1999).

Het openbaar ministerie gaat tegen de uitspraak in cassatie bij de Hoge Raad, zoals na het gegrond verklaren van een klaagschrift volgens de wet nodig is.

Op 26-9-2000 geeft de Hoge Raad aan het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank. Op geen enkele wijze blijkt dat er bij het maken van de foto's misbruik is gemaakt van de afgebeelde jongens. Over de foto `Father and Son' wordt gezegd `dat het jongetje de erectie niet ziet en dat hij onherkenbaar in beeld is gebracht'. Daardoor is het niet aannemelijk dat hij hierdoor schade heeft opgelopen.

Beschouwingen

In 1970 begon de Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving (Melai) haar werkzaamheden, die tien jaar zouden nemen. In het Tweede interimrapport, dat mede handelt over pornografie, worden `geschriften' niet langer als porno beschouwd. De commissie meent dat er geen wetenschappelijke gronden bestaan om pornografie te bestrijden, zij het dat voor jeugdigen een uitzondering gemaakt moet worden, in verband met hun grotere ontvankelijkheid voor beïnvloeding.

In het Eindrapport stelt de commissie dat `met de bedreiging en toepassing van straf uiterste terughoudendheid geboden is' en `dat het niet tot de taak van de staat behoort zijn opvattingen omtrent het zedelijk goed leven met behulp van strafrecht af te dwingen'.

Bij de herziening van art. 240 Sr wordt die lijn ook gevolgd. Pas door het amendement van mw Groenman wordt weer een strafbaar delict toegevoegd, i.c. kinderpornografie. Maar de strafbaarheid is niet ingegeven door `opvattingen omtrent zedelijk goed leven', maar door de bescherming van jeugdigen tegen seksueel misbruik. Het gaat om `porno, waarbij aantoonbare strafbare feiten zijn gepleegd'.

Helaas wordt deze motivering niet vastgelegd in een memorie van toelichting, waardoor het mogelijk wordt dat de motivering voor de strafbaarheid ontleend wordt aan het in 1986 uitgekomen Rapport de Wit en gebonden wordt aan `het kennelijk opwekken van seksuele prikkeling'. Dit prikkelingsmotief houdt geruime tijd stand, bij rechters en Hoge Raad. Pas de Handleiding van de P-G's geeft daarover, in 1996, uitsluitsel. Het oogmerk anderen te prikkelen wordt nu gezien als bijzaak.

Het blijft een vraag of opsporingsambtenaren uit de voeten kunnen met de ruime omschrijving van kinderporno en de daarbij gevoegde vragenlijst. De `diender op straat' kan de verfijnde criteria natuurlijk niet paraat hebben. Zo nam in 1995 een Amsterdamse agent een poster in beslag met betrekking tot een Europese studentenfilmfestival `Cinestud 95', waarop een bloot jongetje van twee jaar is afgebeeld, dat een videocamera voor de borst draagt; daaronder is zijn piemeltje te zien. De A'damse zedenpolitie vindt dat er sprake is van kinderporno: hier is een grens overschreden. Ook de inspecteur van politie achtte dit kinderporno. Pas de Officier van Justitie besliste dat het hier niet om een strafbare afbeelding ging. Voorlichter Wilting moest het uitleggen en vond `als het dan geen porno


Seksuele gedraging... Over de delictomschrijving in de kinderporno-wetgeving 135

was, dat het toch wel smakeloos was'. Dat valt echter buiten de politionele verantwoordelijkheid.

Bij het lezen van de verschillende uitspraken en vonnissen ontkomt men niet aan het gevoel dat er sterk uiteenlopende meetstokken worden gehanteerd. Ze lenen zich zelfs niet voor een enigermate consequente jurisprudentie. Daarnaast zou men wensen dat er meer seksuologische deskundigheid bij Justitie beschikbaar is. Wat moet men denken van een uitspraak `dat het kind de erectie van zijn vader niet kan waarnemen'?

Gevolgen van art 240 b

1. De invoering van art 240b heeft duidelijk gevolgen voor de handel in kinderporno, waarop in eerste instantie ook het `in voorraad hebben' gericht was. De commercie trekt de juiste conclusie en de werkgroep kinderpornografie meent dat `zes firma's hun activiteiten gestaakt hebben' (de Wit, 1986; Tweede Kamer, 23.682, nr.5). Twee bekende verzendhuizen, in Amsterdam en Dordrecht, hebben ook hun handel opgedoekt. Door de komst van goede en goedkope videocamera's is het aantal niet-commerciële vervaardigers echter gestegen. Verder heeft zich via Internet, dat een forse stijging van het aantal aansluitingen toont, een nieuwe en oncontroleerbare verspreidingsweg ontwikkeld.

Over de omvang van strafzaken heeft Frenken (1999) gegevens van de politie geïnventariseerd. In de jaren 1991-1998 zijn rond 200 kinderpornografiezaken bij de politie bekend geworden. Opmerkelijk is het bestaan van netwerken, waaronder ook enkele commerciële. Het gemiddelde aantal verdachten per netwerk bedraagt zes.

2. Voor de seksuologie/seksuele voorlichting/seksuele vorming heeft de invoering van art 240 b ook gevolgen gehad. Als we er van uitgaan dat art 240b bedoeld was om (afbeeldingen van) seksueel misbruik van kinderen te voorkomen, dan is de keuze van de term `seksuele gedraging' weinig gelukkig en zeker te breed. `Er zijn sterke aanwijzingen dat seksuele gedraging als een onbedoelde variatie op ontuchtige handeling in de wet is terecht gekomen', meent ook van der Neut (2000).

Door de extensieve uitleg die aan `seksuele gedraging' gegeven wordt, komen ook alledaagse uitingen en handelingen in een verdacht perspectief te staan. In seksuele voorlichting/vorming wordt gestreefd naar een bredere benadering dan alleen fysiologie en preventie van SOA/Aids/ongewenste zwangerschap. Er dient ook aandacht te zijn voor attractie, intimiteit, opwinding, prikkeling en lust,

maar de afbeelding daarvan bij jeugdigen is strafbaar. Immers een `duidelijk seksueel getinte houding' valt onder de criteria van de Procureurs-Generaal.

Ook de afbeelding van een geheel normaal fysiologisch fenomeen als een erectie bij een jongere wordt gecriminaliseerd en strafbaar gesteld.

Er zijn in ons land ontelbare afbeeldingen in omloop van naakt poserende meisjes en jongelingen. Denk aan de foto's van Von Gloeden, die in boekhandels te koop zijn. Iedere encyclopedie voor de seks bevat afbeeldingen die onder de brede uitleg van art 240b vallen, zonder dat daarop de exceptie `wetenschappelijk onderzoek' van toepassing is.

De Coornhert-Liga maakt zich naar aanleiding van de Mader-zaak zorgen over de censuur die haaks staat op in Nederland lang gekoesterde vrijheidsbeginselen (Coornhert-Liga, 1988).

3. In bredere zin hebben de invoering van art 240 b en het verscherpte en verruimde opsporingsbeleid ook bredere gevolgen gehad voor de samenleving in ons land. Bij het grote publiek is een tendens merkbaar waarbij ieder kinderbloot verdacht is en waarbij iedere afbeelding van kinderbloot als `kinderporno' wordt benoemd. Ook handelingen met camera's rond blote kinderen wekken al verdenking op kinderporno.

Tijdens de hittegolf van augustus 1997 (9-8-'97) maakte de NOS televisie opnamen voor het Journaal over de warmte en het strandbezoek, vanaf de boulevard van Zandvoort. Een mevrouw riep `dat ze kinderporno aan het maken waren'. Een surveillerende agent in burger sommeerde de cameraman met filmen te stoppen. De NOS-medewerker gaf daaraan geen gehoor en werd gearresteerd. Verschillende mensen hadden naar het bureau gebeld over het filmen van blote kinderen. `Dan ga je natuurlijk kijken'. Nadat de cameraman een half uur in verzekerde bewaring had doorgebracht bood de inmiddels aangekomen hulpofficier van Justitie excuses aan en vroeg begrip voor de onervarenheid van de jonge agenten. De NOS diende een klacht in wegens onrechtmatig handelen en wederrechtelijke vrijheidsberoving (Volkskrant 14-8-'97).

In de Verenigde Staten wordt kinderporno door sommigen gezien als een zwaarder misdrijf dan moord. In ons land is de term `kinderporno' tot een `code' geworden voor iets onnoembaar ernstigs.

Je kunt je afvragen of de `seksuologie' of de `kinderpsychologie' in ons land - of hun beroepsverenigingen - niet hadden moeten reageren toen de brede en ongenuanceerde ontwikkeling rond het criterium `seksuele gedraging' plaats greep.


136 F. Wafelbakker

Virtueel misbruik

In feministische kring maakte men zich voor het eerst in 1993 zorgen over de mogelijkheid om met hulp van computertekenprogramma's virtuele (niet werkelijk bestaande) afbeeldingen te maken, die bovendien interactief gemanipuleerd kunnen worden (Gerstendörfer, 1994).

Minister Sorgdrager (D'66) sprak zich in haar nota van 20-2-1995 duidelijk uit: `Beeldmateriaal bij de vervaardiging waarvan niet een echt kind betrokken is geweest kan een werkelijke seksuele gedraging nabootsen. Het valt naar de letter onder het bereik van art 240 b. Nu daarbij geen reëel persoon is betrokken, zal vervolging naar mijn oordeel achterwege moeten blijven (Tweede Kamer 1994-1995, 23.682, Nr.5).

Ook de PG-aanwijzing van 13 oktober 1998 was helder over: `afbeeldingen waarvan vaststaat dat zij zijn vervaardigd zonder betrokkenheid van een echt kind (virtuele kinderpornografie). Naar moet worden aangenomen is het niet de bedoeling van de wetgever (geweest) om deze vorm van totstandkoming van pornografische afbeeldingen onder de werking van artikel 240 b Sr te laten vallen. De huidige zedelijkheidswetgeving biedt ook geen adequaat alternatief om succesvol te kunnen vervolgen' (Aanwijzing kinderpornografie 1998).

Daaraan wordt echter in de kabinetsnota van juli 1999 gemorreld: `De strekking van art 240b Sr is de bescherming van echte kinderen tegen seksueel misbruik. Dit uitgangspunt heeft nog steeds geldigheid. Maar de moderne techniek maakt het mogelijk om levensechte beelden te vervaardigen zonder betrokkenheid van echte personen. De rechtvaardiging voor strafbaarstelling kan dan gevonden worden in het voorkomen van schade als gevolg van het in omloop brengen van beeldmateriaal dat seksueel misbruik suggereert. Bij de onderhandelingen in de Raad van Europa over een `Convention on Crime in Cyberspace' lijkt zich een zekere consensus af te tekenen voor de strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie. Voor effectieve bestrijding van kinderporno, in het bijzonder op Internet, kan het nodig zijn dat ook kan worden opgetreden tegen kennelijk echte kinderporno. Van politie en openbaar ministerie kan niet worden verlangd dat bewezen wordt dat het aangetroffen materiaal echte kinderen afbeeldt. Het is verstandig de internationale ontwikkelingen in deze af te wachten' (Tweede Kamer 1998-1999, 26.690, Nr.2).

Tweede Kamerleden vroegen naar de omvang van het verschijnsel virtuele kinderpornografie. Is

er sprake van een toename van het aantreffen van virtuele kinderpornografie? (Tweede Kamer 1998-1999, 26.690, Nr. 3).

Bij brief van 6-12-1999 antwoordde minister Korthals: `Er wordt een onderscheid gemaakt tussen geheel getekende, geschilderde of op een andere wijze `kunstzinnig' vervaardigde afbeeldingen voorstellende kinderpornografie en foto's van kinderen, waarvan uiteindelijk door middel van computerprogramma's kinderpornografische afbeeldingen (foto's) worden gemaakt (in het vakjargon `morfing' geheten; een computerproces om foto's virtueel te veranderen).

Van de `kunstzinnig' vervaardigde afbeeldingen is het in de meeste gevallen niet bekend of er kinderen in de situaties model hebben gestaan (en dus daadwerkelijk misbruikt zijn) of dat ze geheel aan de fantasie van de kunstenaar zijn ontsproten. Er zijn ook afbeeldingen bekend van bijvoorbeeld figuurtjes uit bekende `Disney-tekenfilms' voor kinderen, die in een (al of niet kinder)pornografische setting zijn getekend en via het Internet worden verspreid. Tevens zijn er tekeningen bekend, voorstellende sadomasochistische situaties waarin kinderen zijn afgebeeld. Van dit soort `kunstzinnige uitingen' zijn zowel op Internet als in boekvorm (veelal afkomstig uit Japan) vele voorbeelden bekend.

Ook van de door middel van computerprogramma's veranderde (gemorfde) foto's zijn meerdere voorbeelden bekend. Hiervoor zijn wel originele foto's van kinderen gebruikt die door middel van morfing zijn veranderd in virtuele kinderpornografie. Soms worden hiervoor foto's gebruikt die gemaakt zijn op bijvoorbeeld nudistenstranden, maar er zijn ook virtuele kinderpornografische foto's bekend van kinderen uit bekende televisieseries of van kinderen uit gidsen van postorderbedrijven.

De computerprogramma's die in staat zijn om dergelijke veranderingen in bestaande foto's te maken, worden steeds geavanceerder en verfijnder, zodat het steeds moeilijker wordt om vast te stellen of het om een door middel van computerprogramma's vervaardigde/veranderde foto gaat, waarvoor een eerst niet-pornografische (niet strafbaar in de zin van artikel 240 b) foto van een echt kind is gebruikt of dat het om een foto gaat van een misbruiksituatie zoals strafbaar gesteld in artikel 240 b.

Soms kan dit wel worden vastgesteld doordat soms met de nodige expertise nog steeds te zien is dat de oorspronkelijke, niet strafbare foto wel bekend is. Ook van deze vorm van virtuele kinderpornografie zijn meerdere voorbeelden bekend met


Seksuele gedraging... Over de delictomschrijving in de kinderporno-wetgeving 137

name op het Internet. Er duiken ook met enige regelmaat nieuwe afbeeldingen op, soms aan de hand van op dat moment populaire televisieseries waarin kinderen acteren.

Of er sprake is van een toename is moeilijk vast te stellen, door de grote hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen die op het Internet voorhanden zijn en doordat het door de voortschrijdende techniek steeds moeilijker wordt om vast te stellen of het om virtuele (gemorfde) foto's gaat of echt opgenomen misbruiksituaties waarbij kinderen als slachtoffer betrokken zijn. Dit bemoeilijkt ook het verkrijgen van zicht op de omvang' (Tweede Kamer 1999-2000, 26.690, Nr. 3).

Op vragen van Tweede Kamerleden waarom internationale ontwikkelingen afgewacht moeten worden antwoordt de minister: `In het kader van de Raad van Europa wordt onderhandeld over een Convention on Crime in Cyberspace. De Verenigde Staten en Canada zijn bij deze onderhandelingen betrokken. Een van de voorstellen die ter tafel ligt is ook te voorzien in strafbaarstelling van realistische uitbeeldingen van kinderporno zelfs wanneer vaststaat dat daarbij niet een echt kind is betrokken (zogenaamde virtuele kinderporno)'. Distributie van virtuele kinderporno vindt ook plaats via het Internet. Gelet op het internationale karakter van het Internet is het wenselijk dat er in internationaal verband consensus bestaat over de strafbaarstelling en de aanpak van virtuele kinderporno. Daarom verdient het aanbeveling de internationale ontwikkelingen af te wachten. Het is de bedoeling dat een ontwerp van de hoger genoemde conventie eind 2001 gereed komt. In de tussentijd is strafrechtelijk optreden tegen kinderporno (op Internet) mogelijk, indien daarbij een echt kind is betrokken dan wel indien er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrokkenheid van een echt kind. Mocht in dergelijke gevallen toch sprake zijn van virtuele kinderporno, dan ligt het op de weg van de verdachte deze twijfel aannemelijk te maken' (Tweede Kamer 1999-2000, 26.690, Nr. 3).

Op 12 januari 2001 geeft minister Korthals (Justitie) aan dat hij kinderporno voortaan strafbaar wil stellen als het pornografisch karakter van een afbeelding verkregen is door `digitale montage'. Hij sluit daarmee aan bij de ontwerpconventie tegen `cybermisdaad' van de Raad van Europa.

Commentaar

De minister gaat uitvoerig in op de techniek van `morfing', maar over de te vrezen schadelijke uit

werking wordt nauwelijks iets gezegd. Er is ook geen onderzoek gedaan naar de invloed van `virtuele kinderporno'. Wel is er al jarenlang discussie over de mogelijke uitwerking van `gewone' porno, waarbij de mening overheerst dat het waarnemen van porno opwekt tot seksuele activiteit, de zgn. stimuleringshypothese (Marshall, 1989). Maar sommigen menen dat het `consumeren' van porno ook kan leiden tot afvloeiing van seksuele energie (katharsis-hypothese).

De ratio van strafbaarstelling van virtuele kinderporno, een zgn. `crime without a victim', ligt in de aanname dat daarmee `schade voorkomen kan worden'. De minister gaat er vanuit dat `virtuele kinderporno' een bepaalde, te vrezen uitwerking kan hebben op beschouwers /waarnemers/consumenten.

Behalve de vraag naar het mogelijk stimulerende of ontladende aspect moeten er ook vragen rijzen naar het proportionaliteitsbeginsel: waar begint en waar eindigt de overheidsverantwoordelijkheid als het gaat om gefingeerde afbeeldingen van geweld, agressie, wreedheid, moord, seksueel misbruik, verkrachting, kinderporno, enz. Moet de wetgever zich bemoeien met het fantasieleven van de burgers, en waar liggen dan de grenzen? Moet de `Staat' weer de zedenmeesterachtige trekken krijgen, die door de Commissie Melai juist werden afgewezen?

Tegen een streven naar uniformiteit van de Europese `cyberporno'- wetgeving, is aan te voeren dat het pas aan het eind van de reeks maatregelen komt. De overige kinderpornowetgeving is ook niet uniform in Europa. Terwijl in ons land een afbeelding van een kind in een `onnatuurlijke pose' al strafbaar is, moet er in Duitsland sprake zijn van een afbeelding van `Gewalttätigkeit'.

Samenvatting

Het is onduidelijk hoe in de kinderporno-wetgeving het delict-onderdeel `afbeelding van een seksuele gedraging' tot stand is gekomen. In de later gegeven definiëring is het veel breder uitgewerkt dan alleen afbeeldingen van elders in de wet strafbaar gestelde handelingen. In de strafrechtpraktijk is de toepassing vaak willekeurig en inconsequent. Na het totstandkomen van het wetsartikel is de `ouderwetse' verzendhuishandel ingestort, maar via Internet heeft de commercie nieuwe kanalen gevonden. De extensieve uitleg van het artikel heeft gevolgen voor de seksuele voorlichting/opvoeding en voor de samenleving, merkbaar in een overdreven angst voor `kinderporno'. Het voorstel om `virtuele


138 F. Wafelbakker

kinderporno' strafbaar te stellen, leidt opnieuw tot de vraag of `de staat als zedenmeester' moet fungeren.

Literatuur

Aanwijzing kinderpornografie (artikel 240 B WvSr) (1998). Staatscourant nr 209, 10.

Adviescommissie zedelijkheidswetgeving (1973). Tweede interimrapport. Staatsuitgeverij, `s-Gravenhage.

Coornhert-Liga (1988). Oproep tot protest tegen uitspraak Gerechtshof. Gestencild bericht.

Eindrapport van de adviescommissie zedelijkheidswetgeving (1980). Staatsuitgeverij, `s-Gravenhage.

Frenken, J. (1999). Omvang en verscheidenheid van kinderpornografie in Nederland. Maandblad geestelijke volksgezondheid, 54:215-228.

Gerstendörfer, M. (1994). Computerpornographie und virtuelle Gewalt: die digital symbolische Konstruktion von Weiblichkeit mit Hilfe der Informationstechnologie. Beiträge zur feministischen Theorie, 17, 38:11-22.

Goudt, M., & Herk, B. van (1984) Pornografie en Haagse taboes. Intermediair, 20, 45:31-37.

Handleiding college van procureurs-generaal (1996). Vaststelling: 8-2-1996. Inwerkingtreding: 15-9-1996. Staatscourant 216, 11.

`t Hart, (1991). Noot bij uitspraak Hoge Raad 4-12-1990. Nederlandse Jurisprudentie, no 312.

Hoge Raad der Nederlanden (1990). 6 maart 1990, Nederlandse Jurisprudentie, Nr. 667.

Jescheck, H.H. (Red.)(1999). Strafgesetzbuch. C.H.Beck/Deutscher Taschenbuch Verlag, Munchen.

Kinsey, A.C., Pomeroy, W.B., & Martin, C.E. (1948). Sexual behavior in the human male. W.B. Saunders, Philadelphia.

Kosto, A. (1984). Pornografie, vrouwenhaat en wetgeving. Socialisme en Democratie, 41, 11: 355-359.

Leenes, J. (1998). Blote jongens, boze burgers. HP/De Tijd, 18-9-1998, 38-43.

Marshall, W.L. (1989). Pornography and sex offenders. In: D.Zillmann & J. Bryant (eds). Pornography: Research advances & policy considerations. LEA, Hove.

Neut, J.L. van der (2000). Kinderpornografie. De situatie in Nederland. Delikt en delinkwent, 30, 2:108-149.

Schalken, T.M. (1988). Pornografiediscussie gaat over grenzen van staatsmacht. NRC-Handelsblad 27-10-1988: 8.

Tweede Kamer 1984-1985, 15 836, Nr. 13/17/19.

Tweede Kamer 1993-1994, 23.682, Nr. 4

Tweede Kamer 1994-1995, 23.682, Nr. 5

Tweede Kamer 1998-1999, 26.690, Nr. 2

Tweede Kamer 1999-2000, 26.690, Nr. 3

Wafelbakker, F. (2000). Kennelijk zestien jaar bereikt... over de leeftijdsgrens in de kinderporno-wetgeving. Tijdschrift voor Seksuologie, 24:96-101.

Wit, L.A.J.M. de (voorz.) (1986). Verslag van de werkgroep kinderpornographie. Ministerie van Justitie, `s-Gravenhage.



Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 139-141

Verslag studiedagen:

Seks en Soma, seksuologie voor medici1

Peter Leusink2

Op 17 mei kwamen in Nijmegen ongeveer 100 artsen bijeen voor de nascholingscursus Seks en Soma, seksuologie voor medici. De groep bestond uit ongeveer 20% huisartsen, 25 % gynaecologen, 15 % verpleegkundigen, 10% urologen en de rest uit diverse al dan niet medische disciplines.

Centraal in deze cursus stond het verwerven van inzicht in de somatische aspecten van seksuele (dis)functies. In de ochtend werden 4 plenaire lezingen gehouden, gevolgd door twee parallelsessies met elk 7 lezingen. Men was dus gewaarschuwd voor voldoende zitvlees. De wisselingen tussen de parallelsessies noodzaakte echter tot versnelde pas gedurende enkele minuten en dat kon de passiviteit in de collegezalen ruimschoots compenseren. Begin- en eindtijdstip van de parallelsessies correspondeerden uiteraard niet exact zodat men soms het begin van een lezing miste of de reeds aanwezigen gestoord werden door de nieuwkomers. Wat mij betreft het enige organisatorische minpuntje. De rest was degelijk en goed opgezet in een prettige ambiance met weerzien van bekende collega's of met kennismaking met nieuwe.

De inhoudelijke beoordeling van de dag is lastiger, ik geef u een persoonlijk verslag. Het leek goed te beginnen door een voordracht van M.Hengeveld, psychiater, die in `De medicus en de min' het belang van de sekuologie binnen de geneeskunde bepleitte. Vermomd als advocaat van de duivel hield hij ons voor wat hij ons niét zou gaan vertellen. Een mooie vondst die ieder bij de les hield maar na een kwartier was het kwartje onderhand wel gevallen en wachtte men op de ontknoping die helaas als een sisser afliep. Zo ontliep hij een duidelijke stellingname en bleef slechts de verpakking hangen. Er kwam dan ook geen discussie op gang terwijl zijn voordracht nu juist eens een gelegenheid was om met de aanwezigen, waaronder sleutelfiguren in de medische onderzoeks- en opleidingswereld, de stagnerende plaats van die seksuologie eens onder de loep te nemen.

E. Meuleman, uroloog, zou volgens de aankondiging een presentatie houden over de anatomie en fysiologie van de seksualiteit bij man en vrouw.

Het werd een voordracht over de anatomie en fysiologie van de penis. Pars pro toto? En als het daar dan toch over moest gaan dan zou ik de aanwezigen zeker hebben gefêteerd op de nieuwe inzichten die zijn ontstaan bij de ontwikkeling van de nieuwe orale therapeutica bij erectiestoornissen die ons de komende twee jaar staan te wachten. Helaas.

De laatste twee lezingen gaven weer moed. W. Everaerd, psycholoog, gaf in `Eros, samenspel tussen soma, psyche en cultuur' een onderbouwing dat zin/libido niet altijd aan opwinding hoeft vooraf te gaan en deze soms ook kan volgen. De beruchte responscurve werd daarmee gerelativeerd en dat sluit wat beter aan op de praktijk van de seksuoloog. Zijn kijk op seksuele motivatie was verhelderend.

M.Poelsma, arts, gaf een goed overzicht van de seksuologische anamnese en lichamelijk onderzoek. Met name stond ze stil bij het taalgebruik en de multidisciplinaire kanten van de seksuologie. Ook al bracht ze niets nieuws toch wist ze die banale praktische zaken die nodig zijn in de spreekkamer van de arts van belang te maken.

De parallelsessies kunnen niet alle beschreven worden, ik heb ze niet allemaal gevolgd. Van enkele kan ik wederom melden dat de titel de lading van de inhoud niet dekte. Zo bleek `Gynaecologische operaties en seksualiteit' te gaan over de in beeld gebrachte coïtus onder een MRI-scan, ging `Veroudering en seksualiteit' over de diagnostiek en behandeling van een erectiestoornis van een 58-jarige man, en ging `Congenitale urogenitale afwijkingen; impact op seksualiteit' alleen over het deel vóór de puntkomma. Positief was de melding van het Nijmeegse gynaecologische kamp dat de eerste keuze van therapie bij vulvodynie gedragstherapie is en als tweede keuze volgt soms operatieve therapie. Dan kan bij deze die strijdbijl en de ruis die het veroorzaakte worden begraven en weer worden gekeken naar het verschijnsel zelf. Interessant waren enkele opmerkingen ten aanzien van preventie van vulvodynie: de heren zouden eerst beter terrein kunnen verkennen voordat ze de vaginale weg in slaan en de dames zouden kunnen le

1 Geaccepteerd voor publicatie: 18 juli 2001.

2 Drs. P.Leusink, huisarts/seksuoloog NVVS i.o., Polikliniek Seksuologie Groene Hart Ziekenhuis, Graaf Florisweg 77-79, 2805 AH Gouda. E-mail: leusink@seksualiteit.nl


140 P. Leusink

ren hun vaginale pijn wat serieuzer te nemen. En wie gaat hen dat vertellen ?

Over de hele linie was het een redelijk boeiende dag met veel variatie aan onderwerpen. Men wist een relatief groot aantal medici hiervoor te interesseren en zoals bekend blijft in ieder geval 10% van de aangeboden stof sowieso hangen.

Achteraf is me het verschil tussen de algemene en de specialistische parallelsessies niet helder geworden. Zo zijn veroudering en ejaculatio precox naar mijn idee algemene (eerstelijns) onderwerpen en revalidatiegeneeskunde een specialistisch (tweedelijns) onderwerp. Ze waren echter in de andere sessies opgenomen.

Discussies kwamen helaas niet altijd goed op gang, de wat stijf aandoende collegezalen zijn niet uitnodigend, maar enkele multidisciplinair denkende huisartsen en seksuologen bevroegen gelukkig regelmatig de sprekers.

Enige ontroering had ik in de voordracht over `Diabetes en seksualiteit' waarin de bijna pensioengerechtigde diabetoloog zich tijdens zijn voordracht realiseerde dat er toch wel veel seksueel leed is onder diabetici en dat het tijd werd dat daar wat aan wordt gedaan. Maar onthand moest hij een vragenstelster toegeven dat hij niet wist hoe. Waarmee ik me opeens het eerste praatje van de dag te binnen schoot waar met enig cynisme de ontluisterende seksuologie naar voren werd gebracht maar geen vonk gloorde van hoop. Wie wacht op wie?

Verslag studiedag:

Over denken, fantasie en lust

In het mooie en gezellige onderkomen van Kasteel Rijckholt te Rijckholt (Limburg), kwamen op 18 mei ongeveer 160 seksuologen, psychologen en psychotherapeuten bij elkaar. Onder de titel `Over denken, fantasie en lust' werd een programma gepresenteerd welke de menselijke geest bij seksualiteit centraal stelde. Er was een hoog jij-ook-hier-gehalte, de sfeer was enthousiast en betrokken en de organisatie liep gesmeerd, op de verwijsroute naar enkele workshops na.

Ellen Laan opende de dag met een lezing over het brein als seksueel orgaan. Ze presenteerde een groot aantal onderzoeksgegevens over de rol van seksuele fantasieën bij pre-orgastische vrouwen. Bij hen werkte fantasiegeleide masturbatie beter dan sensate focus oefeningen. Ook pleitte ze voor het gelijktijdig leren focussen van vrouwen op hun lichamelijke reacties bij het gebruik van fantasieën

tijdens het vrijen met een partner. Het (seksuele) brein kan leren van eigen ervaringen en is geen statisch aansturend orgaan. Ze relativeerde de remmende rol van angst bij pre-orgastische vrouwen.

Haar wetenschappelijke onderbouwing maakte het boeiend, misschien tot teveel bewondering van het publiek waardoor kritische vragen uitbleven.

De volgende lezing ontbeerde juist een wetenschappelijke basis en nodigde wel uit tot reflectie. Paul Wijts schilderde in `Moderne psychoanalyse en seksualiteit' in het kort een aantal essenties die ook voor niet-analytici begrijpelijk waren. Clichés over psychoanalyse kunnen de kast in. De plaats van de drift in de psychoanalyse bleek inmiddels te zijn ingeruild door objectrelaties. Ook heeft niet alleen de klassieke psychoanalyse het mandaat op de toegang tot innerlijke representaties en krijgt de cognitieve therapie daarbij ook een rol. Het werd glad ijs toen `perversies'en `rijpe seksuele relaties' ter sprake kwamen. Enkelen uit het publiek meenden dat aan waarden en normen werd geraakt die geen recht doen aan sommige cliënten.

Jan Schippers vervolgde met `Denken en praten over seks bij vluchtelingen/migranten.' Hij beperkte zich met name tot de islam en seksualiteit. Het was een persoonlijk verhaal. In de eerste plaats door te schilderen welke problemen en vragen hij tegenkwam in het jarenlang werken met allochtone cliënten en hoe hij door zelfstudie hierop antwoorden vond. Afgezet tegen de christelijke leer is seksualiteit binnen de islam niet een zondig iets en worden er in de Koran regels gegeven die de seksuele verhoudingen dienen te ondersteunen, in plaats van te veroordelen. Maar zijn lezing werd vooral een persoonlijk verhaal doordat hij dreiging ervaarde door de recente uitspraken van islamitische geestelijken over homoseksualiteit. Hij maakte een helder onderscheid in zijn professioneel functioneren en zijn persoonlijke houding, maar in de praktijk was dit nog wel eens lastig. Ook een andere positievere interpretatie van wat er momenteel binnen de islam gaande is ten aanzien van vrouwen en homoseksualiteit (`eindelijk komt het van binnenuit in beweging') , kon hij nog niet horen.

De laatste plenaire lezing was van Marcel van den Hout over `Opwindende angst?' Hij opperde dat seks en angst complementair zijn wat betreft cognitieve processen als emotional reasoning (het beoordelen van de stimulus met behulp van de responsinformatie) en selectieve aandacht. Bij onproblematisch seks treden emotional reasoning en selectieve aandacht juist op en dragen bij aan seksuele opwinding. Lang werd beweerd dat angst sek


Verslagen studiedagen 141

suele opwinding inhibeert. Van den Hout toonde aan dat dit slechts ten dele geldt: alleen als angst de selectieve aandacht van de respons afhaalt is dit zo. Met andere woorden: als angst de selectieve aandacht naar de respons richt dan kan de seksuele respons worden gefaciliteerd. Dus niet de angst maar de allocatie van de selectieve aandacht bepaald de aard van de relatie tussen seks en angst. Erg boeiend maar de praktische consequenties voor de seksuologische praktijk bleven helaas uit.

Het middagprogramma omvatte twee workshoprondes, elk met 6 workshops: cognitieve therapie volgens Beck, en volgens Ellis, werken met fantasieën, relatieproblemen en seksuele problemen: `first things first', seksuele disfuncties bij migranten en moderne psychoanalyse in de praktijk. De variatie was groot en voor elk wat wils. Zowel de

door mij gevolgde workshops als de workshops waarover ik van heb horen vertellen, hadden gemeen dat men praktisch aan de slag kon, nieuwe dingen hoorde en ervaringen met anderen kon uitwisselen.

Tot slot volgde nog een demonstratie van cognitieve therapie met een simulatie-patiënt. Na alle indrukken van de dag was dit naar mijn idee net iets teveel. De demonstratie duurde iets te lang, voegde niets meer toe en men was het reflecteren moe.

De organisatie kon zich behalve met deze dag ook feliciteren met haar eerste lustrum. De formule blijkt aan te slaan en de kunst is de kwaliteit te blijven behouden. Maar wat nu precies een studiedag geslaagd maakt? Rechtevenredig met de reisafstand?



Tijdschrift voor Seksuologie, 2001, 25: 142-148

DE PSYCHOSEKSUELE IDENTITEITSONTWIKKELING BIJ KINDEREN VAN HOMOSEKSUELE OUDERS1

Yves Moors2 & Piet Nijs3

Homoseksueel ouderschap wordt vaak als negatief geëvalueerd voor de psychoseksuele identiteitsontwikkeling van de kinderen. Uit deze literatuurstudie blijkt dat de kwaliteit van de gezinsrelaties belangrijker is dan het geslacht van de ouders. Negatieve gevolgen zijn terug te brengen tot het meemaken van een echtscheiding of tot geheimhouding door de ouder(s) van de seksuele geaardheid.

Steeds meer homoseksuelen maken hun seksuele geaardheid bekend, en ook de samenleving heeft reeds een groeiproces doorgemaakt in het aanvaarden van homoseksualiteit. Er zijn evenwel verschillende tekenen dat het aanvaardingsproces nog een hele weg te gaan heeft, in het bijzonder als het gaat over homoseksueel ouderschap. Getuige hiervan is de commotie die dezer dagen rond dit onderwerp heerst in de Vlaamse media. Na elke uitzending of krantenartikel over homoseksueel ouderschap volgt er een aantal lezersbrieven met tegenargumenten. Deze argumenten komen meestal op het volgende neer:

1. De kans op een gestoorde geslachtelijke identiteit (gender identity en/of gender role) is sterk verhoogd, en de kans dat deze kinderen zelf homoseksueel worden is groot.

2. Kinderen van homoseksuele ouders dreigen sociaal geïsoleerd en gestigmatiseerd te geraken.

3. Homoseksuelen hebben een afkeer voor het andere geslacht, dus kunnen ze geen goede ouder zijn voor kinderen van het andere geslacht. Bovendien zouden ze gefixeerd zijn op seks (cfr. de sauna's), wat geen goede eigenschap is voor ouders.

4. In vergelijking met andere kinderen lopen kinderen van homoseksuele ouders meer kans op seksueel misbruik door hun ouders en vrienden ervan.

5. Kinderen van lesbische ouders lopen een intellectuele en cognitieve vertraging op, bij gebrek aan een mannelijke input bij de opvoeding.

6. Door de afwijkende gezinssituatie lopen kinderen, opgevoed door homoseksuele ouders, meer kans op psychiatrische en gedragsstoornissen.

Hiertegenover zouden wij ook een aantal positieve

argumenten kunnen plaatsen:

1. Als een homoseksueel koppel (of een homoseksuele enkeling) de keuze maakt om kinderen te hebben, is dit meestal een weloverwogen keuze. Er bestaat met andere woorden weinig twijfel over de gewenstheid van het kind.

2. Als er twee ouders van hetzelfde geslacht zijn, is de kans kleiner dat één van beiden beschouwd wordt als de primaire verzorger. Twee ouders zullen ongeveer gelijke aandacht geven aan het kind, wat de algemene ontwikkeling ervan alleen maar ten goede kan komen.

3. Homoseksuele personen worden vaak gedacht een meer culturele ingesteldheid te hebben. Ze zouden eerder zijn ingesteld op creatie dan op procreatie. Aangezien ouderschap niet enkel een biologisch gegeven is, maar in de eerste plaats gaat om het doorgeven van cultuur, zou dit in hun voordeel kunnen spreken.

Als het over homoseksueel ouderschap gaat, stelt de samenleving zich vaak de vraag of dit moet worden toegelaten. In concreto gaat de discussie dan over adoptie. Het is evenwel belangrijk op te merken dat homoseksueel ouderschap reeds lang een feit is. Er zijn enerzijds kinderen die geboren zijn in een relatie tussen ouders van verschillend geslacht, en waarvan één van beide ouders pas later besefte homoseksueel te zijn, of pas later een homoseksuele levensstijl aannam, en anderzijds worden er ook al enige tijd kinderen geboren bij lesbische vrouwen, via bevruchting door een (homoseksuele) kennis, via KID, enz. Ook als de situatie zo blijft dat homoseksuelen geen kinderen kunnen adopteren, blijft de vraag naar de ontwikkeling van kinderen die door homoseksuele ouders worden opgevoed relevant.

1 Geaccepteerd voor publicatie: 19 maart 2001.

2 Drs. Y. Moors, lic. Klinische Psychologie en Familiale en Seksuologische Wetenschappen, V.Z.W. Gial. Correspondentie-adres: Celestijnenlaan 61/24, 3001 Heverlee, België. E-mail: yves.moors@gial.be

3 Prof. Dr. P. Nijs, psychiater-seksuoloog, hoogleraar aan de K.U. Leuven, directeur van het Instituut Familiale en Seksuologische Wetenschappen.


De psychoseksuele identiteitsontwikkeling bij kinderen van homoseksuele ouders 143

Homoseksueel ouderschap wijkt in twee opzichten af van het klassieke gezin: er is ten eerste de afwezigheid van één van beide biologische ouders (al kan er uiteraard nog contact mee onderhouden worden), en ten tweede is er het gegeven dat de ouder (of de ouders) homoseksueel is (zijn). Het eerste gegeven komt in diverse vormen en omwille van diverse oorzaken voor (bijvoorbeeld sterfte, echtscheiding). We zullen eerst bekijken wat er in de literatuur beschreven is over de gevolgen van de afwezigheid van één van beide biologische ouders, om daarna beter te kunnen nagaan wat de specifieke gevolgen zijn van het hebben van één of meerdere homoseksuele ouders.

Onderzoek naar de afwezigheid van één der ouders

De afwezigheid van één van beide biologische ouders is geen nieuw gegeven. Door sterfte is deze vorm even oud als ouderschap zelf. Door echtscheiding en door bewust alleenstaand ouderschap vormt deze gezinssamenstelling geen minderheid meer.

Alhoewel opvoeden en zorgen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt zorgen vooral beleefd als de taak van de moeder, en opvoeden als die van de vader. Reeds tijdens de zwangerschap krijgt de moeder de zorgende en de bewakingsfunctie opgelegd. In de praktijk blijkt dat de zorgende en de bewakingsfunctie ook tijdens de eerste levensjaren meestal, zij het niet noodzakelijk, door de moeder worden opgenomen (Corter & Fleming, 1995).

De vader heeft, biologisch gezien, een achterstand van negen maanden in concreet contact met het kind, ten opzichte van de moeder. De gedragsverschillen tussen mannen en vrouwen hebben echter een eerder culturele dan biologische basis, al wordt dit laatste meestal als excuus gebruikt om de verzorging aan de vrouwen over te laten (`jullie zijn er voor gemaakt'). Vaders brengen, gemiddeld genomen, minder tijd door met hun kinderen dan moeders, ook als ze evenveel aanwezig zijn (Pleck, 1997). Als zowel vader als moeder aanwezig zijn, worden de zorgende taken overgelaten aan de moeder, en is het vooral de moeder die aandacht geeft aan het kind (Pleck, 1997; Rebelsky & Hanks, 1971). Dit betekent evenwel niet dat vaders dit niet kunnen. Uit onderzoek is gebleken dat vaders even bedreven zijn in het verzorgen van kinderen als moeders, met uitzondering voor het eerste levensjaar. In deze periode blijken moeders lichtelijk be

tere verzorgers te zijn dan vaders (Parke, 1995). Dit wordt verklaard door het feit dat mannen een ander gedragsrepertoire hebben dan vrouwen: mannen zijn eerder gericht op fysieke omgang. Zuigelingen reageren hier minder op, waarop de man de interactie voor bekeken houdt. Vrouwen zijn er meer op gericht de interactie gaande te houden. Moeders spelen eerder verbale, didactische en nabootsende spelletjes; vaders tactiele, fysieke en technische spelletjes. Er mag geenszins uit het oog verloren worden dat tijdens het eerste levensjaar ook al tussen vader en kind een gehechtheidsband ontstaat (Schaffer & Emerson, 1964; Pedersen & Robson, 1969; Ban & Lewis, 1971).

Vaders bieden andere stimuli aan dan moeders, waardoor kinderen de kans krijgen om zich op meerdere terreinen te ontwikkelen, en om op cognitief vlak een bredere reikwijdte aan te spreken. Bovendien blijken kinderen waarvan de vader de belangrijkste opvoeder was, meer vertrouwen te hebben in de eigen mogelijkheden, en kritischer te staan tegenover de traditionele rolpatronen. Vaders die alleen voor de opvoeding van een kind instaan, blijken zich minder mannelijk te gaan gedragen dan de gemiddelde man. Dit betekent echter niet dat hun zonen minder mannelijk zullen zijn. Ook alleenstaande moeders gaan zich minder typisch vrouwelijk, maar meer androgyn gedragen (Radin, 1988). Volgens Lamb (1996) is de mannelijkheid van de vader veel minder belangrijk dan de kwaliteit van de vader-zoon relatie. Is de relatie tussen vader en zoon van een goede kwaliteit, dan zal de zoon de geslachtsstereotypen die in de cultuur heersen gaan overnemen. Hierbij is het, aldus Lamb, belangrijk op te merken dat de norm op dit ogenblik eerder androgyn (het combineren van eigenschappen van beide geslachten) dan mannelijk of vrouwelijk is. Mannelijkheid en vrouwelijkheid moeten immers niet als elkaars tegengestelden beschouwd worden, maar als twee afzonderlijke dimensies, waarop men zich op een hoge of lage positie kan bevinden, onafhankelijk van elkaar.

De redenering van Lamb (1996) kan uitgebreid worden naar de vader-dochter, de moeder-zoon en de moeder-dochter relatie. Zijn de onderlinge relaties goed, en voelt het kind dat het er mag zijn, dan is de kans groot dat het kind gaat voldoen aan de gedragsstereotypen die op dat ogenblik gangbaar zijn in de samenleving. Op deze manier zijn de positieve resultaten van verhoogde vaderbetrokkenheid eerder te verklaren door de aanwezigheid van een tweede zorgende figuur, dan door het geslacht van deze figuur. Deze theorie wordt de


144 Y. Moors & P. Nijs

warmte-hypothese genoemd, en werd onderzocht door Hardesty, Wenk en Morgan (1995) in een longitudinale studie. Op het eerste tijdstip waren de kinderen zeven à elf jaar oud, op het tweede tijdstip achttien à twintig. Er was al dan niet een vaderfiguur aanwezig, en in sommige gevallen was het een andere vaderfiguur op het eerste dan op het tweede tijdstip. De kenmerken van de vaderfiguur hadden geen enkel effect op de geslachtsroloriëntatie van de kinderen. Naarmate de vader zich meer op de kinderen betrokken voelde, hadden de kinderen een minder geslachtsstereotiep beeld. Met andere woorden, de mate van betrokkenheid van de vader was belangrijker dan de mate waarin hij mannelijke en/of vrouwelijke gedragskenmerken had.

Jongens die geen vader hebben, of die een vader hebben die weinig op hen betrokken is, blijken zich in de kleuter- en lagere school minder mannelijk te gedragen. Dit komt vooral tot uiting in minder agressie en minder fysiek spel. Ze worden door hun leeftijdgenoten en leerkrachten ook als minder mannelijk aangeduid (Sears, Pintler & Sears, 1946; Bach, 1946; Santrock, 1970; Stolz et al., 1954; Green, 1978). Deze jongens zijn ook sterker dan gemiddeld vertegenwoordigd in populaties met huwelijks- en seksuele problemen (Barry, 1970; Cross & Aron, 1971; Winch, 1950; Jacobson & Ryder, 1969; Landis, 1965; Rohrer & Edmonson, 1960; Masters & Johnson, 1970; West, 1967; O'Connor, 1964). De eerste drie tot vijf levensjaren lijken te fungeren als kritische periode voor de ontwikkeling van de geslachtsroloriëntatie (Money & Ehrhardt, 1972). Zeer opvallend is evenwel dat veel van deze problemen vermeden worden als de kwaliteit van de moeder-kind relatie hoog is, en als de moeder het risico van overbescherming weet te omzeilen. Het belangrijkste is dat de moeder de jongen blijft benaderen als een mannelijk wezen (Stolz et al., 1954; Burton & Whiting, 1961; Stephens, 1962; Stoller, 1968; Green; 1978; Colley, 1959).

De gevolgen van vaderafwezigheid voor meisjes blijken dezelfde te zijn als deze bij jongens: problemen in de persoonlijke en de geslachtsrolontwikkeling (Lozoff, 1974; Fisher, 1973; Jacobson & Ryder, 1969; Hetherington; 1972; Thompson et al., 1973). Deze problemen zouden vooral veroorzaakt worden door het feit dat er een liefhebbende ouder minder is en door de sterke moederlijke controle, eerder dan door het ontbreken van een mannelijk rolmodel (Biller & Zung, 1972). De vader is zowel voor jongens als voor meisjes belangrijk om te kunnen leren wat mannelijke eigenschappen zijn.

De jongen kan deze mannelijke eigenschappen overnemen, voor het meisje is dit belangrijk met het oog op haar verwachtingen in verband met latere relaties met mannen. Als de vader afwezig is, zijn de gevolgen afhankelijk van hoe de moeder hiermee omgaat: staat ze negatief tegenover alles wat mannelijk is, dan kunnen de kinderen hierdoor tijdens hun verdere leven problemen ondervinden. Brengt ze de kinderen daarentegen op een positieve manier met andere mannen en met mannelijke eigenschappen in contact, dan wordt er zelden schade opgelopen. Lamb (1996) schrijft de negatieve gevolgen van vaderafwezigheid na een echtscheiding toe aan het slechte emotionele klimaat in het gezin, zowel voor als na de scheiding. Als de afwezigheid veroorzaakt is door sterfte, zijn er inderdaad veel minder negatieve gevolgen (Stevenson & Black, 1988). In beide gevallen krijgt het kind stimuli van nog maar één ouder, wat de resterende negatieve gevolgen verklaart.

Over de afwezigheid van de moeder is heel wat minder literatuur verschenen, omdat dit veel minder voorkomt. Als de moeder al eens afwezig is, gebeurt het vaak dat niet de vader, maar een andere vrouw (grootmoeder, zus van vader of moeder…), de primaire verzorgende rol op zich neemt, vooral bij zuigelingen. De afwezigheid van een moederfiguur wordt meestal als een desastreuze situatie beschouwd. Toch blijkt uit een recente literatuurstudie (Rutter, 1995) dat het vooral de afwezigheid van warmte is die mogelijk negatieve gevolgen (cognitieve, sociale en gedragsmatige achterstand) veroorzaakt, en niet de afwezigheid van een moederfiguur op zich.

Als besluit kunnen we stellen dat de afwezigheid van vader of moeder verschillende negatieve gevolgen kan hebben, maar dat dit niet noodzakelijk is. Als de kinderen goed opgevangen worden door de overblijvende ouder en de bredere omgeving, en opgenomen wordt in een aantal liefdevolle relaties, worden de negatieve gevolgen grotendeels vermeden. Zowel alleenstaande vaders als moeders gedragen zich androgyner dan de gemiddelde man of vrouw.

Onderzoek naar homoseksueel ouderschap

Het tweede verschil met het klassieke gezin bestaat in de aanwezigheid van één of meerdere ouders die homoseksueel georiënteerd zijn. Wat heeft de literatuur te zeggen over de specifieke gevolgen hiervan voor de psychoseksuele ontwikkeling van de kinderen? De meeste onderzoeken werden uitge


De psychoseksuele identiteitsontwikkeling bij kinderen van homoseksuele ouders 145

voerd bij kinderen die geboren zijn in een relatie tussen twee volwassenen van verschillend geslacht. De onderzoeken bij kinderen die in een homoseksueel gezin werden geboren, worden afzonderlijk besproken. Specifiek voor deze kinderen is dat ze geen scheiding hebben meegemaakt, en dat ze zich reeds vanaf het begin van hun leven in een homoseksuele gezinssituatie bevinden.

Er bestaat een positieve correlatie tussen de kwaliteit van homoseksuele relaties en de aanwezigheid van een kind in het gezin (Koepke, Hare & Moran, 1992). De oorzaak-gevolg relatie is evenwel niet duidelijk: wordt de relatiekwaliteit verbeterd door het kind, komen er vooral kinderen in kwaliteitsvolle relaties, of zijn er nog andere factoren in het spel? Volgens deze auteurs wordt er, gemiddeld genomen, in homoseksuele relaties meer dan in heteroseksuele relaties, belang gehecht aan emotionele intimiteit en de uitdrukking ervan, en aan de gelijkwaardigheid van relaties.

De meeste kinderen in homoseksuele gezinnen hebben hun eerste levensjaren doorgebracht in een heteroseksueel gezin. Het is evident dat de gevolgen van een scheiding zich ook hier manifesteren. Eigen aan koppels die uit elkaar gaan omwille van homoseksualiteit van één van beide partners is dat de homoseksuele vader of moeder zijn geaardheid moet `opbiechten' aan het kind. Dit zorgt voor een moeilijke aanpassingsperiode, maar kinderen blijken evenveel om deze ouder te blijven geven als voorheen. De ouderidentiteit primeert voor de kinderen op de seksuele identiteit. Volgens Wyers (1984) blijven kinderen, zelfs als ze de homoseksualiteit van de ouder verwerpen, deze ouder even graag zien. Overigens blijft in zijn onderzoek slechts 5% van de kinderen op langere termijn negatief staan tegenover de homoseksualiteit van de ouder, nadat aanvankelijk 25% hier negatief tegenover stond.

De openheid die er bestaat rond de geaardheid van de ouder heeft meestal ook, alleszins op langere termijn, positieve gevolgen voor de vertrouwensrelatie tussen ouder en kind (Pennington, 1987). Uit klinische ervaring stelt Pennington dat de meeste problemen zich voordoen tussen ouders en kinderen waar de homoseksuele geaardheid van de ouder een geheim blijft voor het kind. Volgens Bozett (1987) is de voornaamste moeilijkheid voor het kind na het horen van de waarheid, hoe ermee om te gaan naar anderen toe. Meestal worden er schoorvoetend enkele leeftijdgenoten in vertrouwen genomen, die er over het algemeen positief op reageren, waardoor de grootste angsten wegvallen. An

deren vragen hun ouder om te verhinderen dat hun vrienden het te weten komen.

Verschillende onderzoeken (bijvoorbeeld Kirkpatrick et al., 1981) tonen aan dat alleenstaande of samenwonende homoseksuele ouders, meer dan alleenstaande heteroseksuele ouders, vrienden van het andere geslacht hebben die regelmatig thuis op bezoek komen. Dit is belangrijk met het oog op de aanwezigheid van rolmodellen van het andere geslacht. Er wordt immers vaak gevreesd dat homoseksuele ouders juist zo afkerig staan ten opzichte van het andere geslacht, dat ze hun kinderen verhinderen met het andere geslacht in contact te komen.

Wat het aanmoedigen van geslachtsspecifiek gedrag betreft, maken homoseksuele ouders minder onderscheid in speelgoed dan heteroseksuele ouders. Dit blijkt evenwel weinig effect te hebben op het feitelijke speelgedrag van de kinderen. Er zijn geen verschillen in speelgoedkeuze tussen kinderen van homoseksuele en kinderen van heteroseksuele ouders (Hoeffer, 1981). De hoger vermelde warmte-hypothese biedt een mogelijke verklaring hiervoor: kinderen, die opgevoed worden in een warm gezin, zouden de culturele normen overnemen, ongeacht het geslacht en het sturend gedrag van de ouders.

Ook op het vlak van de ontwikkeling van de seksuele oriëntatie zijn er geen significante verschillen tussen kinderen uit traditionele en kinderen uit homoseksuele gezinnen. Net als kinderen van heteroseksuele ouders zijn kinderen, opgevoed door homoseksuele ouders, bijna allemaal heteroseksueel georiënteerd (de Klerck, 1986; Green, 1978; Steckel, 1987; Golombok, 1985). Tijdens de puberteit blijken kinderen van homoseksuele ouders wel meer open te staan voor homoseksualiteit, en meer dan gemiddeld te experimenteren op het vlak van homo-erotische activiteiten.

Voor kinderen die rechtstreeks in een homoseksueel gezin geboren worden, geldt dezelfde theorie (Lamb, 1996): het belangrijkste is dat het kind voelt dat het geliefd is, en dat het, liefst met beide ouders, een warme, kwaliteitsvolle relatie kan uitbouwen. Indien dit gebeurt zal het kind, ook op het vlak van de psychoseksuele identiteit, de normen die heersen in de cultuur, overnemen. In deze situatie is het minder evident dat de kinderen reeds vanaf de geboorte in contact komen met rolmodellen van het andere geslacht. We weten reeds dat de kritische leeftijd voor de geslachtsrolontwikkeling zich tussen het derde en het vijfde levensjaar bevindt. In onze huidige samenleving is het evenwel


146 Y. Moors & P. Nijs

bijna ondenkbaar dat een kind in volledige isolatie, zonder enige notie van het andere geslacht, kan opgroeien.

McCandlish (1987) besluit uit haar onderzoek bij lesbische koppels dat de niet-biologische ouder bijna altijd een onverwachte en onmiddellijke gehechtheid voelt ten opzichte van het kind. Na ongeveer een jaar neemt de niet-biologische moeder heel wat zorgende en opvoedende taken over. Hand (1991) vindt een grotere betrokkenheid van niet-biologische moeders dan van heteroseksuele vaders. Ook Osterweil (1991) rapporteert een meer evenredige verdeling van taken bij lesbische koppels.

Hare en Richards (1993) vergeleken kinderen die geboren waren in een relatie tussen volwassenen van verschillend geslacht, maar later werden opgevoed door een lesbisch koppel, met kinderen die rechtstreeks bij een lesbisch koppel waren geboren. De betrokkenheid tot de vader is in beide gevallen zeer laag (als de biologische vader al gekend was). In beide situaties gingen de meeste moeders op zoek naar een mannelijk rolmodel, dat door de kinderen vaak ook `vader' wordt genoemd. De betrokkenheid tot deze `vader' was over het algemeen hoog. De betrokkenheid tot de niet-biologische moeder verschilde sterk van gezin tot gezin bij kinderen geboren in een relatie met volwassenen van verschillend geslacht, maar bij kinderen die geboren waren in een lesbisch gezin, was er geen onderscheid in betrokkenheid op beide moeders. Beiden werden ook `moeder' genoemd.

Golombok, Tasker en Murray (1997) vergeleken lesbische gezinnen met alleenstaande heteroseksuele moeders. In alle gevallen was er sinds het eerste levensjaar geen vader of vaderfiguur meer in huis (in een minderheid van de gezinnen leefde er tijdens het eerste levensjaar wel een man, al dan niet de biologische vader, in huis). In lesbische gezinnen werd er een betere moeder-kind interactie gevonden, ook bij lesbische moeders die zonder partner woonden.

Brewaeys (1998) vergeleek lesbische paren die kinderen hadden gekregen via een anonieme donor met heteroseksuele gezinnen die eveneens via inseminatie met donorzaad kinderen kregen, en met heteroseksuele gezinnen die via natuurlijke weg kinderen kregen. Zij vond geen verschillen in de moeder-kind interacties. De niet-biologische moeders vertoonden een hogere betrokkenheid op het kind dan de biologische vaders uit de heteroseksuele gezinnen. Alle kinderen duidden de biologische moeder aan als belangrijkste opvoedingsfiguur. Er werden geen verschillen gevonden in de gedrags- en

emotionele ontwikkeling van de kinderen. Met het oog op de psychoseksuele ontwikkeling is het belangrijk te vermelden dat de vriendenkring van de lesbische koppels vooral bestaat uit heteroseksuele gezinnen met kinderen. Over enkele jaren zullen deze kinderen opnieuw gecontacteerd worden.

Discussie

Een eerste hypothese die uit de studie van de literatuur omtrent homoseksueel ouderschap getrokken lijkt te kunnen worden, is dat vaders en moeders beiden even competente verzorgers zijn, al laten mannen, in aanwezigheid van een vrouw, de verzorgende taken eerder aan haar over. Wat de psychoseksuele identiteitsontwikkeling betreft, is het belangrijk dat een kind in contact komt met rolmodellen van beide geslachten, maar het is niet noodzakelijk dat dit de biologische ouders zijn. Vooral vanaf het vijfde levensjaar wordt deze taak aangevuld en overgenomen door school, media en leeftijdgenoten. Bovendien blijken homoseksuele ouders heel alert voor dit gegeven, en zoeken bijvoorbeeld jongens die geen vader hebben vaak zelf mannelijke rolmodellen op. Belangrijker dan het geslacht van de ouders is de algemene sfeer in het gezin. Groeit het kind op in een warm, liefdevol gezin, dan zal het de heersende culturele normen overnemen. Hierbij lijkt ook te gelden dat, des te meer personen warmte en stimulansen aan het kind schenken, des te beter dit is voor het groeiproces van het kind. Deze redeneringen verdienen alleszins nog verder empirisch getoetst te worden. Hierbij aansluitend moet er vermeld worden dat we geen onderzoek hebben gevonden bij kinderen die geboren werden in een homoseksuele relatie tussen mannen. Vanuit de besproken onderzoeken kunnen we de hypothese vooropstellen dat de kwaliteit van de onderlinge relaties belangrijker is dan het geslacht van de ouders, en dat, mits het nodige contact van de kinderen met vrouwelijke rolmodellen, deze kinderen dezelfde psychoseksuele identiteitsontwikkeling zullen doormaken als kinderen geboren in een heteroseksueel gezin.

Problemen die er gevonden worden in gezinnen, waarin één of beide ouders homoseksueel gericht zijn, lijken meestal terug te brengen tot het doormaken van een scheidingsproces, opgevoed worden door slechts één ouder, vaak met emotionele problemen, of door een slechte sfeer in het gezin door het hebben van een homoseksuele ouder die zelf zijn of haar geaardheid nog niet heeft aanvaard en deze ook voor het kind probeert verbor


De psychoseksuele identiteitsontwikkeling bij kinderen van homoseksuele ouders 147

dien blijft er ook nog de vraag of de homoseksuele ouder zijn homoseksualiteit te kennen geeft aan zijn kind(eren). Ook dit kan voor belangrijke verschillen in de effecten zorgen.

Ook als het kind in een homoseksueel gezin geboren wordt, is het niet evident om de gevolgen van het homoseksuele ouderschap uit te zuiveren. Er zijn immers verschillende mogelijkheden om in dit gezin geboren te worden, mogelijkheden waarvan de gevolgen ook nog verre van duidelijk zijn. Is het kind op een natuurlijke wijze geconcipieerd, is het geboren via kunstmatige inseminatie, is het reeds op zeer jonge leeftijd geadopteerd, is er sprake van draagmoederschap...?

Verdere onderzoeken zijn belangrijk om de redeneringen die in deze tekst naar voor werden gebracht te bevestigen. Vooral onderzoek naar kinderen geboren in homoseksuele gezinnen is welkom, zeker als het gaat om kinderen die geboren worden bij twee mannen. Als de redenering van de warmte-hypothese opgaat, zouden hier dezelfde resultaten gevonden moeten worden als bij lesbische koppels. We kijken ook uit naar de follow-up onderzoeken die gaande zijn, om meer zekerheid te hebben over effecten op langere termijn, zoals het zelf opnemen van de ouderrol en de relatie met de homoseksuele ouder op latere leeftijd. Bovendien moet er op gewezen worden dat de meeste onderzoeken in verband met alleenstaand ouderschap, en opvoedende kwaliteiten van de vader, stammen uit de jaren '60 en '70. In die periode zijn deze thema's namelijk het meest intensief onderzocht. Alhoewel meer recente onderzoeken op dit domein in overeenstemming zijn met de vroegere resultaten, moet het voorbehoud gemaakt worden dat bepaalde resultaten die hier naar voren gebracht werden tijdsgebonden kunnen zijn.

Literatuur

Bach, G.R. (1946). Father-fantasies and father typing in father-separated children. Child Development, 17: 63-80.

Ban, P.L., & Lewis, M. (1971). Mothers and fathers, girls and boys: Attachment behavior in the one-year-old. Paper presented at the meeting of the Eastern Psychological Association, New York.

Barry, W.A. (1970). Marriage research and conflict: An integrative review. Psychological Bulletin, 73: 41-55.

Biller, H.B., & Zung, B. (1972). Perceived maternal control, anxiety, and opposite sex-role preference among elementary school girls. Journal of Psychology, 81, 85-88.

Bozett, F.W. (1987). Children of gay fathers. In F.W. Bozett (Ed.), Gay and lesbian parents (pp. 39-57). New York: Praeger.

Brewaeys, A. (1998). Lesbisch ouderschap: Resultaten van een Belgische follow-up studie. In C. De Bruyne (Ed.), Jaarboek seksualiteit, relaties, geboortenregeling '98 (pp. 41-55). Gent: CGSO.

gen te houden. Indien deze ouders erin slagen zelf hun geaardheid mee te delen aan de kinderen, dan lijkt de homoseksualiteit van de ouder op zich voor deze kinderen geen nadelige effecten te hebben.

Sociologische factoren die een belangrijke rol hebben gespeeld, zijn het kleiner worden van de gedragsverschillen tussen mannen en vrouwen, en van de veranderingen in de waardering van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Als blijkt dat vaders even goed kunnen zorgen voor kinderen, dan komt dit onder andere doordat het hen nu ook is toegestaan om dit te laten zien. Daarenboven wordt er nu ook minder belang gehecht aan het zich manifesteren als mannelijk of vrouwelijk. Het heersende ideaal is eerder verschoven naar het androgyne, naar het combineren van mannelijke en vrouwelijke elementen. Uit de literatuur is gebleken dat alleenstaande, en in extensu homoseksuele ouders, zich androgyner gaan gedragen. Dit hoeft dus zeker geen nadeel te zijn.

Een derde belangrijk sociologisch element is de permeabiliteit van de grenzen tussen gezin en omgeving. Een kind groeit niet geïsoleerd in een gezin op. Het is zo goed als ondenkbaar dat een kind zou kunnen opgroeien zonder contacten met rolmodellen van beide geslachten.

Een noodzakelijke kanttekening bij deze literatuurstudie is dat volledig `zuiver' onderzoek op het vlak van homoseksueel ouderschap onmogelijk is, juist door de complexiteit van zowel ouderschap als homoseksualiteit. In elk onderzoek lopen een aantal elementen onvermijdelijk door elkaar (gevolgen van echtscheiding en het hebben van homoseksuele ouders, het hebben van één of twee ouders, de leeftijd vanaf wanneer het kind in een homoseksueel gezin terecht komt), en het is moeilijk om de resultaten eenduidig te interpreteren.

Voorts moet er gewezen worden op het verschil tussen onderzoeken bij kinderen die in een relatie tussen twee volwassenen van verschillend geslacht geboren worden, en onderzoeken bij kinderen die rechtstreeks in een homoseksuele relatie geboren worden. De kinderen uit de eerste onderzoeken zijn gedurende de eerste jaren van hun leven immers opgevoed in een heteroseksueel gezin. Deze eerste levensjaren worden juist vaak beschouwd als een belangrijke periode in de geslachtsrolontwikkeling. Als deze kinderen dan in een homoseksuele gezinssituatie terecht komen, blijven ze vaak ook nog regelmatig contact houden met de heteroseksuele ouder, zodat het ook onmogelijk is om op basis van deze populatie zekere uitspraken te doen omtrent het effect van homoseksueel ouderschap. Boven


148 Y. Moors & P. Nijs
Burton, R.V., & Whiting, J.W.M. (1961). The absent father and cross-sex identity. Merrill-Palmer Quarterly, 7: 85-95.

Colley, T. (1959). The nature and origin of psychological sexual identity. Psychological Review, 66: 165-177.

Corter, C., & Fleming, A.S. (1995). Psychobiology of maternal behavior. In M.H. Bornstein & R.A. Hinde (Eds.), Handbook of parenting. 2: Biology and ecology of parenting (pp. 87-116). New Jersey: Erlbaum Mahwah.

Cross, H.J., & Aron, R.D. (1971). The relationship of unobtrusive measures of marital conflict to remembered differences between parents. Paper presented at the meeting of the American Psychological Association, Washington, D.C.

Fisher, S.F. (1973). The female organism: Psychology, physiology, fantasy. New York: Basic Books.

Golombok, S. (1985). Lesbische moeders, heteroseksuele kinderen. Psychologie, 3: 34-37.

Golombok, S., Tasker, F., & Murray, C. (1997). Children raised in fatherless families from infancy: Family relationships and the socioemotional development of children of lesbian and single heterosexual mothers. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 38: 783-791.

Green, R. (1978). Sexual identity of 37 children raised by homosexual or transsexual parents. American Journal of Psychiatry, 135: 633-646.

Hand, S.I. (1991). The lesbian parenting couple. Unpublished doctoral dissertation, The Professional School of Psychology, San Francisco.

Hardesty, C., Wenk, D., & Morgan, C.S. (1995). Paternal involvement and the development of gender expectations in sons and daughters. Youth and Society, 26: 283-297.

Hare, J., & Richards, L. (1993). Children raised by lesbian couples: Does context of birth affect father and partner involvement? Family Relations, 42: 249-255.

Hetherington, E.M. (1972). Effects of faher-absence on personality development in adolescent daughters. Developmental Psychology, 7: 313-326.

Hoeffer, B. (1981). Children's acquisition of sex role behavior in lesbian-mother families. American Journal of Orthopsychiatry, 51: 536-543.

Jacobson, G., & Ryder, R.G. (1969). Parental loss and some characteristics of the early marriage relationship. American Journal of Orthopsychiatry, 39: 779-787.

Kirkpatrick, M., Smith, C., & Roy, R. (1981). Lesbian mothers and their children. A comparative study. American Journal of Orthopsychiatry, 51: 545-551.

de Klerck, M. (1986). Lesbisch moederschap. Jeugd en Samenleving, 3/4: 159-166.

Koepke, L., Hare, J., & Moran, P. (1992). Relationship quality in a sample of lesbian couples with children and childfree lesbian couples. Family Relations, 41: 224-229.

Lamb, M.E. (1996). De invloed van de vader op de ontwikkeling van het kind. Familia, 53-64.

Landis, P.H. (1965). Making the most of marriage. New York: Appleton-Century-Crofts.

Lozoff, M.M. (1974). Fathers and autonomy in women. In R.B. Kundsin (Ed.), Women and success (pp. 103-109). New York: Morrow.

Masters, W.H., & Johnson, V.E. (1970). Human sexual inadequacy. Boston: Little Brown.

McCandlish, B. (1987). Against all odds: Lesbian mother family dynamics. In F.W. Bozett (Ed.), Gay and lesbian parents (pp. 23-38). New York: Praeger.

Money, J., & Ehrhardt, A. (1972). Man and woman: Boy and girl. Baltimore: Johns Hopkins Press.

O'Connor, P.J. (1964). Aetiological factors in homosexuality as seen in R.A.F. psychiatric practice. British Journal of Psychiatry, 110: 381-391.

Osterweil, D.A. (1991). Correlates of relationship satisfaction in lesbian couples who are parenting their first child together.

Unpublished doctoral dissertation, California School of Professional Psychology, Berkeley/Alameda.

Parke, R.D. (1995). Fathers and families. In M.H. Bornstein & E. Zigler (Eds.), Handbook of parenting. 1: Children and parenting (pp. 27-63). New Jersey: Erlbaum Mahwah.

Pedersen, F.A., & Robson, K.S. (1969). Father participation in infancy. American Journal of Orthopsychiatry, 39: 466-472.

Pennington, S.B. (1987). Children of lesbian mothers. In F.W. Bozett (Ed.), Gay and lesbian parents (pp. 58-74). New York: Praeger.

Pleck, J.H. (1997). Paternal involvement: Levels, sources, and consequences. In M.E. Lamb (Ed.), The role of the father in child development (3rd ed., pp. 66-103).

Radin, N. (1988). Primary caregiving fathers of long duration. In P. Bronstein & C.P. Cowan (Eds.), Fatherhood today: Men's changing role in the family (pp. 127-143). New York: John Wiley & Sons.

Rebelsky, F., & Hanks, C. (1971). Fathers' verbal interaction with infants in the first three months of life. Child Development, 42: 63-68.

Rohrer, H.H., & Edmonson, M.S. (1960). The eighth generation. New York: Harper.

Rutter, M. (1995). Maternal deprivation. In: M.H. Bornstein & E. Zigler (Eds.), Handbook of parenting. 3: Status and social conditioning of parenting (pp. 3-31). New Jersey: Erlbaum Mahwah.

Santrock, J.W. (1970). Paternal absence, sex typing, and identification. Developmental Psychology, 2: 264-272.

Schaffer, H.R., & Emerson, P.E. (1964). The development of social attachments in infancy. Monographs of the Society for Research in Child Development, 29, (No. 2).

Sears, R.R., Pintler, M.H., & Sears, P.S. (1946). Effect of father-separation on preschool children's doll-play aggression. Child Development, 17: 219-243.

Steckel, A. (1987). Psychosocial development of children of lesbian mothers. In F.W. Bozett (Ed.), Gay and lesbian parents (pp. 75-85). New York: Praeger.

Stephens, W.N. (1962). The Oedipus Complex: Cross-cultural evidence. Glencoe, Illinois: Free Press.

Stevenson, M.R., & Black, K.N. (1988). Paternal absence and sex-role development: a meta-analysis. Child Development, 59: 793-814.

Stoller, R.J. (1968). Sex and gender. New York: Science House.

Stolz, L.M., et al. (1954). Father relations of war-born children. Stanford: Stanford University Press.

Thompson, N.L., Schwartz, D.M., McCandless, B.R., & Edwards, D.A. (1973). Parent-child relationships and sexual identity in male and female homosexuals and heterosexuals. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 41: 120-127.

West, D.J. (1967). Homosexuality. Chicago: Aldine.

Winch, R.F. (1950). Some data bearing on the Oedipus hypothesis. Journal of Abnormal and Social Psychology, 45: 481-489.

Wyers, N.L. (1984). Lesbian and gay spouses and parents: Homosexuality in the family. Portland: School of Social Work, Portland State University.

English summary

Development of psychosexual identity in children of homosexual parents.

Homosexual parenthood often is evaluated as negative for the development of the children's psychosexual identity. After a study of literature, it appears that the quality of the family relations is far more important than the sexual preference of the parents. Negative consequences often seem to be the result of the experience of a divorce, or of the secrecy that's surrounding the sexual preference of the parent(s).