2 A.K. Slob | ||||||||
|
nu de herregistratie dit jaar plaatsvindt. Mogelijk dat dan zal blijken dat nogal wat geregistreerde seksuologen niet voor herregistratie in aanmerking (willen) komen. We wachten af. Dan volgt opnieuw een artikel van de hand van drs. Willem Fonteijn waarin hij stelt dat het `recht op seks' naar zijn idee niet samengaat met `intimiteit'. De auteur heeft zo zijn bedenkingen bij de `fundamentele seksuele rechten van de mens' zoals die in 1983 werden geformuleerd door de World Asso- |
ciation for Sexology. Bij opnieuw lezen van die rechten bekroop mij het gevoel dat ik nu toch ook wat andere ideeën heb als 17 jaar geleden.... Misschien moeten we ze op een studiedag ter discussie stellen en hier en daar opnieuw formuleren? Zoals eerder opgemerkt, het laatste artikel betreft de uitspraak van de Tuchtrechtcommissie van de NVVS. Hopelijk krijgen we heel weinig van dit soort artikelen in het TvS! | |||||||
|
| ||||||||
|
Erasmus Cursus Specialisatie Seksuologie 2000 - 2002
Diagnostiek en behandeling van seksuele problematiek vergen specifieke deskundigheid, niet alleen omdat het over het lastige onderwerp `seks' gaat, maar tevens omdat de meeste seksuele problemen zowel lichamelijke, psychologische en relationele aspecten hebben. Om tegemoet te komen aan de grote vraag naar deze deskundigheid heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam nu de twee-jarige cursus met als doel om artsen, psychologen en maatschappelijk werkenden met VO (of met vergelijkbare opleiding of werkervaring) op te leiden tot door de NVVS geregistreerde seksuologen.
Eerste studiejaar: 30 bijeenkomsten (dinsdag 15.30-20.00 uur) Tweede studiejaar: 20 bijeenkomsten (dinsdag 14.00-19.45 uur) + stageperiode seksuele hulpverlening
Organisatie en informatie: EMCO, Mw. R.E.E. Schrijver, telefoon 010-408 7879, fax 010- 408 9463, e-mail: info@emco.fgg.eur.nl Er is nog plaats! Haast u! | ||||||||
4 W.A. Fonteijn
|
|
| liefdheid overgaat in een fase van samensmelten of zelfs fusie; in die fase is er sprake van een afname en zelfs blokkeren van seksuele verlangens. Bij verdere ontwikkeling gaat de seksuele intimiteit over in een fase van differentiatie en uiteindelijk integratie. Intimiteit is volgens Lobitz & Lobitz geen toestand maar een proces en verschil in verlangen kan in elke fase van dat proces optreden. Samenvattend kunnen we stellen dat intimiteit een interpersoonlijk cognitief proces van positief gewaardeerde emotionele nabijheid is, wat gepaard gaat met zelfbewustzijn en bewustzijn van de partner. Het seksuele karakter van intimiteit is niet altijd aan de orde. Zo beschrijven Laurenceau et al (1998), Moss & Schwebel (1993) en Register & Henley (1992) intimiteit zonder naar seksualiteit te verwijzen.
Het concept seksuele intimiteit
Seksualiteit en intimiteit hoeven niet samen te gaan. Seksualiteit verwijst naar uitingen op het gebied van het geslachtsleven (Van Dale, 1992). Kernbegrippen zijn seksueel verlangen, seksuele opwinding, seksueel plezier (Soble, 1989; 1998). Soble stelt, in navolging van Foucault, dat wat wij seksueel noemen een sociaal construct is. Waarbij hij concludeert dat de subjectieve ervaring van seksuele opwinding en seksueel plezier immuun schijnen te zijn voor culturele manipulatie (Soble, 1998). Goldman (1977) definieert seksualiteit in termen van seksueel verlangen en seksuele activiteit, verlangen naar lichamelijk contact met het lichaam van een andere persoon en de activiteit om dat verlangen te bevredigen. Seks valt samen met plezier en is een doel op zichzelf. Een activiteit is pas seksueel als die activiteit leidt tot het bevredigen van dat verlangen. Solomon (1975) en Schnarch (1991) beschouwen menselijke seksualiteit primair als een middel tot communicatie met andere mensen. Seksueel plezier is volgens deze auteurs belangrijk maar niet waar het omgaat; seksualiteit is eerst en vooral taal. Plezier, communicatie en verlangen zijn van belang voor seksualiteit. Seksuele gedragingen kunnen echter pijnlijk en onplezierig zijn. Sommige seksuele gedragingen zoals masturbatie, fetisjisme en voyeurisme missen een communicatief aspect. Sek-suele responsen kunnen reflexmatig optreden door prikkeling van zenuwcentra in het ruggenmerg zonder dat er sprake is van seksueel verlangen. Er zijn dus gedragingen aan te wijzen die we wel seksueel noemen, maar die niet plezierig of interac-tioneel zijn. Niet elimineerbaar is de responsiviteit van seksuele organen. Seksuele gedragingen ontlenen hun
|
| seksuele karakter aan de mate van seksuele opwinding, of in ons seksuologenjargon, het doorlopen van één of meer fases van de seksuele responscy-clus. Seksuele responsiviteit is een voldoende en noodzakelijk kenmerk voor seksualiteit. Is het gezamenlijk ervaren van seksuele opwinding dan ook voldoende om te kunnen spreken van seksuele intimiteit? Een prostituee vertoont talloze seksuele handelingen. Het seksuele karakter van de handelingen wordt bepaald door de doelbewuste intentie om seksuele responsen en dan met name opwinding bij de prostituant te realiseren. Er is sprake van seksuele opwinding bij de prostituant, er is spra-ke van interactie, lichamelijke nabijheid en wellicht ook plezier, er is sprake van (zakelijk) commitment. De handelingen zijn seksueel, maar intiem in de zin van emotioneel nabij, zullen we de handelingen van prostituee en prostituant echter niet noemen. Een masturbant vertoont een scala van seksuele responsen. Zijn of haar gedrag is zeker seksueel. De mas-turbant kan zich met seksuele fantasieën laten inspireren door zijn of haar partner en is, zo lijkt het, betrokken op zijn of haar partner. Toch noemen we ook dit seksueel gedrag niet intiem. Een seksuele aanranding kan gepaard gaan met (onvrijwillige) seksuele responsen bij het slachtoffer. In die zin kunnen we stellen is er sprake van seksueel gedrag, maar ook hier gaat het volstrekt tegen de intuïtie in om dergelijk gedrag intiem te noemen. Seksuele responsen ontstaan als reactie op waarnemen van seksuele prikkels. Die prikkels kunnen anoniem gepresenteerd worden. Vannoy (1980) illu-streert dit in een bekend geworden gedachte-experi-ment waarin hij ons vraagt ons voor te stellen dat wij in een volstrekt donkere kamer orale seks hebben met of een man, of een vrouw, of een machine. Wat voor effect zal deze anonieme seks bij gelijke vaardigheid hebben op de seksuele opwinding? Het lijkt reëel te stellen dat dit geen verschil in seksuele responsiviteit zal opleveren. Het is ook duidelijk dat er geen sprake is van intimiteit. Soble (1998) maakt melding van een aanklacht door een vrouw die `s nachts meende seks te hebben met haar vriend, daar plezier aan beleefde, en ontdekte dat zij seks had met een verkrachter. De betekenis van dit incident veranderde dramatisch voor deze vrouw van plezier naar walging. Beide voorbeelden illustreren dat seksuele responsiviteit anoniem opgeroepen kan worden en dat seksuele responsiviteit wezenlijk anders is dan seksuele intimiteit. Gezamenlijke seksuele responsiviteit is voldoende om te stellen dat er sprake is van seksualiteit, maar is niet voldoende om te stellen dat er sprake is van intimiteit. Seksu
|
| | ||||
Seksuele intimiteit 5 | ||||||
|
ele intimiteit gaat gepaard met positieve waardering van de seksuele interactie, met de aanwezigheid van wederzijds seksueel plezier. Het is niet noodzakelijk dat beide partners dezelfde mate of soort van opwinding beleven. Seksuele intimiteit impliceert een bewustzijn van de eigen seksuele opwinding en van de opwinding van de partner. Seksuele responsen zijn niet noodzakelijk cognitief. In zekere zin kan je stellen dat een intact ruggenmerg voldoende is voor het ontwikkelen van genitale responsen. Bij seksueel plezier zijn het limbisch systeem en de neocortex betrokken (Bancroft, 1989). Seksuele responsen zijn gericht op kenmerken van personen of dingen. Die kenmerken - seksuele prikkels - zijn een noodzakelijke voorwaarde voor het optreden van seksuele responsen. De aanwezigheid van een persoon is contingent, min of meer toevallig. Bij wegvallen van de kenmerken treedt geen seksuele respons meer op. Buekens (1998) analyseert in navolging van de logicus Kripke liefde en seksualiteit als te onderscheiden in liefde de ré en liefde de dicto. Liefde de ré is logisch en fenomenologisch karakteristiek voor liefde tussen personen. Deze vorm van liefde kan niet gereduceerd worden tot liefde de dicto, tot liefde voor eigenschappen. Geliefden genereren overtuigingen bij elkaar die vervolgens als redelijke oorzaak voor handelingen kunnen optreden. De geliefde verschijnt als de geliefde door het activeren van bijbehorende overtuigingen die passen in het unieke liefdesverhaal van dat paar. Het onderscheid tussen liefde de ré en liefde de dicto is relevant zo stelt Buekens, omdat verwarringen tussen beide emoties pathologische1 vormen van liefde kunnen verklaren. Liefde de ré is noodzakelijk gericht op die persoon. Intimiteit valt in een andere categorie dan seksualiteit, is gebaseerd op liefde de ré en is gericht op een specifieke persoon. Je bent intiem met een persoon, waarbij de eigenschappen van die persoon contingent zijn. Vormen van seksuele voorkeur die louter gebaseerd zijn op eigenschappen negeren de unieke persoon als drager van die eigenschappen. Die vorm van seksuele betrokkenheid is door haar dépersonificerende dynamiek pervers, in de zin dat de seksuele relatie wordt ontdaan van haar persoonlijke aard. Een ander logisch onderscheid tussen intimiteit en seksualiteit ligt in de uitwis-selbaarheid van seksuele kenmerken zonder de |
waarde van de seksuele responsiviteit aan te tasten. Meerdere seksuele prikkels kunnen tot dezelfde seksuele respons leiden. Seksuele responsen kunnen aan een breed scala van seksuele prikkels gekoppeld worden. Seksuele kenmerken zijn op te vatten als eerste orde concepten2. Seksuele kenmerken zijn direct herleidbaar tot een specifieke prikkelconfiguratie, zoals een bepaald lichaamsdeel. Voor intimiteit geldt dat de intimiteit met persoon A niet vervangbaar is door intimiteit met persoon B. Intimiteit is op te vatten als een tweede orde concept wat niet direct herleidbaar is tot de overte kenmerken van die intieme interactie. Voor intimiteit is een persoonlijke betekenisverlening noodzakelijk. Maar slechts één specifieke persoon kan tot die specifieke intieme band leiden. Intimiteit komt tot stand in relatie met een ander. Over en weer worden positieve overtuigingen gecreëerd. Voor het ontstaan van die overtuigingen is de ander noodzakelijk. Intimiteit impliceert altijd het toekennen van een positieve valentie aan de interactionele ervaring. Seksualiteit en intimiteit zijn twee te onderscheiden concepten die naar verschillende psychologische en biologische domeinen verwijzen. Seksuele intimiteit wordt gevormd door de hybride overlap in deze domeinen. Wat seksueel intiem wordt genoemd door de intieme partners is exclusief voorbehouden aan die intieme relatie.
Mogelijkheidsvoorwaarden voor het ontstaan van seksuele intimiteit
Eros is in seksuologische en filosofische kring een graag geziene gast. Socrates verhaalt in de dialoog `symposium' (Plato, 1987) hoe hij als jongeman van de priesteres Diotima uitleg over de betekenis van Eros heeft ontvangen. Diotima vertelt dat Eros de zoon van Armoede en Vermogen is. Armoede lag tijdens een feestje van Aphrodite te slapen voor de deur. Vermogen komt aangeschoten naar buiten en valt in slaap. Armoede verleidt en bemint de slapende god. Uit die samenleving is Eros geboren. Eros een tussenwezen, tussen de mensen en de goden, altijd vol verlangen naar het Schone. Dat is volgens Diotima het wezenlijke van de erotiek, het verlangen naar schoonheid. Men wordt als man verliefd op een schone jongeling en beseft dan dat schoonheid niet aan deze ene jongeling gebonden is, maar ook aanwezig is in andere schone jongelin- | |||||
1 Bijvoorbeeld jaloersheidwaan en - zoals verderop beargumenteerd zal worden - problematisch verschil in verlangen.2 In de zin zoals Watzlawick et al (1970) een onderscheid maken tussen kennis van de eerste orde (zintuiglijke gewaarwording) en kennis van de tweede orde (kennis over kennis van de eerste orde). | ||||||
6 W.A. Fonteijn
|
|
| gen. Gaandeweg kan men zo beseffen dat de ware schoonheid niet in de mensen gevonden kan worden maar aan gene zijde van het bestaan. Zowel Eros als Schoonheid zijn bij Socrates (in de dialoog symposium) onpersoonlijke krachten. Verliefdheid en erotisch verlangen worden beschouwd als een stap in de richting van het goede. In `symposium' beschrijft Plato een liefde de dicto! Immers je houdt niet van een persoon maar van de eigenschap waar die persoon voor staat. Later in de dialoog `Phae-drus' herroept Plato dit uitgangspunt. In een bewogen beschrijving analyseert Martha Nussbaum (1998) hoe Plato in `Phaedrus' een menselijke liefde in duurzame seksuele relaties voorstaat en de overstap maakt naar liefde de ré3. De rol van emotie en begeerte is motiverend: ze drijven de persoon in de richting van het goede. De seksuele passie is nodig om als mens tot ontwikkeling te komen, `om de ziel vleugels te geven' (Plato, 1987). De geschiedenis van een duurzame seksuele relatie, de verdieping ervan in de loop van de tijd, draagt bij tot de intellectuele waarde (het narratief) van de geliefden als bron van kennis, zelfkennis en voortgang naar inzicht. Een heel belangrijk deel van wat de geliefde leert is wat hij leert van de ander. Duurzame toewijding hoort tot het beste van het leven voor de mens. Dit leven omvat gedeelde intellectuele activiteit; maar het omvat ook de blijvende waanzin en gedeelde gevoelens van begeerte en ontroering. Seksuele intimiteit hoort bij het `goede leven' (Nussbaum, 1998). Seksuele intimiteit gaat gepaard met een gevoel van zelfbewustzijn. Een subjectieve ervaring die zeker niet vrij is van contro-verse. Zelfbewustzijn ontstaat in de verhouding tot de ander. Onze eerste jaren op deze wereld zijn noodzakelijk geplaatst binnen een gemeenschap. De notie van het zelf is door en door sociaal bepaald. Toch is dit zelf te onderscheiden van de gemeenschap als een zelfstandige entiteit en dan niet zozeer de materiële individualiteit zoals een stoel die heeft maar een uniek wezen met een eigen onafhankelijke wil en keuze. Nietzsche (1983, 1985, 1994) benadrukt de zelfbewuste autonomie van het individu. Een zelfbewust autonoom individu is een mogelijkheidsvoorwaarde voor het aangaan van een intieme relatie (cf. Schnarch,1997 en Lobitz & Lobitz, 1996). In de opvatting van Nietzsche is de edele iemand die authentiek vanuit zichzelf leeft, handelt vanuit zijn eigen levenskracht. Iemand die
|
| vrij van gevoelens van afgunst in de wereld staat. Het authentieke individu dient zich te hoeden voor toegeven aan de anonimiserende kudde-instincten. Nietzsche is zeer kritisch naar het leugenachtige karakter van idealen. Elke poging het authentieke te verwoorden in algemene categorieën doet juist dat authentieke teniet. Doorvertaald naar de seksueel intieme relatie, benadrukt hij het individueel authentieke van die relatie. Als aan die randvoorwaarde is voldaan kunnen de natuurlijke seksuele krachten functioneren. Iets waarover Van Ussel (1982) het met Nietzsche eens is. Ook hij benadrukt het authentieke en vrije karakter van de intieme seksuele relatie. Paz (1994) pleit in een essay over liefde en hartstocht, in de lijn van Nietzsche, voor een authentieke beleving van de seksuele gevoelens. Maar hij gaat een stap verder. Erotiek (opgevat als seksueel verlangen) is persoonlijk en gericht op een exclusieve ander. Erotiek is niet gericht op de idee van het schone, maar op een persoon. Paz beschrijft liefde de ré. Erotiek begint en eindigt bij zichzelf en is onverschillig voor iedere transcendentie naar een hoger idee. Erotiek is een fenomeen in zichzelf en laat zich niet reduceren tot andere fenomenen. De Franse filosoof Levinas (1987) benadrukt als geen ander het (inter)persoonlijke aspect van de (seksueel intieme) relatie. De Ander verschijnt aan het subject als een gelaat dat vraagt: `Doodt mij niet'. De Ander is per ultimo onbereikbaar. De Ander komt van buiten en brengt mij meer dan ik bevat. De relatie tot de Ander is asymetrisch. De Ander is geen kenbaar subject, maar de Ander openbaart zich vanuit zichzelf. Levinas verzet zich nadrukkelijk tegen de moderne opvatting dat alle waarheden en waarden tenslotte tot een autonoom individu herleidbaar zijn (cf. Nietzsche, 1985). Bij Levinas vindt men juist geen verheerlijking van de autonomie maar hij bepleit met kracht het moment van de heteronomie. Over erotiek (opgevat als seksuele in-timiteit) merkt Levinas op dat juist de gescheiden-heid van de ander binnen de gemeenschap met de ander het genot aangeeft. In het samenzijn met de seksueel intieme partner is het besef van het verschillend zijn als individu, het niet samensmelten met die Ander wat het genot mogelijk maakt (cf. Schnarch, 1997). En erotiek veronderstelt reeds het gegrepen en ontroerd worden door de kwets-baarheid van (het gelaat van) de Ander. Juist het
|
|
|
| 3 Of en in hoeverre Plato in de dialoog Phaedrus feitelijk een persoonlijke vorm van liefde voorstaat is en blijft controversieel. Zo merkt Vlastos (1984) op dat: "(Plato's theory) does not provide for love of whole persons but only for love of that abstract version of persons which consists of the complex of their best qualities."
|
| | ||||||||
Seksuele intimiteit 7 | |||||
|
onvermogen om de ander te bereiken maakt dat het verlangen naar de ander blijft bestaan. De erotische betrekking is intersubjectief, verzet zich tegen een algemene beschrijving, is het tegendeel van een sociale conventie. Seksuele liefde transcendeert aan gene zijde van het verlangen. Waarmee Levinas suggereert dat seksuele intimi een gezamenlijke subjectieve werkelijkheid creëren die voorbij de behoefte gaat. Ten onrechte wordt seksueel verlangen vaak beschouwd als het stillen van een verheven honger. Intimiteit is wezenlijk anders dan hartstocht of verliefdheid. Moyart (1991) merkt in zijn bespreking van erotiek en seksueel verlangen bij Levinas op dat hartstocht te beschouwen is als een extreem voorbeeld van verlangen zonder een (gezamenlijke) toekomst. Erotiek zo kunnen we stellen is eerst en vooral verlangen naar de Ander. Seksuele intimiteit wordt gekenmerkt door de authentieke beleving van sek-suele nabijheid met een exclusieve zelfstandige ander. De seksueel intieme partner is nieuw en vertrouwd, veilig en spannend. De inhoud van de intieme seksuele relatie is subjectief, gaat voorbij aan puur lichamelijke behoefte aan seksuele responsen. De subjectiviteit van de intieme seksuele relatie is niet objectiveerbaar en onttrekt zich aan de algemene en directe seksuologische waarneming. Seksuele intimiteit verwijst naar de unieke en persoonlijke ervaring van twee geliefden. Seksuele intimiteit is een intersubjectieve ervaring, twee subjecten die samen een verhaal, narratief creëren en waar alleen die twee subjecten toegang tot hebben. In het seksueel intieme narratief treed je vrijwillig binnen, je wordt gerespecteerd door de Ander, als de persoon die je bent en niet als de te worden persoon. Beiden verAnderen binnen die intersubjectieve ervaring. Seksuele intimiteit is exclusief en transcendeert het moment. Het intieme laat zich niet individueel bepalen. Het intieme vergt bij uitstek gezamenlijkheid en wederkerigheid. Intiem ben je in afstemming op de Ander. Met jezelf ben je hooguit alleen. In afstemming op de seksueel intieme partner valt betekenis met ervaring samen, vormt de intieme ervaring een directe expressie van haar betekenis.
Therapeutische implicaties
Als toename van (seksuele) intimiteit het therapiedoel is dienen de therapeutische interventies consistent ten opzichte van dit doel te zijn. Seksuele hulpverlening is echter veelal gericht op het leren focussen van de aandacht op de seksuele prikkels. |
Seksuele responsen ontstaan door aandacht te geven aan seksuele prikkels. Voorbeelden van dat type interventies zijn sensate focus oefeningen van Masters & Johnson (1970), en distractie-technieken van Kaplan (1974), masturbatietraining door Lopiccolo (1980). Christensen (1995) merkt in een kritische be-schrijving van deze traditionele sekstherapeutische interventies op dat met name voorschrijven van sensate focus en masturbatietraining de aandacht naar binnen in plaats van op een seksueel intieme partner richt en in die zin contra-productief werkt voor het ontwikkelen van seksuele intimiteit. De al eerder genoemde Schnarch ziet de nadruk op sensate focus technieken eveneens als contra-productief. Seks beschouwt Schnarch als een unieke taal waarvan de betekenis voor beide partners duidelijk is. Communicatietraining is overbodig omdat partners elkaar immers terdege begrijpen. Sen-sate focus gericht op het `verbeteren' van het voorspel is eveneens overbodig, omdat het voorspel als onderhandelingsprocedure voor de mate van intimiteit precies lang genoeg duurt. Intimiteit is volgens Schnarch het therapiedoel; seksuele intimiteit wordt juist niet bereikt door het verbeteren van seksuele vaardigheid of verlagen van seksuele faalangst maar door het vermogen om zichzelf te kennen en laten kennen. Sensate focus als techniek reduceert seksuele partners tot operante seksma-chines en gaat voorbij aan het persoonlijke appel dat intimiteit doet aan de seksuele partner; liefde de dicto, waarbij het persoonlijke als bijproduct van de seksuele lust wordt gedoogd. Lobitz & Lobitz (1996) benadrukken eveneens het relatieve karakter van de seksuele disfunctie. Seksuele intimiteit ontwikkelt zich gaandeweg en in elke fase kan een stoornis in het seksuele verlangen optreden. Het hier geconstateerde fundamentele onderscheid tussen intimiteit en seksuele responsiviteit sluit aan bij de opvattingen van Schnarch (1991, 1997) en Lobitz & Lobitz (1996). Intimiteit ontstaat binnen de persoonlijke context van dat paar, waarbij zij zich kunnen laten inspireren door een scala van al of niet seksuele gedragingen. Seksuele intimiteit is de keerzijde van seksuele eenzaamheid; een onvermogen om de eigen seksuele verlangens met een intieme partner te kunnen delen. Seksuele intimiteit vergt een vermogen om de eigen seksuele verlangens te leren kennen en accepteren, te kunnen uiten naar een partner en in de afstemming op die partner te kunnen accepteren dat die seksuele verlangens verAnderen. Seksuele intimiteit gaat gepaard met een positieve affectie, een spanning. Subtiel in z'n verschijning maar (zoals door Schnarch | ||||
8 W.A. Fonteijn
|
|
| aangetoond) zonder meer helder voor de seksueel intieme partner. Problematisch verschil in verlangen is vaak te herleiden tot discongruente seksuele responsiviteit en/of weigeren mee te werken aan het presenteren van gewenste seksuele prikkels. Het intieme laat zich niet afdwingen. Recht op seks, zoals geformuleerd door ontevreden seksuele partners, is een appèl aan de intieme partner, maar degradeert die partner tegelijk tot onpersoonlijk drager van seksuele prikkels. Seksuele intimiteit en seksuele responsiviteit zijn twee verschillende therapeutische doelen met verschillende therapeutische interventies. Nadruk op ervaren van individuele sensaties bij sensate focus is contraproductief voor het ontwikkelen van seksuele intimiteit. Evenzo werkt nastreven van seksuele intimiteit als therapeutisch doel contraproductief voor het opheffen van primaire seksuele disfuncties zoals focale vulvitis, vaginisme, ejaculatio praecox. Seksuele intimiteit is niet - zoals Schnarch suggereert - een wondermiddel voor het opheffen van seksuele disfuncties. Therapeutische interventies die gericht zijn op het ontwikkelen van seksuele intimiteit zijn interpersoonlijk van aard. Niet genoeg kan hierbij worden benadrukt dat intimiteit zich in vrijheid ontwikkelt. In algemene zin zal de therapeut gebruik maken van self-disclosure, emotionele expressie, bevorderen van onderling begrip en respect. In procestermen zullen de interventies zich richten op 1) het ontwikkelen van een zelfbewuste seksuele toenadering van de seksueel intieme partners, 2) aandacht hebben voor en afstemmen op de al of niet aanwezige seksuele bereidheid van de seksueel intieme partners, 3) leren ontwikkelen, verdragen en positief waarderen van gezamenlijke seksuele spanning, 4) ruimte geven aan de persoonlijke en vrije seksuele expressie van de seksueel intieme partner en deze leren ervaren als inspiratie voor de eigen seksuele expressie. Van de therapeut wordt een subtiele benadering gevraagd. Intimiteit laat zich niet uitdrukken in algemene seksuologische termen, maar vraagt een eigen, op die intieme partners toegespitst taalgebruik.
Summary
Sexual Intimacy
Sexual intimacy needs an authentic experience of the self and the other. Respect, vulnerability, trust and sexual arousal are prerequisites for the development of sexual intimacy. Philo-sophical investigations show that sexual intimacy is not reduci-ble to sexual arousal. Sexual intimacy and sexual responsivity are two different therapeutic goals with different therapeutic interventions.
|
| Literatuur
Bancroft, J. (1989). Human sexuality and its problems. Churchill Livingstone, Edinburgh. Buekens, F. (1998). Liefde als de ré-emotie. Publiekslezing, KUB, Tilburg. Christensen, C. (1995). Prescribed masturbation in sex therapy: A critique. J. Sex. Marit. Ther., 21: 87-99. Dale, J.H. van (1992). Groot woordenboek der Nederlandse taal. Van Dale Lexicografie, Utrecht. Goldman, A. (1991). Plain Sex. In: A. Soble (ed.), Philosophy of Sex. Rowman and Littlefield, Savage. Kaplan, H.S. (1974). The new sex therapy: Active treatment of sexual dysfunction. Brunner/Mazel, New York. Laurenceau, J.P., L.F. Barrett en P.R. Pietromonaco (1998). Intimacy as an Interpersonal Process: The Importance of Self-Disclosure, Partner Disclosure, and Perceived Partner Responsiveness in Interpersonal Exchanges. J. Pers. Soc. Psych., 74: 1238-1251. Levinas, E. (1987). De Totaliteit en het Oneindige. Ambo, Baarn. Levine, S.B. (1991). Psychological intimacy. J. Sex. Marit. Ther., 17: 259-267. Lobitz, W.C. and G.K. Lobitz (1996). Resolving the intimacy paradox: a developmental model for the treatment of sexual desire disorders. J. Sex. Marit. Ther., 22: 71-84. LoPiccolo, L. (1980). Low sexual desire. In: Leiblum, S.R., L.A. Pervin (eds.), Principles and practices of sex therapy. Guilford, New York. Masters, W.H. and V.E. Johnson (1970). Human sexual inade-quacy, Little Brown, Boston. Moss, B. and A.I.Schwebel (1993). Marriage and romantic relationships. J. Fam. Rel., 42: 31-37. Moyart, P. (1991). Fenomenologie van de Eros. In: H. Bleijendaal, J. Goud en E. van Hove (red.), Emmanuel Levinas over psyche kunst en moraal. Ambo, Baarn. Nietzsche, F. (1983). Afgodenschemering, of hoe je met de hamer filosofeert. Het Wereldvenster, Bussum. Nietzsche, F. (1985). Aldus sprak Zarathroestra. Wereldbi-bliotheek, Amsterdam. Nietzsche, F. (1994). Vrolijke wetenschap. Arbeiderspers, Amsterdam Nussbaum, M. (1998). Wat liefde weet. Boom, Amsterdam. Paz, O. (1994). De dubbele vlam, over liefde en erotiek. Meulen-hof, Amsterdam. Plato (1987). Symposium. In: Dialogen. vertaald door M.A. Schwartz. Aula, Utrecht. Register, L.M. and T.B. Henley (1992). The phenomology of intimacy. J. Soc. Pers. Rel., 9, 467-481. Russell, L. (1990). Sex and couples therapy: a method of treat-ment to enhance physical and emotional intimacy. J. Sex. Mar. Ther., 16: 11-121. Schnarch, D.M. (1991). Constructing the sexual crucible. Norton & Co, New York. Schnarch, D.M. (1997). Passionate Marriage. Norton & Co, New York Soble, A. (1989). Eros, Agape and Philia. Readings in the philo-sophy of love. Paragon House, Minnesota Soble, A. (1998). The philosophy of sex and love. Paragon House, Minnnesota Solomon, R. (1975). Sex and perversion. In: Baker, R. and F. Ellisto (Eds.), Phiolosophy and sex. Prometheus, Buffalo, New York. Ussel, J van (1982). Intimiteit. Van Loghum Slaterus, Deventer. Vannoy, R. (1980) Sex without love: A philosophical Exploration. Prometheus Buffalo, New York. Vlastos, G. (1984). Plato: The individual as an object of love. In: T. Honderich (ed.), Philolosophy Through its Past. Viking Penguin, Harmondsworth.
|
|
| | ||||
Seksuele intimiteit 9 | |||||||
Waring, E.M. (1984). The measurement of marital intimacy, J. Mar. Fam. Ther., 10: 185-192. |
Watzlawick, P., J.H. Beavin and D.D. Jackson (1970). De pragma-tische aspecten van de menselijke communicatie. Van Loghum Slaterus, Deventer. | ||||||
|
| |||||||
|
| |||||||
|
MEDEDELINGEN
WERK-CONFERENTIE over SEKSUELE EN REPRODUCTIEVE GEZONDHEID EN ZORG
In de aanloop naar de evaluatie van het Beijing Platform For Action (New York, juni 2000) organiseert het Platform Vrouwen en Gezondheid op vrijdagmiddag 7 april een werk-conferentie over seksuele en reproductieve gezondheid en zorg; nationaal en internationaal.
Datum en tijd: vrijdag 7 april 2000, van 13 tot 17 uur Plaats: De Kaargadoor, Oudegracht 36, Utrecht
Het programma en de conferentiemap zijn beschikbaar vanaf 15 maart.
Deelname aan de werk-conferentie is gratis; de conferentiemap (met veel achtergrond-informatie) kost 10,- en is te zijner tijd te bestellen bij TransAct, Postbus 1413, 3500 BK Utrecht o.v.v. Conferentiemap Beijing.
Voor informatie en opgave kunt u terecht bij Nonja Meintser. Zij is te bereiken: * schriftelijk via TransAct, Postbus 1413, 3500 BK Utrecht * per e-mail: n.meintser@transact.nl * telefonisch op maandag, vanaf 8 maart, via TransAct, 030-2326500
SPECIAL CONFERENCE `RISK ASSESSMENT AND PSYCHOPATHY'
One-day symposium
ASSESSING RISK FOR VIOLENCE (including a half-day HCR-20 workshop)
Three-day
BASIC AND ADVANCED WORKSHOP ON PSYCHOPATHY AND THE PCL-R
with international leading experts:
Robert D. Hare, Ph.D., Stephen D. Hart, Ph.D., Christopher D. Webster, Ph.D.
University Auditorium and Conference Center Nijmegen, The Netherlands April 18-21, 2000
Organized by
Dr. Henri van der Hoeven Foundation, Utrecht, The Netherlands Prof.Mr. W.P.J. Pompe Foundation, Nijmegen, The Netherlands
Conference Agency, University of Nijmegen, P.O. Box 9111, 6500 HN Nijmegen, The Netherlands. Phone: (+31) 24 361 21 84, Fax: (+31) 24 356 79 56, E-mail: M.Bluyssen@buro.kun.nl | |||||||
Seksuele (dis)functie na behandeling zaadbalkanker 11 | |||||
|
chirurgie, hadden veel vaker seksuele klachten dan zij die alléén een orchidectomie hadden ondergaan. Bij 215 patiënten werd nagegaan of klachten van door chemotherapie veroorzaakte vaat- en zenuwschade gerelateerd waren aan seksuele disfunctie. Patiënten met symptomen ten gevolge van vaatschade hadden vaker erectieproblemen (28.8%) dan patiënten zonder deze symptomen (8.4%). De symptomen van zenuwschade bleken niet gerelateerd aan seksueel disfunctioneren. Deze bevindingen suggereren dat erectiestoornissen door therapie-gerelateerde vaatschade veroorzaakt zou kunnen worden. In een prospectieve studie werd onderzocht in hoeverre chemotherapie invloed heeft op de hor-moonhuishouding en de bloedvaten, en of eventuele veranderingen hierin het seksueel functioneren beïnvloedt. Chemotherapie-behandelde patiënten werden vergeleken met hen die alléén een orchidectomie ondergingen. Gedurende één jaar werd op drie tijdstippen een vragenlijst over het seksueel functioneren beantwoord, en werden `sex-hormonen' waaronder testosteron, oestradiol en prolactine, in het bloed bepaald. Ook werden op deze drie tijdstippen de bloedstroomsnelheden in de penis gemeten met behulp van echo-Doppler onderzoek. Na één jaar werd een visuele erotische stimulatie (VES)-test uitgevoerd om de seksuele opwinding en de erectiele functie te objectiveren. Hierbij werd gebruik gemaakt van RigiScan-apparatuur. Ofschoon door de met chemotherapie behandelde patiënten vaker erectiestoornissen gemeld werden, kon dit niet geobjectiveerd worden met de VES-test of het vaatonderzoek. Chemotherapie veroorzaakt slechts tijdelijk lagere testosteronspiegels. Bovendien was er geen relatie tussen de lagere tes-tosteronwaarden en seksuele disfunctie. Ook seksuele disfunctie zoals libidoverlies verbeterde in de loop van de tijd. Dit toont aan dat er onmiddellijk na de confrontatie met de diagnose `zaadbalkanker met uitzaaiingen' seksuele problemen optreden, maar dat verbetering verwacht mag worden. Deze bevindingen en de resultaten bij de VES-test suggereren dat de seksuele klachten waarschijnlijk veroorzaakt worden door psychologische factoren. Bij een subgroep van 155 patiënten werd de invloed van operatieve verwijdering van na chemotherapie resterende tumormassa (RTM) onderzocht. Patiënten werden verdeeld in twee subgroepen; patiënten behandeld met RTM en zonder aanvullende RTM. Met uitzondering van ejaculatie-stoornissen werden door beide groepen seksuele pro | |||||
|
derd. Voor deze patiëntengroep bedraagt de 10-jaars overleving ongeveer 80% (Gels et al., 1997). Het huidige chemotherapieschema blijkt bloedvaten te kunnen beschadigen. Na vier kuren meldt ongeveer één derde van de patiënten pijnlijke, koude vingers en tenen. De gebruikte chemokuren leiden tevens tot een toename van cholesterol en andere vetten in het bloed, wat vroegtijdige aderverkalking en impotentie kan veroorzaken (Gietema et al., 1992). Verder heeft zo'n 20% van de patiënten langdurig last van tintelingen in handen en voeten als gevolg van zenuwschade (van Basten et al., 1997). Deze bijwerkingen kunnen een nadelige invloed hebben op het seksueel functioneren (van Basten et al., 1995). Ook verlaagde testosteron-spiegels in het bloed als gevolg van het verwijderen van één testikel en de nadelige invloed van chemotherapie op de resterende testikel kunnen mogelijk de libido en ook de erecties in negatieve zin beïnvloeden. Onderzoek naar deze neveneffecten staat in het proefschrift centraal. Operatieve verwijdering van tumorresten na chemotherapie heeft als meest voorkomende complicatie ejaculatiestoornissen. Deze stoornissen worden veroorzaakt door beschadiging van de zenuwvezels welke van belang zijn voor de zaadlozing. Om normale ejaculaties te behouden zijn in de loop der tijd zenuwsparende operatieprocedures ontwikkeld, en tegenwoordig wordt operatieve verwijdering van uitsluitend de resterende tumormassa aanbevolen. De prevalentie van ejaculatiestoornis-sen na deze beperkte operatie werd onderzocht.
Gevolgen van behandeling voor seksueel func-tioneren
Er werd aan 337 patiënten, na behandeling wegens zaadbalkanker, een enquête gestuurd met vragen over seksueel functioneren. Maar liefst 85% van de patiënten retourneerde de enquête, waaruit een grote betrokkenheid ten aanzien van dit onderzoek blijkt. De mediane leeftijd van de respondenten was 36 (SD 8) jaar, en de mediane follow-up, gedefinieerd als het tijdsinterval tussen diagnose en het tijdstip waarop de vragenlijst werd geretourneerd, bedroeg bijna 6 (SD 4.8) jaar. In totaal meldde 40% van hen seksuele problemen. Libidoverlies en verminderde intensiteit van het orgasme werd door respectievelijk 19 en 20% van de patiënten gemeld. Ruim 12% van de patiënten had erectiestoornissen. Ejaculatiestoornissen werden door maar liefst 28% van de patiënten gemeld. Patiënten die behandeld waren met chemotherapie, al dan niet gevolgd door | |||||
12 J.P.A. van Basten
|
|
| blemen in gelijke mate gemeld. Van de RTM-groep meldde 26% afwezigheid van ejaculatie. Dit percentage ligt lager dan incidentie van stoornissen na de voorheen uitgevoerde grotere operaties.
Psychologische factoren en informatiebehoefte
Uit de studies is gebleken dat de door de behandeling veroorzaakte organisch-biologische veranderingen een betrekkelijk geringe rol spelen met betrekking tot seksueel (dis)functioneren. Psychologische (cognitieve), sociale en emotionele factoren zijn mogelijk meer bepalend. Ondanks de uitstekende prognose wordt door veel patiënten seksuele problemen gemeld. Juist bij deze jonge mannen is de diagnose `kanker' meestal volkomen onverwacht. Zij worden geconfronteerd met een le-vensbedreigende ziekte en een onzekere toekomst. Ook de specifieke lokalisatie van deze tumorsoort kan een belangrijke factor zijn bij het ontstaan van seksuele problemen. Ook de angst voor on-vruchtbaarheid speelt een rol. In het onderzoek had ruim 80% van de patiënten behoefte aan informatie over de mogelijke gevolgen van de diverse behandelingen op het seksueel functioneren (Jonker-Pool et al., 1997). Tot op heden was hierover weinig bekend, maar met de huidige gegevens kan meer informatie worden gegeven. Mogelijk zal dit de patiënten en hun partners niet alleen helpen bij het overwinnen van moeilijkheden op seksueel gebied, maar ook bijdragen aan het rehabilitatieproces.
Conclusies
Dankzij de moderne chemotherapie kan de overgrote meerderheid van de patiënten met zaadbalkanker genezen worden. Dit betekent dat de kwaliteit van leven erg belangrijk is. Seksualiteit en fertiliteit zijn belangrijk aspecten van de kwaliteit van leven. Een groot deel van deze meestal jonge patiënten meldt na de behandeling seksuele problemen te hebben. In het AZG werd onderzocht in hoeverre de verschillende behandelvormen van invloed zijn op orgaansystemen die van belang zijn voor normaal seksueel functioneren, en in hoeverre juist psychologische, emotionele, facetten daarbij een rol spelen. Psychologische factoren spelen zeer waarschijnlijk een belangrijke rol. Vroegtijdige informatie, en waar nodig, begeleiding, kunnen ongetwijfeld bijdragen aan het voorkómen en vroegtijdig oplossen van seksuele problemen.
|
| Summary
The sexual sequelae of testicular cancer
Malignant tumours of the testis are mainly found in the third and fourth decade of life. A period in which most men are highly sexually active. To date more than ninety per cent of the patients can be cured by combined modality treatment consisting of surgery, chemotherapy and radiotherapy. With the improved prognosis there is a growing awareness about the quality of life of these young men who are expecting to enjoy a long-term and disease-free life after completion of curative treatment. Although post-treatment sexual functioning is a very relevant aspect of the quality of life, only very limited information is available about the sexual sequelae of the current therapies for testicular cancer. In this thesis, the impact of the different treatment modalities on organs systems important for normal sexual functioning was studied, and the following main conclusions could be drawn. The current treatment modalities are potentially toxic for blood vessels, nerves and testes, and therefore sexual functioning may be negatively affected. Patients treated with chemotherapy reported more frequently sexual dysfunction compared to those treated with orchidectomy alone. Erectile dysfunction is related to chemotherapy-induced symptoms of angiopathy, suggesting that chemotherapy-related angiopathy also forms the basis of erectile dysfunction. However, with the use of pharmaco-duplex ultrasonography, no blood flow chan-ges in the penile vascular bed could be established before and after chemotherapy. Although chemotherapy causes tempo-rarily Leydig cell insufficiency, subnormal testosterone levels have no influence on the distinct phases of male sexual respon-se. Total absence of antegrade ejaculation is only reported by patients treated adjuvant surgery. The resected tumour volume and its location predisposes to ejaculatory dysfunction. Ejacu-latory dysfunction is not related to other types of sexual dys-function. The direct somatic consequences of the treatment of testicu-lar cancer play only a minor role in post-treatment sexual dys-function. Psychological factors play probably a more determi-ning role. The supply of information and counselling may contri-bute to the improvement of quality of life after treatment of a malignant testicular tumour.
Literatuur
Basten, J.P.A. van, H.J. Hoekstra, M.F. van Driel, H. Schraffordt Koops, J.H.J. Droste, G. Jonker-Pool, H.B.M. van de Wiel, & D.Th. Sleijfer (1997). Sexual dysfunction in nonseminma testicular cancer patients is related to chemotherapy-induced angiopathy. Journal of Clinical Oncology 15: 2442-2448. Basten, J.P.A. van, G. Jonker-Pool, M.F. van Driel, D.Th. Sleijfer, H.B.M. van de Wiel, & H.J. Hoekstra (1995). The sexual sequelae of testicular cancer. Cancer Treatment Reviews, 21: 479-495. Basten, J.P.A. van, H. Schraffordt Koops, D.Th. Sleijfer, E. Pras, M.F. van Driel & H.J. Hoekstra (1997). Current concepts about testicular cancer. European Journal of Surgical Oncology 23: 354-360. Gels, M.E., H.J. Hoekstra, D.Th. Sleijfer, J. Marrink, H.W.A. de Bruijn, W.M. Molenaar, N.J.M. Freling, J.H.J. Droste & H. Schraffordt Koops (1995). Detection of recurrence in patients with clinical stage I testicular germ cell cancer and conse-quences for further follow-up. Journal of Clinical Oncology 13: 1188-1194.
|
|
| | |||
Seksuele (dis)functie na behandeling zaadbalkanker 13 | ||||||||
Gels, M.E., A.P. Nijboer, H.J. Hoekstra, W.M. Molenaar, J.M. Plukker, J.H.J. Droste, & H. Schraffordt Koops (1997). Com-plications of postchemotherapy residual retroperitoneal tumour mass in patients with nonseminomatous testicular germ cell tumours. British Journal of Urology 79: 263-268.Gietema, J.A., D.Th. Sleijfer, P.H.B. Willemse, H. Schraffordt Koops, E. van Ittersum, W.M. Verschuren, D. Kromout, N.H. Mulder & E.G.E. de Vries. Long-term follow-up of cardio-vascular risk factors in patients given chemotherapy for disseminated testicular germ cell cancer. Annals of Internal Medicine 116: 709-711. Hentrich, M.U., N.G. Brack, P. Schmidt, T. Schuster, C. Clemm & R.C. Hartenstein (1996). Testicular germ cell tumours in patients with immunodeficiency virus infection. Cancer 77: 2109-2116. |
Jonker-Pool, G., J.P.A. van Basten, H.J. Hoekstra, D.Th. Sleijfer, H. Schraffordt Koops & H.B.M. van de Wiel (1997). Sexual functioning after treatment for testicular cancer: a compa-rison of treatment modalities. Cancer 80: 454-464.Kroman, N., M. Frisch, T. Westergaard, J.H. Olsen, & M. Melby (1995). Estrogen-related cancer risk in mothers of testicular cancer patients. European Journal of Cancer 31A: 900 (abstract). Meyts, R. & N.E. Skakkebaek (1993). The possible role of sex hormones in the development of testicular cancer. European Urology 23: 54-61. Visser, O., L.J. Schouten, J.A.A.M. van Dijck, & J.W.W. Coebergh (1999). Urological tumours in the Netherlands 1989-1996. Netherlands Cancer Registry p15.
| |||||||
|
| ||||||||
MEDEDELINGEN
Vooraankondiging
Symposium 22 en 23 mei 2000
AGRESSIEF GEDRAG: PREVENTIE, BEHANDELING EN REHABILITATIE
Op 22 en 23 mei 2000 organiseren TBS-kliniek De Kijvelanden, Delta Psychiatrisch Ziekenhuis en Parnassia psycho-medisch centrum een symposium over agressief gedrag: preventie, behandeling en rehabilitatie. Prof. Arnold P. Goldstein, tot voor kort hoofd van het Center for Research on Aggression aan de Universiteit van Syracuse (USA), spreekt over agressief gedrag bij adolescenten en volwassenen en over de toepassing van vaardigheidstrainingen, met name de Aggression Replacement Training. Daarnaast houden medewerkers van organiserende instellingen op de dinsdagmiddag lezingen over lopende of in ontwikkeling zijnde projecten op het snijvlak van justitie en geestelijke gezondheidszorg. Het symposium is bedoeld voor professionals die adolescente of volwassen cliënten/patiënten met agressieproblematiek behandelen of begeleiden. De voertaal van het symposium is Engels. De kosten bedragen 495,-. Plaats: Hoog Brabant, Utrecht.
Voor inlichtingen en inschrijvingen: Annemiek de Rooij, afdeling PR en Voorlichting, Delta Psychiatrisch Ziekenhuis, telefoon 010-5031304, annroo@delta-pz.nl. | ||||||||
|
| ||||||||
|
De Vlaamse Wetenschappelijke Hypnose Vereniging (VHYP) organiseert een driedaags congres met als titel
MEDISCHE HYPNOSE "PSYCHO-SOMA-TICS"
Sprekers: Nicholas Covinoe (Harvard School of Medicine - USA) Bernard Trenkle (Milton Erickson Instituut - Duitsland) Data: 31, 31 maart en 1 april 2000 Doelgroep: Artsen, psychiaters, tandartsen, psychologen Plaats: Universitair Centrum Sint-Jozef, Congrescentrum, Leuvensesteenweg 517, 3070 Kortenberg Informatie: Secretariaat VHYP, p/a Jo Verhaegen, Dennenlaan 9, 2222 Itegem, tel. 015-24 51 83, e-mail: VHYP@village.uunet.be
Accreditering aangevraagd voor psychiaters, artsen en tandartsen. | ||||||||
Juryrapport Van Emde Boas-Van Usselprijs 1999 15 | ||||
|
hebben dat strookt met de doelstellingen van de NVVS. 4. Verwachting dat kandidaat dankzij de prijs in staat is zijn/haar werk meer algemeen toegan- kelijk te maken of onder een breder publiek te verspreiden.
Werkwijze
Bij de uiteindelijke selectie van een laureaat heeft de jury de uitgangspunten maatschappelijke relevantie en positief effect voor profilering seksuologie en NVVS als volgt geconcretiseerd. Diverse groepen in onze samenleving krijgen niet die aandacht van de wetenschap en maatschappelijke erkenning wat betreft hun rechten en behoeften op seksueel gebied die zij verdienen. In dat licht zijn vrouwen, allochtonen, (verstandelijk) gehandicapten en kinderen genoemd. Gelet op het feit, dat de afgelopen jaren té vaak de seksualiteit van kinderen in een negatief daglicht is komen te staan als gevolg van een aantal _ op zichzelf hoogst betreurenswaardige - situaties waarin sprake was van seksueel misbruik, heeft de jury de voorkeur gegeven aan een kan-didate, die haar sporen heeft verdiend op het vlak van seksuele ontwikkeling en behoeften van kinderen. Een tweede punt betreft de interpretatie van het exclusiecriterium. We wilden graag een persoon nomineren, die meestal in de schaduw heeft gewerkt om door de toekenning van de prijs zowel haar persoon als het terrein waarop zij werkzaam is in het zonnetje te zetten. Toen de scores van de kandidaten waren opgeteld bleek als winnares uit de bus te komen mevrouw dr. Jany Rademakers.
Juryrapport
Mevrouw Rademakers heeft zich gedurende de afgelopen 15 jaar niet alleen doen kennen als een goed en gedegen seksuologisch onderzoeker, maar ook als iemand die de gave heeft om onderzoekskennis toegankelijk te maken voor verschillende beroepsgroepen en voor een breed publiek. Een belangrijk deel van haar onderzoeks- en voorlichtingsactiviteiten had en heeft betrekking op kinderen en jongeren, zowel op het terrein van seksuele ontwikkeling en beleving als van vrucht-baarheidsregulering en veilig vrijen. Zij heeft hierover veel gepubliceerd, ook internationaal. Samen met Theo Sandfort heeft zij een speciaal themanummer geredigeerd over "Child Sexuality" |
van het Journal of Psychology and Human Sexua-lity, dat in 1999 wordt gepubliceerd. Voorts heeft zij onderzoek gedaan bij verschillende etnische groepen, zoals Turkse en Marok-kaanse, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen, vluchtelingen en asielzoekers. Het ging daarbij o.a. over anti-conceptiegedrag, de problematiek van de maagdelijkheid en de abortushulpverlening. Het meest recente onderzoeksrapport: "Abortus in mul-ticultureel Nederland", gepubliceerd in 1998, is door minister Borst naar de Tweede Kamer gestuurd vanwege de politieke en maatschappelijke relevantie. Het onderzoek heeft geleid tot een aantal beleidsmaatregelen van overheidswege ter verbetering van de voorlichting aan deze doelgroep en deskun-digheidsbevordering van hulpverleners en voorlichters die met deze doelgroepen te maken hebben. Daarnaast heeft zij onderzoek gedaan bij Nederlandse jonge meisjes en vrouwen met betrekking tot seksualiteit, anti-conceptiegedrag en _zoals dat mooi heet _ onderhandelingscompetentie. Door haar publicaties, voordrachten onderwijs/voorlichting en contacten met de media heeft zij veel op gang gebracht. Zij heeft een bijdrage geleverd aan betere informatievoorziening en deskundigheidsbevordering , alsmede verdieping van wetenschappelijke kennis op het terrein van kinderen/jongeren waar het gaat om de normale seksuele ontwikkeling. Verder doet mevr. Rademakers op dit terrein ook internationaal vergelijkend onderzoek in samenwerking met Amerikaanse en Duitse onderzoekers. Behalve een groot aantal internationale en nationale wetenschappelijke publicaties heeft zij ook een aantal populaire artikelen en boeken op haar naam staan. Onderzoekskennis wordt hierin toegankelijk gemaakt voor een breed publiek. Ik noem bijvoorbeeld: "Seks in het leven"; "Wisselende relaties, vaste partners", "Kinderen krijgen, een tweede kans." (uitg. Kosmos, Utrecht, 1996). Daarnaast wordt zeer regelmatig door de verschillende media een beroep op haar gedaan voor interviews, het leveren van bijdragen aan tv-programma's, enz. Wat betreft de internationale activiteiten moet ook genoemd worden de inhoudelijke coördinatie van een jaarlijks te organiseren studiereis door Europa van Amerikanen die kennis willen nemen van het succesvolle Nederlandse en Europese beleid met betrekking tot anticonceptie, tienerzwanger-schappen en seks-educatie.
| |||
|
16 P.Th. van Eeten | |||||||
|
Concluderend kan gesteld worden dat de prijstoekenning aan Jany Rademakers ertoe zal leiden dat de media, nog meer dan nu het geval is, contact met haar zullen opnemen en gebruik zullen maken van haar adviezen. Vertegenwoordigers van de verschillende doelgroepen zullen haar beter weten te vinden. De prijs zal haar werk meer be |
kendheid geven voor een breder publiek. Dat komt met name de informatievoorziening met betrekking tot etnische groepen ten goede. Het organiseren van deze studiedag en het feit, dat Jany hier hard aan heeft meegewerkt is een blijk van haar en ons voornemen het werk op dit belangrijke terrein met kracht voort te zetten.
| ||||||
|
Foto | |||||||
|
De trotse prijswinnares, dr. Jany Rademakers, omringd door haar partner, hun zoon en haar moeder. | |||||||
18 J. Rademakers
|
|
| Geslachtelijkheid
Bij de meeste baby's kan bij de geboorte eenvoudig worden beoordeeld of het een jongen of een meisje is. Op grond van de externe geslachtsdelen wordt de sekse vastgesteld. In de incidentele gevallen waarbij de geslachtsdelen ambigu zijn wordt een sekse toegekend en worden de geslachtsdelen veelal operatief aangepast aan de gekozen sekse. Hoe dan ook, de biologische sekse is slechts een beginpunt. In de kinder- en jeugdperiode wordt, onder invloed van verschillende factoren -zie figuur 1 (Straver, Cohen-Kettenis & Slob, 1998)- een vol-wassen gender-identiteit ontwikkeld. Gaandeweg leer je ook wat het betekent om man of vrouw te zijn, en welk gedrag of welke rol daarbij past. Naar gender-identiteitsontwikkeling en verschil
|
| lende aspecten van gender-rolgedrag in de kindertijd zijn veel studies verricht (zie voor een overzicht Cohen-Kettenis, 1995). Daarbij blijkt dat een aantal verschillen tussen jongens en meisjes in aanleg al bestaan en hormonaal bepaald worden. Jongens en meisjes verschillen in temperament, gaan anders om met frustratie en hebben een voorkeur voor ander speelgoed en ander soort spel (Prior, 1992; Snow, Jacklin & Maccoby, 1983). Veel andere verschillen zijn echter het gevolg van sociale en culturele invloeden. Ouders, leerkrachten en andere volwassenen behandelen kleine jongetjes anders dan kleine meisjes. Om maar een paar dingen te noemen: met babymeisjes wordt meer gepraat en ze worden meer aangeraakt. Als ze ouder worden worden meisjes en jongens aangemoedigd in andere activiteiten. Op school krijgen jongens meer
|
|
|
| Figuur 1
|
|
|
|
Figuur 1. Seksuele differentiatie van volwassen gender-identiteit/-rol (uit Straver, Cohen-Kettenis & Slob, 1998).
| | ||||||||||||||||||
Het kind als subject 19 | ||||||||
|
aandacht, en worden meisjes en jongens voor verschillend gedrag beloond: meisjes voor braafheid en medewerking, jongens voor goede antwoorden (Simpson & Erikson, 1983). Ook leeftijdsgenoten beïnvloeden elkaars genderrolgedrag (Carter, 1987), en leren elkaar wat wel en niet past voor meisjes en jongens. Kinderen hebben een voorkeur voor het spelen met seksegenootjes (Maccoby & Jacklin, 1987), waardoor steeds meer aparte werelden van meisjes en jongens ontstaan. Dat het op volwassen leeftijd vaak lijkt of vrouwen van Venus en mannen van Mars komen komt door de genderrolsoci-alisatie die vanaf het begin leidt tot andere gedrags-patronen en andere interactiestijlen voor jongens en meisjes. Een belangrijke functie van seksuele vorming en voorlichting is dan ook om meisjes en jongens weer met elkaar in contact te brengen, ze beter met elkaar te leren communiceren, ze te laten zien dat de betekenis en beleving van seks voor meisjes en jongens verschillend kan zijn en hoe je met deze diversiteit om kunt gaan. |
Lichamelijkheid
Lichamelijkheid is het tweede element in de definitie van seksualiteit. Bij baby's gaat het om exploratie van het eigen lichaam en om in eerste instantie toevallig gedrag dat plezierige gevoelens oproept. Baby's worden veel geknuffeld en vinden het ook fijn om aangeraakt te worden. Dat lichaamscontact is essentieel voor hun ontwikkeling. Een gebrek aan lichaamswarmte en sociaal contact leidt tot diverse problemen: kinderen groeien minder goed, zijn angstiger en agressiever (zie o.m. Santrock, 1995; de Regt, 1990). Door lichaamscontact worden ge-voelens van warmte, intimiteit, veiligheid en ver-trouwdheid doorgegeven, en wordt de basis voor een positief zelfbeeld gelegd. Bij peuters en kleuters wordt het gedrag meer doelbewust en exploratief, weinig gehinderd door schaamte- of schuldgevoelens. Data van een studie waarin ouders werden geïnstrueerd om het gedrag van hun kinderen te observeren (Friedrich et al, 1991) geven aan dat ongeveer 1 op de 4 jon | |||||||
|
Figuur 2 | ||||||||
Figuur 2. Lichaamscontact is essentieel voor de ontwikkeling van baby's. (Foto Schering Nederland, Weesp).
| | |||||||
20 J. Rademakers
|
|
| gens tussen 2 en 6 jaar masturbeert, dat wil zeggen doelgericht met de eigen geslachtsdelen speelt. Bij meisjes ligt dit aantal op 1 op 6. Kinderen masturberen omdat het een lekker gevoel geeft, of uit nieuwsgierigheid. De belangstelling krijgt ook een sociale component. Seksueel gedrag met anderen komt ongeveer vanaf het tweede jaar voor. Ongeveer de helft van de 2 tot 6 jarige kinderen heeft wel eens gezoend met een ander kind, bij 10-jarigen ligt dit percentage op twee-derde en bij 12-jarigen heeft slechts één op de 6 kinderen deze ervaring nog niet opgedaan. Kijken naar mensen die zich uitkleden, je eigen geslachtsdelen laten zien en die van je vriendje of vriendinnetje bekijken speelt voor ongeveer 1 op de 3 peuters en kleuters tussen 2 en 6 jaar een rol (Friedrich et al, 1991). Voor hen lijkt het seks-spelletje in de meeste gevallen niet het uitgangspunt, maar iets dat terloops gebeurt tijdens andere spelletjes, bijvoorbeeld bij het vader en moeder spelen of tijdens een verkleedpartijtje. Nieuwsgierigheid naar de anatomie van de ander lijkt in eerste instantie een belangrijker drijfveer dan het verlangen naar lichamelijk genot.
Basisschoolkinderen worden zich geleidelijk ook meer bewust van hun eigen behoeften en verlangens. Hun belangstelling richt zich meer op de seks zelf. Zij gaan zich afvragen hoe vrijen eigenlijk gaat, en fantaseren veel over verliefd zijn. De helft van alle kinderen heeft voor het 12e jaar aan seksueel spel gedaan met een ander kind. In de meeste gevallen gaat het daarbij om kussen en om het tonen en bekijken dan wel om het aanraken en strelen van elkaars geslachtsdelen. Toch zijn er in de oudste leeftijdscategorie ook kinderen met verdergaande ervaringen. In het Jeugd en Seks-onderzoek uit 1995 rapporteert 3% van de 12-jarige jongens en 1% van de twaalfjarige meisjes ervaring met geslachtsgemeenschap.
Ruim 10% van de kinderen tot 12 jaar heeft de seksuele ervaring opgedaan met een broertje of zusje (Finkelhor, 1981). Maar meestal vinden de seksuele activiteiten plaats met een vriendje of vriendinnetje van ongeveer dezelfde leeftijd. Jongens en oudere kinderen zijn vaker de initiatiefnemers tot seksuele spelletjes, en meestal stemt het andere kind er mee in. In 4 van de 5 gevallen gaat het om contacten die volledig vrijwillig zijn, het is uitzondering dat een kind wordt gedwongen of overgehaald om er aan mee te doen. De meeste kinderen vinden de contacten interessant. Meisjes bestem
|
| pelen hun ervaringen vaker als negatief. Daarvoor worden een aantal redenen genoemd. Meisjes zijn vaak de jongere partij en voelen zich wellicht niet sterk genoeg om zich aan bepaalde situaties te onttrekken. Ook lijken meisjes zelf minder bezig met seksualiteit, en zijn ze dus mogelijk minder gemotiveerd om aan seksuele spelletjes te doen. Naast deze psycho-sociale aspecten moet ook de maat-schappelijke context niet uit het oog worden verloren. Terwijl jongens nog vaker positieve of neutrale reacties zullen krijgen op seksueel explorerend gedrag wordt het bij meisjes eerder veroordeeld of ontkend. De boodschap aan meisjes is altijd geweest dat seksualiteit iets is waar je voor op moet passen, en de huidige maatschappelijke nadruk op seksueel misbruik maken dat die boodschap nog niets aan actualiteit heeft ingeboet.
Intimiteit
Voor kleine kinderen krijgt intimiteit vooral vorm door de kwaliteit van de relatie met de ouders. Het voert hier te ver om in te gaan op theorieën over hechting, maar het is wel belangrijk om te weten dat de kwaliteit van deze primaire relatie duidelijk van invloed is op het verloop van de seksuele ontwikkeling en het seksuele script dat in dat proces wordt opgebouwd. Genitaal spel in de eerste 12 tot 18 maanden blijkt een indicator van de kwaliteit van de objectrelaties: kinderen bij wie sprake was van een goede moeder - kind relatie vertoonden significant vaker genitaal spel dan kinderen die in tehuizen opgroeiden. Onderzoek van Van Zessen (1995) toont een verband tussen het emotionele klimaat waarin iemand als kind is opgegroeid en de latere betekenisgeving aan seksualiteit. Kinderen uit een relatief warm gezin waarin respect voor het individu bestaat leggen later vaker de nadruk op het contactuele aspect van een seksuele ervaring met een partner, terwijl kinderen uit een relatief koud gezin later meer op de eigen lustbeleving en de `seks om de seks' gericht waren.
Voor oudere kinderen (vanaf ongeveer 8 jaar) is `verliefdheid' de belangrijkste uitingsvorm van intimiteit. Je kunt verliefd zijn op een vriendje of vriendinnetje, maar ook op een volwassene, een juf of meester of een oom. Verliefd zijn maakt ook kwetsbaar. In een NISSO-onderzoek bij 8 en 9-jarige kinderen bleek dat 58% van hen wel eens verliefd was geweest (Laan, 1994; Laan, Rademakers & Straver, 1996; Rademakers, Laan & Straver, 1999). De kinderen ervaren verliefd zijn zelf als iets positiefs en
|
| | ||||
Het kind als subject 21 | ||||||||
|
omschrijven het gevoel dat ze dan hebben als prettig, leuk, kriebelig, fijn en trots. Toch zegt 85% van de kinderen dat zij het niet tegen iemand vertellen als ze verliefd zijn. De reden die hier unaniem voor gegeven wordt is dat ze bang zijn daarmee gepest te worden. Ook komt het vaak voor dat kinderen verliefd zijn op t.v.-sterren of popidolen. In een onderzoek (Broderick, 1972) wordt gesteld dat verliefd zijn op een onbereikbaar idool de ideale manier is om verschillende emoties (zoals gevoelens van binding en affectie) uit te proberen, omdat de kans op afwijzing nihil is. Ongeveer 1 op de 5 van de oudere kinderen (10 - 12 jaar) heeft ook verkering gehad. Meestal worden er ringen of speldjes uitgewisseld en zien de kinderen elkaar ook buiten school. De rest van de klas is op de hoogte van het feit dat deze twee kinderen verkering hebben. Verkering hoeft overigens niet te betekenen dat er ook gevrijd wordt. Meer dan hand in hand lopen, wat zoenen of tegen elkaar aan staan gebeurt er meestal niet. Lichamelijkheid en intimiteit zijn voor kinderen in de basisschoolleeftijd nog tamelijk autonome aspecten. |
Belang van aandacht voor de seksuele ontwikkeling van kinderen
Waarom is het eigenlijk van belang om je te verdiepen in de seksuele ontwikkeling van kinderen? Waarom moet er in de opvoeding van kinderen iets gedaan worden met seksualiteit? Vroeger werd er aan dit onderwerp geen aandacht besteed, en al die kinderen zijn toch ook opgegroeid tot min of meer normale volwassenen met een min of meer bevredigend seksleven? Ten eerste is deze stelling maar ten dele waar. Veel ouderen kijken met enige spijt naar de jonge mensen van nu, en geven aan dat ze het gevoel hebben dat ze op seksueel gebied kansen en mogelijkheden gemist hebben. Onwetendheid en een seksafwijzende opvoeding hebben het voor veel mensen moeilijk gemaakt om een plezierig seksleven te hebben. Door traditionele machtsverhoudingen en genderverschillen in de opvoeding gold dit voor vrouwen nog sterker dan voor mannen. In het proefschrift van Janita Ravesloot, dat handelt over de communicatie tussen ouders en kinderen over seksualiteit, komt de teleurstelling van ouders over hun eigen seksuele opvoeding als belangrijk motief naar voren om het zelf anders te doen (Ravesloot, 1997). Bovendien is de samenleving veranderd. Seksualiteit neemt een grotere plaats in in het publieke leven. Kinderen en jongeren worden via de media ruimschoots geconfronteerd met seksuele uitingen. Hierdoor wordt hun nieuwsgierigheid gewekt en worden vragen opgeroepen. Belangrijk is dat kinderen door hun op-voeders een context krijgen aangeboden waarmee ze deze indrukken een plaats kunnen geven. Een tweede reden om ons bezig te houden met kinderseksualiteit is dat er in de laatste decennia veel aandacht is gekomen voor seksueel misbruik van kinderen en de gevolgen voor later. Vanuit de verontwaardiging over seksueel misbruik heeft ook de seksuele voorlichting aan kinderen een nieuwe impuls gekregen. Maar soms is de boodschap die daarin aan kinderen wordt overgedragen over seksualiteit wel erg negatief. Voor kleuters en kinderen in de basisschoolleeftijd worden bijvoorbeeld weerbaarheidstrainingen georganiseerd, waar kinderen leren om `nee' te zeggen tegen ongewenst seksueel contact. Nu vind ik ook dat mensen moeten leren om in seksueel contact de grenzen van zichzelf en anderen te respecteren. Maar een al te eenzijdige nadruk op de negatieve en gevaarlijke kanten van seks draagt niet bij aan een evenwichtig leerproces. Daarom moet de vaardigheid om eigen keuzes | |||||||
|
Figuur 3 | ||||||||
Figuur 3. Kinderen worden overal geconfronteerd met
seksuele uitingen. Stichting SOA-bestrijding, Utrecht.
| | |||||||
22 J. Rademakers
|
|
| te maken op seksueel gebied en die ook in de praktijk te verwezenlijken ingebed worden in een breder kader van relationele en seksuele vorming, waar-in ook ingegaan wordt op de positieve en prettige kanten van lichamelijkheid en intimiteit. Het gaat er niet alleen om dat kinderen `nee' kunnen zeggen tegen de dingen die ze niet willen, maar vooral ook dat ze `ja' mogen zeggen tegen de dingen die ze zelf lekker en spannend vinden, dat ze hun eigen verlangens en gedrag op seksueel gebied als normaal en vanzelfsprekend leren accepteren. Verder benadrukken recente publikaties over de gevolgen van seksueel misbruik bovendien dat het niet zozeer de seksuele ervaringen op zich zijn die het trauma veroorzaken, maar dat de hele context waarin het misbruik plaatsvindt (met name de familieomstandigheden) bepalend is voor het effect (Bauserman, Rind & Tromovitch, 1998; Nash, 1999). Verder onderzoek naar alle factoren die een rol spelen in dit proces lijkt dan ook opportuun. Ten derde is uit onderzoek naar de variatie in seksueel gedrag en beleven op volwassen leeftijd steeds duidelijker geworden dat de seksuele ontwikkeling een continu proces is een dat ervaringen op jonge leeftijd de basis vormen voor en geïntegreerd worden in een script of blauwdruk over seksualiteit. Zo'n script wordt in de loop van de ontwikkeling aangepast en bijgesteld door nieuwe ervaringen en nieuwe cognitieve en emotionele moge-lijkheden (Gagnon & Simon, 1973; Rademakers & Straver, 1986). Het script omvat normen en waarden ten aanzien van seksualiteit, een kader om je eigen gevoelens en gedragingen te duiden en om het gedrag van anderen te interpreteren, regels over hoe je je in seksuele situaties moet gedragen en hoe je dingen aan kunt pakken. Een verschillende sociale context zal leiden tot verschillen in het leerproces en het verloop van de seksuele ontwikkeling zal dus geen universeel karakter hebben, maar variëren in verschillende culturen en periodes. Kennis hebben van hoe de seksuele ontwikkeling verloopt is niet alleen interessant vanuit wetenschappelijk oogpunt. Veel seksuele gedragingen die op latere leeftijd problemen opleveren voor het individu en voor de samenleving lijken mede te worden gevormd in de kinder- en jeugdperiode. Dit gaat bijvoorbeeld op voor sommige zedendelinquenten (Malamuth et al, 1993; Marshall et al, 1993; Seidman et al, 1994), maar ook voor seksverslaafden, mensen met een dwangmatige omgang met seksualiteit (Van Zessen, 1995). Longitudinaal onderzoek naar het verband tussen gezinsklimaat, sociale interacties, de opbouw van de seksuele carrière vanaf de
|
| kindertijd, de verwerving van vaardigheden en de seksuele betekenissen en beleving zou aanknopingspunten bieden voor preventie van en hulpverlening bij dergelijke problemen. Tenslotte is het van belang dat bij alle activiteiten (onderzoek, voorlichting) de behoefte en de beleving van het kind als uitgangspunt wordt genomen, en niet die van de volwassene. In plaats van te praten over kinderen moeten we meer gaan praten met kinderen.
| |||||||
Het kind als subject 23 | |||||||
sexuality from the child's perspective. Journal of Psychol-ogy and Human Sexuality, in druk.Ravesloot, J. (1997) Seksualiteit in de jeugdfase vroeger en nu. Het Spinhuis, Amsterdam. Regt, W. de (1990). Een leven lang op zoek naar warmte en koestering en hoe seksualiteit je daarbij in de weg kan zitten. In: K. Slob, A. Meulenbelt & J. Frenken, Facetten van seksualiteit, Samson Stafleu, Alphen aan de Rijn. Santrock, J.W. (1995). Life-Span Development. Brown and Benchmark Publishers, Madison/Dubuque. Seidman, B., W. Marshall, S. Hudson, P. Robertson (1994). An examination of intimacy and loneliness in sex offenders. Journal of Interpersonal Violence, 9, 518-534. Simpson A.W. & M.T. Erikson (1983). Teacher's verbal and |
nonverbal communication patterns as a function of teacher race, student gender and student race. American Education Research Journal, 20: 183-198.Straver, C., P.T. Cohen-Kettenis & A.K. Slob (1998). Seksualiteit en levensloop. In: A.K. Slob, C.W. Vink, J.P.C. Moors, W. Everaerd (red.) (1998). Leerboek Seksuologie. Bohn, Stafleu, Van Loghum, Houten/Diegem. Snow, M.E., C.N. Jacklin & E.E. Maccoby (1983). Sex-of-child differences in father-child interaction at one year of age. Child development, 49: 227-232. Zessen, G. van (1995). Wisselend contact. DSWO Press, Leiden. | ||||||
|
| |||||||
MEDEDELING
Die Deutsche Gesellschaft für Sexualforschung veranstaltet ihre 20. Wissenschaftliche Tagung vom 06. bis zum 08. Oktober 2000 in der Aula der J.W. Goethe-Universität Frankfurt am Main.
Hauptthemen: Sexualforschung: Vergangenheit und Gegenwart/Sexualtherapie: Geschlechts- spezifische Reflexionen und Weiterbildung. Auskünfte: Prof. Dr. Hertha Richter-Appelt, Geschäftsführerin.
Weitere Informationen im Internet: www.klinik.unifrankfurt.de/zpg/sexualwissenschaft. | |||||||
Tijdschrift voor Seksuologie, 2000, 24: 24-27 | ||||||
Verslag van de studiedag:Kinderen, jongeren en hun seksualiteit
Yvonne Grotjohann1 & Willy van Berlo2
Woensdag 29 september 1999 vond de studiedag `Kinderen, jongeren en hun seksualiteit' plaats in Nieuwegein, georganiseerd door de Rutgers Stichting, het NISSO en de NVVS. De studiedag bestond uit meerdere onderdelen. In de ochtend werden drie plenaire lezingen gegeven en in de middag was er de mogelijkheid twee workshops te volgen. De dag werd onderbroken door de feestelijke uitreiking van de Van Emde Boas-Van Ussel prijs 1999, met aansluitend een heerlijke lunch. Rik van Lunsen, voorzitter van de NVVS, opende de dag, waarbij hij aangaf dat deze geformeerd was rond Jany Rademakers, de prijswinnares van vandaag. Vervolgens bekritiseerde hij de media waarin alleen aandacht is voor de negatieve kanten van seksualiteit bij kinderen, met name seksueel misbruik, en waarin de positieve kanten onderbelicht blijven. Zijn ideaal is een pedagogisch klimaat waarin kinderen op kunnen groeien tot autonome seksuele wezens met hun eigen wensen en grenzen. Hij sprak dan ook de hoop uit dat deze studiedag zou leiden tot concrete aanbevelingen om dit ideaal te verwezenlijken. Daarna gaf hij het woord aan de dagvoorzitter Aldith Hunkar, ankervrouw bij het Jeugdjournaal. Zij bevestigde de mening van Van Lunsen wat betreft de eenzijdige aandacht van de media en pleitte eveneens voor een positievere benadering, met als kernpunt de gedachten, gevoelens en belevingen van kinderen zelf ten aanzien van hun seksualiteit. Met veel professionaliteit en een persoonlijke, soms grappige insteek leidde zij de lezingen in. | ||||||
|
Plenaire lezingen
Jonge kinderen en hun kennis van seksualiteit
De eerste lezing werd gehouden door Sonja Bril-leslijper-Kater van de VU. Zij heeft onderzoek gedaan naar wat jonge kinderen (3 t/m 6 jaar) weten en kunnen vertellen over seksualiteit. Over wat normale kennis is op deze leeftijd is eigenlijk weinig bekend. De kinderen kregen platen te zien met verschillende afbeeldingen die met seksualiteit te maken hebben, variërend van een aangekleed en een bloot jongetje en meisje (geslachtsidentiteit) tot een man en een vrouw die geslachtsgemeenschap hebben. Bij elke plaat werden gestructureerd vragen gesteld. Het blijkt dat deze jonge kinderen weinig kennis hebben over seksualiteit; ze kennen wel het verschil tussen jongens en meisjes en ze weten ook van welke sekse ze zelf zijn (hoewel dat soms nog eerder wordt ingegeven door bijvoorbeeld een paardenstaart of goed kunnen voetballen), maar van de seksuele functie van geslachtsorganen en sek |
sueel gedrag van volwassenen zijn ze niet op de hoogte. Het verst kwam een jongetje van 6 die verklaarde dat je bij geslachtsgemeenschap `op elkaar ligt, je houdt je piemel ertegen en dan ah ah ah'. Deze en andere aandoenlijke uitspraken van de ge-ïnterviewde kinderen verlevendigden het op zich al heldere betoog. Het belang van dit onderzoek is dat op basis van normale kennis van kinderen beter kan worden bepaald wat als afwijkend moet worden beschouwd. Seksueel misbruikte kinderen zijn bijvoorbeeld vaak tot in detail op de hoogte.
Seksuele voorlichting van kinderen, thuis of op school?
De vraag die Sanderijn van der Doef aan de zaal en zichzelf stelde is waar seksuele voorlichting het beste gegeven kan worden, thuis of op school. Het antwoord is even voor de hand liggend als logisch namelijk een combinatie van beide, dus thuis én op school. Voorlichting in het ouderlijk huis is belangrijk omdat daar een voortdurende uitwisseling | |||||
1 Yvonne Grotjohann, psycholoog, onderzoeker NISSO en 2 Willy van Berlo, psycholoog, onderzoeker NISSO. Adres: Oudenoord 182, 3513 EV Utrecht.° Geaccepteerd voor publicatie 10 december 1999 | ||||||
Verslag: Kinderen, jongeren en hun seksualiteit 25 | |||||
|
is van ideeën en boodschappen, ouders `voorbeeldvoorlichting' kunnen geven en normen en waarden kunnen overdragen. De school is eveneens belangrijk omdat deze een stukje opvoeding overneemt en daarmee ook een stukje seksuele opvoeding. Het ideaalbeeld van de spreekster tien jaar geleden was, dat er structureel en ad hoc op alle scholen vanaf groep 1 seksuele vorming en voorlichting zou worden gegeven, dat er genoeg materiaal voor handen zou zijn en een respectvol klimaat zou heersen. Helaas is dit ideaalbeeld (nog) niet verwezenlijkt. In het basisonderwijs is de voorlichting marginaal, wordt deze vooral ad hoc gegeven en met name in groep 7 en 8. In het voortgezet onderwijs is het nu wel een verplicht vak, maar met een zeer wisselende inhoud, die hoofdzakelijk gericht is op de biologische en technische kant van seksualiteit. Desondanks bleef de spreekster optimistisch en hoopvol gestemd, omdat ze merkte dat het tij aan het keren is. Ze sloot af met de volgende aanbevelingen: 1) seksuele opvoeding breed interpreteren en jong beginnen, 2) seksuele en relationele vorming invoeren op alle PABO's, 3) de juiste info geven, op het juiste moment en door de juiste persoon, 4) beschikbaarheid van goede informatie via zoveel mogelijk bronnen bewerkstelligen en 5) meer positieve aandacht geven aan seksualiteit. Mooie, ideale, concrete aanbevelingen die ons als toehoorder ook hoopvol stemmen.
Seksualiteit van Turkse en Marokkaanse jonge-ren
In verband met een afzegging van de oorspronkelijke spreekster, Emily Brugman, nam Ferko Ory, net terug uit Zuid-Afrika, de lezing over. Hij plaatste een kanttekening bij de eerste spreekster, die beweerde dat niet-leeftijdsadequate kennis van kinderen kan duiden op seksueel misbruik. Volgens Ory kan kennis over seksualiteit sterk per cultuur verschillen en begeef je je met dit soort uitspraken op glad ijs. Hij gaf een uiteenzetting van onderzoek naar Turkse en Marokkaanse jongeren en kwam tot de volgende conclusies: 1) seksuele opvattingen zijn liberaler geworden. Dit geldt met name voor de Marok-kaanse jongens, de meisjes worden niet liberaler, waardoor het verschil tussen hen vergroot wordt, 2) er bestaan geen verschillen in seksueel gedrag, 3) ze hebben meer kennis over AIDS, niet over andere SOA, toch weet éénderde van de jongeren nog niet dat condooms inderdaad AIDS kunnen voorkomen en denkt éénderde dat meteen douchen na gemeenschap het virus doet verdwijnen, 4) er is |
een verschuiving van intenties wat betreft con-doomgebruik te zien en feitelijk wordt er meer gebruik gemaakt van condooms.
Na de plenaire lezingen werd de Van Emde Boas-Van Usselprijs uitgereikt aan Jany Rademakers, psycholoog en als hoofd van de onderzoeksafdeling `Seksualiteit en de levensloop' verbonden aan het NISSO. Zij kreeg de prijs onder andere vanwege haar maatschappelijk relevante bijdrage aan de seksuologie - haar werkterrein betreft vooral kinderen en jongeren, een nog onderbelicht gebied -, en het feit dat ze in staat is daarmee ook een groot publiek te bereiken. Verder vond de jury het van belang dat, na zes mannen, deze keer een vrouw de prijs zou krijgen. Rik van Lunsen reikte de prijs, bestaande uit een beeldje en een geldbedrag, met zichtbaar genoegen uit en prees haar tomeloze inzet. Hij noemde Jany een ambassadrice voor de NVVS en de eerste specialist op het gebied van Sexual Health. Jany zei in haar dankwoord, refererend aan het feit dat de gemiddelde leeftijd van de prijswinnaars met haar erbij aanzienlijk was gedaald, dat ze de prijs als een aanmoedigingsprijs beschouwde, een stimulans om op dezelfde weg verder te gaan.
Workshops
Er kon gekozen worden uit vijf verschillende thema's voor twee workshops. Jammer genoeg was er per workshop maar één uur gereserveerd, zodat het meer een aanhoren van monologen was dan een constructieve uitwisseling van informatie in diverse werkvormen.
Beeldvorming over en onderzoek naar seksu-aliteit bij kinderen
De workshopleiders Peter van Eeten en Cees Straver betoogden dat ten onrechte, op basis van klinische en justitiële literatuur, wordt verondersteld dat seksuele contacten tussen jeugdigen en volwassenen in veruit de meeste gevallen tot schade leiden. Zij stelden daar tegenover de uitkomsten van een meta-analyse van algemene bevolkingsonderzoeken in de VS (Rind en Tromovitch, 1997; Rind, Bauserman en Tromovitch, 1998). Uit de meta-analyse van gegevens uit studentensteekproeven blijkt dat het beleefde negatieve karakter van seksuele contacten in sterke mate samenhangt met een negatieve opvoedingssituatie (emotionele verwaarlozing, misbruik, maar ook een zeer restrictieve seksuele | ||||
26 Y. Grotjohann & W. van Berlo
|
|
| opvoeding of het volledig ontbreken van een seksuele opvoeding). Niet het seksuele contact als zodanig veroorzaakt een negatieve beleving of leidt tot schade op latere leeftijd, maar de samenloop van meer ingrijpende vormen van seksueel contact met een al bestaande negatieve uitgangssituatie. Er bleef helaas weinig tijd over voor discussie met en tussen de deelnemers. Duidelijk werd wel dat ook de praktijk dringend behoefte heeft aan onderzoek naar de "normale" seksuele ontwikkeling en seksualiteitsbeleving van kinderen en jeugdigen.
Seksualiteit van Surinaamse en Antilliaanse kinderen en jongeren: culturele achtergronden
De workshopleidster Loyola Seymonson wilde twee onderwerpen behandelen, Opvoeding en het Winti-geloof, maar doordat de luisteraars al vrij snel allerlei vragen begonnen te stellen, bleef de infor-matieoverdracht uiterst mager en ongestructu-reerd. Juist het antwoord op de interessante vraag hoe allochtone kinderen te bereiken met voorlichting op school moest ze ons schuldig blijven. Ze hoopte dat antwoord uit het publiek te krijgen. Het enige wat duidelijk werd was dat de aangewezen plaats voor voorlichting de school is, aangezien er in de huiselijke situatie niet of nauwelijks over seksualiteit gesproken wordt (met uitzondering van gezegdes en eufemismen). Er werden wel enkele pogingen gedaan door het publiek om met een antwoord te komen, maar erg hoopgevend waren deze niet. Net zomin als de inhoudelijke boodschap die we meekregen van de spreekster over de seksualiteit van Surinaamse en Antilliaanse jongeren, namelijk dat alle bekende stereotypen over hen waar blijken te zijn. Mannen worden opgevoed met de boodschap macho te zijn en te pakken wat ze pakken kunnen. Het hele mannelijke ego lijkt om de grootte van de penis te draaien: `Ik gebruik geen condooms, want die passen me niet.' Meisjes worden opgevoed met de boodschap dat jongens maar één ding willen en dat zij dat moeten voorkomen. Het wordt meisjes dan ook na de menarche verboden contact te hebben met jongens. Geconcludeerd kan worden dat het stereotype man-vrouw beeld waarbij de man de actieve rol heeft en seks wil en de vrouw de passieve rol heeft en seks afhoudt door de spreekster bevestigd wordt. Dit betekent dat er nog een zware en ingewikkelde taak ligt voor de voorlichters. Meer informatie over de inhoud en het werk van de spreekster kan opgevraagd worden bij het mei-dencentrum voor tienermoeders Mi Ose es Mi Kas,
|
| te Amsterdam (020-6005340).
Seksuele voorlichting: nieuwe materialen en technieken
Hoewel de workshopleidsters Marga Reiniers en Sanderijn van der Doef in het begin aangaven dat ze ook tijd wilden inruimen voor uitwisseling van gedachten en ideeën, en daarvoor ook een kennis-makingsrondje hielden, was deze workshop een typisch voorbeeld van te weinig tijd. De twee spreeksters hielden een uitgebreid exposé over het verschillende voorlichtingsmateriaal dat de Rutgers Stichting de laatste tijd heeft ontwikkeld, maar voor een uitwisseling van ideeën was geen ruimte meer. Jammer, vooral omdat er nogal wat mensen uit de praktijk aanwezig waren. Desondanks was het leuk om kennis te maken met al die voorlichtingsfilms, -tijdschriften, -quizzen en -spellen. Zo liet Sanderijn van der Doef stukjes uit een film zien die is gemaakt voor kinderen in de basisschoolleeftijd, het `Liefdespaleis'. De film is in drie delen uitgezonden via de School TV, en had als thema's `Wat gebeurt er nu weer met me' (over zelfbeeld en puberteit), `Ben jij ook op mij' (over verliefdheid, vriendschap, relaties en grenzen daarin) en `En dit moet je ook nog weten' (over voortplanting). Via gespeelde scènes met acteurs, gesprekken met kinderen (die wijsneuzige uitspraken doen als `Als je er nog niet aan toe bent moet je het niet doen') en bijvoorbeeld een quiz (de prijs is een zoen, maar de winnaar wil niet) wordt kinderen een en ander bijgebracht over seks en aanverwante zaken.
Seksuele opvoeding van jongeren door de bril van de ouders
De centrale vraag van het onderzoek van Janita Ravesloot, en van de workshop, is: Hoe wordt binnen gezinnen gecommuniceerd over seksualiteit vanuit het perspectief van de opvoeders? Het gaat dan om praktische kennisoverdracht, dus seksuele voorlichting, en waarden- en normenoverdracht. Ouders hebben geen vaststaande normen meer, de opvoeding is moeilijker geworden. Ouders realiseren zich wel dat kinderen seksuele autonomie hebben verworven, maar hoe dit is veranderd sinds ze zelf jong waren kunnen ze niet aangeven. Wat ou-ders belangrijk vinden is dat hun kinderen goede vrienden hebben, dat seks gebeurt binnen de context van een relatie en dat er grenzen zijn. Jongens worden in dat opzicht beschouwd als grensover-
|
| |
Verslag: Kinderen, jongeren en hun seksualiteit 27 | |||||
|
schrijders en meisjes als grensbewakers. Ouders veronderstellen de technische aspecten van seksualiteit als bekend. In de praktijk blijkt er een wacht-kamercultuur te zijn waarin ouders en kinderen om elkaar heen draaien. Moeders zeggen: `Ik ben er voor ze als ze willen, maar ze komen niet', vaders gaan ervan uit dat de kinderen met vragen naar hun moeder gaan, en kinderen vinden hun ouders lang niet zo open als de ouders denken dat ze zijn en beschouwen bovendien hun seksuele leven als hun privé-domein. De conclusie is dat de communicatie enerzijds nog veel te wensen overlaat, maar dat wil niet zeggen dat ouders en kinderen daar ontevreden over zijn. Er is sprake van zowel taboe als respect. Na de heldere uiteenzetting van Janita Ravesloot ontspon zich een discussie met als overwegend thema de verantwoordelijkheid van de ouders. Er werd opgemerkt dat de media een veel serieuzere rol zouden moeten spelen, dat de opvoeding niet alleen een taak van de ouders is. Ook is het belangrijk dat ouders blijven luisteren en onderhandelen. Niet luisteren betekent de verantwoordelijkheid afschuiven. De algehele conclusie van deze workshop was dat er - gezien de zware taak die ouders hebben - begrip is voor hoe ouders het doen.
Met jongeren in een buitenschoolse setting praten over homoseksualiteit
De workshop geleid door Jessica Hoek was een demonstratie van de werkwijze die Hoek toepaste bij jongeren in buurthuizen. Door korte opdrachten werd deelnemers gevraagd naar hun kennis en opvattingen over homoseksualiteit en er werd gevraagd deze te beargumenteren en te toetsen aan die van anderen. Daarnaast werden realistische situaties nagespeeld (vriend waarvan je dacht dat die hetero was en die nu bekent dat hij homo is en verliefd op je is; hoe reageer je). Hoek brengt het thema homoseksualiteit nooit sec, maar brengt het ter |
sprake in het kader van een breder thema, dat door de jongeren zelf wordt uitgekozen. Deze directe, open benaderingswijze, enigszins lijkend op de Socratische methode, is zeker ook goed bruikbaar in andere settingen en voor andere doelgroepen.
Afsluiting
Wat kunnen we concluderen na een dag praten over kinderen, jongeren en hun seksualiteit? Duidelijk is dat de verschillende sprekers dezelfde idealen nastreven, namelijk een gezonde, positieve seksuele ontwikkeling van kinderen. Hieruit spreekt de behoefte aan meer onderzoek naar het kennisniveau, de beleving en de `normale' seksuele ontwikkeling van kinderen. Om beter onderbouwde uitspraken te kunnen doen zou cross-cultureel onderzoek de voorkeur genieten. Een ander punt dat duidelijk naar voren is gekomen zijn de hiaten in de voorlichting. Ondanks verwoede inspanningen van ouders, scholen en anderen in het veld, blijkt er nog steeds veel miscommunicatie te bestaan over seksualiteit en komen veel boodschappen (nog) niet aan bij jongeren. Ook voor deze problemen zijn concrete aanbevelingen gedaan, die allemaal neer komen op het advies de krachten te bundelen en gezamenlijk te werken aan het verwezenlijken van de gedeelde idealen.
Literatuur
Brilleslijper-Kater, S.N. en H.E.M. Baartman (1997). Over bloe-metjes en bijtjes. Wat weten kinderen van 2 tot en met 6 jaar over seksualiteit? Tijdschrift voor Seksuologie, 21: 65-73. Rind, B. en Ph. Tromovitch (1997). A meta-analytic review of findings from national samples on psychological correlates of child sexual abuse. Journal of Sex Research, 34: 237-255. Rind, B., R. Bauserman en Ph. Tromovitch (1998). A meta-ana-lytic examination of assumed properties of child sexual abuse using college samples. Psychological Bulletin, 124: 22-53. | ||||
|
| |||||
Seksuele ontwikkeling en misbruik 29 | |||||
|
Lustvolle sensaties kunnen niet alleen verwrongen raken door de bekende straffende opvoeding, maar ook door vermenging met negatieve gevoelens, zoals overheersing, angst, pijn, isolement. Scripts kunnen verwrongen raken wanneer het kind bijvoorbeeld gaat denken dat de lustervaring verbonden is met een machteloze beschikbaarheid of juist met verwend worden en grote geschenken krijgen. De kans op verwringing van de lustvolheid en van de cognitieve opbouw is zeker groter wanneer de contacten zich opdringen in de kindertijd dan wanneer ze zich na de puberteit voordoen. Het kind heeft veel minder mogelijkheden dan de puber en de ado-lescent om zich in iemand anders te verplaatsen, om de eigen situatie als het ware van buitenaf te beschouwen, en daarmee om deze te relativeren. Het kind kan zich, door dezelfde beperking in ontwikkeling, ook minder goed realiseren wat het wil accepteren en wat het wil afweren. En het kan zich feitelijk ook veel minder goed verweren, fysiek en verbaal.
Betrokkenheid en spanning
Naast het begrippenpaar sensatie en cognitie is het mijns inziens goed andere dimensies aan de orde te stellen. De seksuele ontwikkeling is toch vooral een emotionele en contactuele ontwikkeling. Het kleine kind antwoordt met genitale opwindings-verschijnelen op contactervaringen van weldadige aard. Erecties zijn geconstateerd bij jongetjes aan de moederborst. Kennelijk kan de ervaring door iemand te worden welgedaan een vanzelfsprekende aanleiding zijn om met lichamelijke opwinding te reageren. Men zou dit kunnen opvatten als een vroege vorm van betrokkenheid. Op wat latere leeftijd spreekt dit veel duidelijker. In de werkgroep van Marc van Bijsterveld werd o.m. een passage voorgelezen uit het sterk autobiografische boek `Voor een verloren soldaat' van choreograaf Rudi van Dantzig. Hierin beschrijft hij zijn relatie als twaalf-jarige met een Canadese soldaat vlak na de bevrijding. Treffend hierin is vooral de sterk emotionele betrokkenheid van de jongen. Kennelijk herkenden de aanwezigen bepaalde elementen: het werd tenminste doodstil. In deze werkgroep werden door de aanwezigen vroege lichamelijke ervaringen uit de kindertijd verteld. Opmerkelijk hierin vond ik, ten eerste, dat daar meermalen bij werd gezegd dat men later, toen men aan `echte seksualiteit' toe was, die vroege bele-vingen herkende als `eigenlijk hetzelfde'. Gezien de maatschappelijke discussie, waarin soms getwijfeld |
wordt of kinderseks wel seks is, een verhelderend punt. Trouwens ook het betoog van Prof. Cohen was hierover duidelijk. Een tweede punt dat mij opviel, was het element van spanning dat kennelijk een grote rol speelde. Iemand vertelde hoe hij als jongetje van 4-5 jaar, bij bezoek thuis, onder de tafel kroop om onder de rokken van de dames te kijken, en hoe opwindend dat voor hem was. Zulk gedrag wordt nogal eens opgevat als een uiting van `kinderlijke nieuwsgierigheid', maar dat lijkt me een eufemisme; het is duidelijk heel wat anders. Het is trouwens een `nieuwsgierigheid' die (in andere vormen) blijvend is, niet alleen in de kindertijd en jeugdtijd, maar in feite het hele leven. Lichamelijkheid en sekse zijn spannend, en ze nodigen uit tot contactname, in welke vorm dan ook. Het begrippenpaar betrokkenheid en spanning, als aanvulling op het begrippenpaar sensatie en cognitie, zou naar mijn indruk belangrijke aanknopingspunten kunnen bieden voor het verdere onderzoek naar de (vroege en latere) seksuele ontwikkeling. Temeer als daarbij de telkens wisselende balans tussen de elementen spanning en betrokkenheid onderzocht wordt. Expliciete aandacht voor de emotionele dimensies in de seksuele ontwikkeling lijkt ook daarom gewenst, omdat de negatieve gevolgen van opgedrongen lichamelijke contacten toch vooral op emotioneel vlak zullen liggen. Ernstige psychische problemen ontstaan meestal door conflicterende emoties; dat zal op dit terrein niet anders zijn.
Pedofilie en pedoseksualiteit
In de voordracht van Luk Gijs kwamen enkele relevante onderscheidingen naar voren. Een belangrijk onderscheid is dat tussen pedofilie als oriëntatie en pedoseksualiteit als gedrag. Pedofilie leidt lang niet altijd tot gedrag, onder meer omdat morele overtuigingen iemand weerhouden. Omgekeerd blijkt pedoseksueel gedrag lang niet altijd samen te gaan met een pedofiele oriëntatie in de zin van zich seksueel aangetrokken voelen tot kinderen. Zo blijkt dat de meeste `child molesters' geen regelmatige wensen of fantasieën hebben over seks met een kind (in sommige onderzoeken zelfs 60 tot 75%). Hun gedrag wordt kennelijk door andere factoren beinvloed, afhankelijk van het soort van gedrag. Onderzoekers hebben dan ook factoren-modellen geformuleerd welke anders luiden als het gaat over seksueel aggressief gedrag dat in feite tegen het kind gericht is, dan wanneer het gaat om seksueel vriendschappelijk gedrag dat op een relatie met het | ||||
30 C.J. Straver
|
|
| kind gericht is. Bij het eerste spelen vaker een gewelddadige en/of verwaarlozende opvoeding mee, een negatieve hechting, een gebrek aan zelfvertrouwen en aan sociale en relationele vaardigheden, alsmede sociaal culturele (subculturele) van-zelfsprekendheden over mannelijke dominantie en agressie. Bij een relatie-gericht seksueel contact worden andere factoren genoemd: een seksuele aantrekking en daarop volgende seksuele opwinding, een overeenstemming die de dader ziet tussen zijn eigen emotionele behoeften en die van het kind, en een ontremming van morele bezwaren. Maar veel is hiervan nog hypothetisch. Over het ontstaan van een pedofile oriëntatie bestaan verschillende theorieën, maar de meeste zijn niet getoetst of zelfs niet toetsbaar; andere zijn wel aan onderzoek onderworpen maar kregen onvoldoende empirische steun. Zo bleek uit overzicht-studies dat er geen empirische steun is voor het klassieke persoonlijkheidsprofiel van de pedofiel: iemand die nogal passief, sociaal onhandig, sociaal geisoleerd, niet assertief enzovoorts zou zijn. De vaker geuite gedachtengang over de pedofiel als iemand die op grond van zijn persoonlijkheidskenmerken vooral `kind met de kinderen' wil zijn, lijkt daarmee niet houdbaar. Ook de vaker veronderstelde samenhang tussen een pedofiele oriëntatie en een psychopatische persoonlijkheidsstructuur vond geen steun. Het omgekeerde zal wel vaker gelden: iemand met een psychopatie zal eerder tot seksueel misbruik en/of geweld komen. Gijs wees er op dat het a priori labelen van elk seksueel contact tussen een kind en een volwassene als seksueel misbruik (zoals gebruikelijk in veel Amerikaanse literatuur) wetenschappelijk onver-dedigbaar is. En dat generaliserende uitspraken in negatieve richting (bijvoorbeeld `pedofielen willen alleen maar seks met het kind') eveneens onjuist en sociaal gevaarlijk zijn. Rijst de vraag hoe pedofilie en pedoseksualiteit op te vatten. In een over-zichtsartikel wijst Gijs (1988) erop dat er de laatste decennia een consensus lijkt te zijn gegroeid volgens welke `normaal seksueel gedrag' opgevat wordt als seksueel contact tussen personen die tot onderlinge consensus in staat geacht worden. Dit kan hetero-, homo- en biseksueel contact zijn, maar ook sado-masochistisch contact kan hieronder vallen. `Deviant seksueel gedrag' omvat dan twee subcategorieën: seksueel contact waarbij de onder-linge consensualiteit belemmerd of onmogelijk is door de aard van de relatie maar geen geweld, in een of andere vorm, gebruikt wordt; en seksueel gedrag waarbij dit laatste wel optreedt en er van
|
| consensualiteit sowieso geen sprake kan zijn.
Leeftijdsgrenzen en pedoseksueel gedrag
De vier inleiders (Prof. Cohen, L. Gijs, Prof. Everaerd en Prof. Tielman) stemden met elkaar overeen op twee belangrijke punten. Ten eerste wensten zij onder pedofilie en pedoseksualiteit te verstaan elke oriëntatie op of seksueel gedrag met prepubertaire kinderen, waarbij de exacte leeftijdsgrens wat varieerde (12 of 13 jaar). Op dit punt onderscheidden zij zich van auteurs die ook aantrekking tot of seksueel contact met postpubertaire jongeren tot pedofilie en pedoseksualiteit willen rekenen, en die daarbij verschillende leeftijdsgrenzen noemen (nogal eens 16 jaar, maar soms ook andere leeftijden varierend van 14 tot zelfs 18 jaar). Ten tweede stemden de inleiders onderling overeen in hun afwijzing van pedoseksuele contacten in de bovengenoemde zin. Vanuit de ontwikkelingspsycholo-gische hoek werden wat andere argumenten gegeven dan vanuit de seksuologische hoek. In de eerste visie ging het om zaken als: het prepubertaire kind is er nog niet aan toe, het beschikt onvoldoende over `risicomanagement', en het kan onvoldoende tot een reële consensus komen. De seksuologische invalshoek werd met name door Walter Everaerd verwoord. Zijn argumentatie luidde in kort bestek als volgt. Weliswaar is uit recente meta-analyses gebleken dat seksueel contact tussen een kind en een volwassene niet altijd negatief, ernstig en schadelijk hoeft te zijn (Rind, Bauserman en Tromovitch, 1998), maar schade treedt toch in veel gevallen op. En dat risico mogen we, maatschappelijk gezien, niet nemen. Bepaalde rampen (denk aan de Bijl-merramp) treffen lang niet iedereen in dat gebied, maar toch zeggen we dat zulke rampen moeten worden voorkomen. De seksuele liberalisatie heeft meegebracht dat we heel precies zijn geworden in het omschrijven van wat we onder vrijwillige instemming met seksueel contact verstaan. Dat lijkt een paradox, maar dat is het niet. Grotere vrijheid betekent namelijk ook een grotere verantwoordelijk-heid. De vrouwenbeweging heeft laten zien dat onderdrukking, onvrijheid en geweld in seksuele interacties een belangrijke bron van een problematische ontwikkeling kunnen zijn, zowel voor de seksuele als de meer algemene persoonlijke ontwikkeling. In de laatste decennia is de discussie over pedofilie en pedoseksualiteit onderdeel geworden van de beschouwingen over seksueel misbruik. Daarom denken we er nu strenger over dan in de
|
| |
Seksuele ontwikkeling en misbruik 31 | |||||
|
70 er jaren. Er zijn nogal wat benaderingen, met name in de Amerikaanse literatuur, die er eenvoudig van uitgaan dat seks met een kind altijd schadelijk is voor het kind. Zulke auteurs stellen de maatschappelijke en juridische norm (beneden 12 jaar mag het nooit, volgens de Nederlandse wet) gelijk aan een wetenschappelijke ontwikkelingspsy-chologische regelmatigheid. Dat is niet juist, maar het is ook niet nodig om toch te kunnen stellen dat we de (relatief grote) kans op schade willen voorko-men. Bijkomende argumenten zijn dat we niet goed kunnen voorspellen wanneer zo'n seksueel contact wel of niet schadelijk is, en dat het niet erg aannemelijk is dat de vrijheid van een kind in een seksuele relatie met een oudere bevorderd zal worden.
Is consensus over pedofilie haalbaar?
Dit was de ondertitel van het betoog van Prof. Everaerd. Ze veronderstelt mijns inziens dat eerst de voorwaarden gespecificeerd worden waaronder een consensus eventueel bereikt zou kunnen worden. Een eerste voorwaarde lijkt mij het uitzuiveren van de begrippen. Luk Gijs heeft duidelijk gemaakt dat pedofilie en pedoseksualiteit elkaar slechts ten dele overlappen. Het ontwikkelingspsychologische probleem zit in de pedoseksualiteit, niet in pedofilie als neiging en verlangen. Wanneer dit laatste niet tot seksuele contacten leidt, heeft alleen de pedofiel zelf een probleem, wanneer hij (of zij) er geen creatieve uitweg voor vermag te vinden. Gijs maakte duidelijk dat wetenschap en hulpverlening op het moment eigenlijk niets te bieden hebben voor iemand die van oriëntatie wil veranderen. Hulpverlening heeft wèl zin indien ze gericht is op het voorkomen van (recidive van) pedoseksuele contacten. Daar bestaan inmiddels gerichte programma's voor, met soms heel matige en soms betere resultaten. Kortheidshalve verwijs ik hiervoor naar enkele hoofd-stukken in het recente Leerboek Seksuologie (1998). Een tweede en mijn inziens cruciale voorwaarde is dat alle relevante informatie op tafel komt. In de voordrachten van Everaerd en Cohen werd kort verwezen naar de recente meta-analyses van Rind, Bauserman en Tromovitch, die (in verschillende combinaties, zie literatuur) gerapporteerd hebben hebben over hun bevindingen, eerst aan de hand van algemene bevolkingssteekproeven en vervolgens van steekproeven uit studentenpopulaties. Deze laatste zijn voor de discussie het meest relevant, omdat ze niet alleen zelfbeoordelingen bevatten, maar ook metingen van het psychisch functioneren en gegevens over achtergrondsfactoren, met |
name in de opvoedingssituatie. Bovendien blijken ze qua uitkomsten goed overeen te stemmen met de bevindingen uit de bevolkingssteekproeven. De steeds terugkerende conclusies uit eerdere meta-analyses, welke vooral gebaseerd waren op klinische en/of justitiële studies, hebben zij als hypothesen voor hun analyses genomen. Deze zijn in het kort de volgende. 1. Causaliteit: seksueel misbruik is oorzaak van problematisch functioneren. 2. Prevalentie: na veruit de meeste seksuele contacten treden de problemen op. 3. Intensiteit: de problemen zijn meestal ernstig tot zeer ernstig. 4. Sekse-gelijkheid: de problemen treden even vaak op bij jongens als bij meisjes, en zijn even ernstig. De causaliteitsvraag is uiteraard de belangrijkste. Het blijkt dat studenten met een misbruikge-schiedenis (als slachtoffer) wel slechter scoren op een aantal metingen, maar het gaat hier om zeer bescheiden correlaties. Verder blijkt dat het psychisch minder goed functioneren veel beter verklaard wordt door de gezinsachtergronden dan door het misbruik alleen (negen maal meer verklaarde variantie). Met name fysiek geweld in het gezin verklaarde veel. Wat de invloed van misbruik op zich betreft, maakte het vooral uit of er dwang of geweld was gebruikt, en of het om een contact met een familielid ging (incest). De vraag naar overeenkomsten of verschillen tussen de seksen leverde eveneens belangrijke gegevens op. Ten eerste rapporteren vrouwelijke studenten aanmerkelijk vaker dan de mannelijke dat zij seksuele contacten hebben meegemaakt (27 versus 14%), dat daarbij dwang of geweld is gebruikt, dat het contact plaats vond met een familielid. Slechts 11% zegt de ervaringen toen als positief te hebben beleefd, 27% als negatief. Bij de mannelijke studenten overwegen de neutrale en positieve oordelen: 37% ervoer het contact toen als positief, terwijl 24 tot 37% meende dat die ervaring een positieve invloed heeft gehad op hun huidige seksleven. De auteurs merken op dat de zelfbeoorde-lingen niet als enige basis genomen mogen worden, maar in combinatie met de andere gegevens maken ze duidelijk dat het wetenschappelijk onjuist is om elk seksueel contact van iemand beneden de wettelijke leeftijdsgrens met iemand die een stuk ouder is bij definitie als misbruik te bestempelen. De term seksueel misbruik willen zij reserveren, niet voor contacten waar feitelijk geen schade is opgetreden (zoals ter vergadering ten onrechte werd verondersteld), maar voor die contacten die waarschijnlijk schade zullen veroorzaken (likely to cause harm). | ||||
32 C.J. Straver
|
|
| In dit verband was de voordracht van Rob Tiel-man zeer ter zake. Kern van zijn betoog vormde het actief-pluriform onderwijsmodel. Dat wil zeggen een vorm van onderwijs welke actief probeert de jeugdigen tot zelfsturing te brengen. Dit veronderstelt assertiviteit, maar ook respect tegenover anderen, het leren maken van afspraken, en geza-melijk aanvaarde regels over hoe met elkaar om te gaan. Prof. Tielman meende dat de leeftijdsgrens van 12 jaar geen basis geeft voor alle individuele gevallen om te bepalen of iemand wel of niet toe is aan de vrijheid tot zelfbepaling, maar dat het in het algemeen wel een zinnige grens is. Dit heeft onder andere te maken met het terecht meer beschermende klimaat op de basisschool en het veel meer open klimaat in het vervolgonderwijs. In het bepleite onderwijsmodel past het ook om ongefundeerde oordelen te signaleren en te bestrijden, zeker als die tot sociaal gevaarlijke overdrijvingen en anti-houdingen blijken te leiden.
Besluit
In de jaren dat hij vice-voorzitter van het NISSO-bestuur was, heeft Prof. R. Veenhoven meermalen benadrukt dat een belangrijke bijdrage van de seksuologie haar pacificatiefunctie is: op terreinen waar emoties de discussies dreigen te overheersen, kan wetenschappelijke informatie de discussies op een zakelijker nivo brengen en daarmee een consensus eerder mogelijk maken. Het is dan wel noodzakelijk dat die informatie volledig en betrouwbaar is. Anders wordt de seksuoloog een deel van het probleem in plaats van de oplossing. Vanuit deze visie is het zeker vreemd dat de boven aangehaalde bevindingen van Draijer praktisch niet benut zijn in de maatschappelijke discussies over de gevolgen van seksueel misbruik en geweld. Reden te meer om, nu er nieuwe gegevens beschikbaar zijn, de discussies te herijken.
Literatuur
Bauserman, R. & B. Rind (1997). Psychological correlates of male child and adolescent sexual experiences with adults: a review of the nonclinical literature. Archives of Sexual Behaviour, 26: 105-141. Draijer, N. (1988). Seksueel misbruik van meisjes door ver-wanten. Een landelijk onderzoek naar de omvang, de aard, de gezinsachtergronden, de emotionele betekenis, en de psychische en psychomatische gevolgen. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag. Fishman, J. (1991). Prevalence, impact, and meaning attribution of childhood sexual experiences of undergraduate males (Doctoral dissertation, University of Massachusetts, 1990). Dissertation Abstracts International, 52, 114.
|
|
| Interessanterwijs stemmen Draijer's (1988) gegevens goed met die van de hier besproken auteurs overeen, met name het belangrijke punt van de familiale achtergrondfactoren (ook al wordt dit gegeven uit haar studie in de Nederlandse discussies bijna nooit naar voren gebracht). Zij rapporteerde op grond van haar regressie-analyses dat seksueel misbruik wel een eigen bijdrage levert aan de later ondervonden problemen, maar dat deze bijdrage zeer klein is in verhouding tot de veel grotere bijdrage van een negatieve thuissituatie in meer algemene zin. Waarschijnlijk moeten we zeggen dat pas de samenloop van een ingrijpend contact met een negatieve achtergrond tot schadelijke gevolgen leidt.
Beneden en boven 12 jaar
Doordat buitenlandse wetgevingen vaak alle seksuele contacten beneden 16 of 17 jaar (in Canada 14 jaar) als onwettig bestempelen, nemen onderzoekers deze omgrenzing vaak over. In hun onderzoek komt dan niet aan de orde hoe seksueel contact onder en boven 12 jaar mogelijk anders ervaren wordt en anders uitpakt. Ook de onderzoekingen die door Rind, Bauserman en Tromovitch geanalyseerd werden lijden aan dit euvel. Wel bespreken zij in hun meta-analyse van de studentenonder-zoeken een onderzoek waarbij dat leeftijdsverschil wel gemaakt werd en bovendien de leeftijdsafstand tot de (meer) volwassene werd gespecificeerd (Fish-man, 1991). In dit onderzoek onder jongens werden geen significante verschillen in verband met de leeftijd gevonden. De auteurs benadrukken echter verschillende malen hun vermoeden dat het vaak wel een belangrijk verschil zal blijken te zijn. In de Nederlandse wetgeving is er wel een belangrijk verschil. Alle seksuele contacten met iemand beneden 12 jaar zijn altijd strafbaar, en wel met zware sancties. Boven 16 zijn alle contacten vrij, behalve in afhankelijkheidssituaties. En tussen 12 en 16 wordt alleen vervolging ingesteld als de jongere zelf of een wettelijke vertegenwoordiger een klacht indient (in de praktijk: naar de politie stapt). Interessanterwijs bleek uit een recent onderzoek door De Savornin Loman e.a. (1998), dat jongeren in die leeftijd in grote getale zelf willen bepalen of, met wie en wanneer ze seksuele contacten aangaan. En dit werd volgehouden als gevraagd werd of dit ook gold als de contactpartner tien jaar ouder was. Pas bij de vraag `en 25 jaar ouder?' haakten de meesten af, voornamelijk met emotioneel gekleurde opmerkingen van onbegrip zoals onaantrekkelijk, raar e.d.
|
| | ||||
Seksuele ontwikkeling en misbruik 33 | |||||
Gijs, L. (1998). Parafilieën - over seksuele oriëntaties in het span-ningsveld tussen atypische variatie en pathologische stoor-nis. In: Slob, A.K., C.W. Vink, J.P.C. Moors & W. Everaerd (red). Leerboek Seksuologie. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.Rind, B. & Ph. Tromovitch (1997). A meta-analystic review of findings from national samples on psychological correlates of child sexual abuse. Journal of Sex Research, 34: 237-255. Rind, B. & Ph. Tromovitch, R. Bauserman (1998). A meta-ana-lystic examination of assumed properties of child sexual abuse using college samples. Psychological Bulletin, 124, 1: 22-53. |
Rind, B., R. Bauserman & Ph. Tromovitch (1998). An examination of assumed properties of child sexual abuse based on non-clinical samples. Paper presented in Rotterdam, Pauluskerk, 18.12.98. In: Verslag Conferentie `De andere kant van de medaille'. Stichting Kerkelijke Sociale Arbeid, Rotterdam.Savornin Lohman, J. de, e.a. (1998). Het functioneren van het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving. Verweij-Jonker Instituut, Utrecht. Slob, A.K., C.W. Vink, J.P.C. Moors, W. Everaerd (red) (1998). Leerboek Seksuologie. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem. | ||||
|
| |||||
NVVS-geregistreerde seksuologische hulpverleners 35 | ||||||||||||||
|
Van die werkplekken bevinden zich er 10 in de provincie Groningen, 4 in Friesland, 4 in Drenthe, 5 in Overijssel, 2 in Flevoland, 29 in Gelderland, 33 in Utrecht, 61 in Noord-Holland, 54 in Zuid-Holland, 2 in Zeeland, 25 in Noord-Brabant en 26 in Limburg. Eén persoon heeft een werkplek buiten Nederland en 3 personen zijn wel ingeschreven in het SH-register, maar hebben geen werkplek waar zij zich bezighouden met het behandelen van cliënten met seksuele problemen.
Sekse en beroepsachtergrond Van de 179 geregistreerde seksuologisch hulpverleners zijn er 76 (42%) van het mannelijk en 103 (58%) van het vrouwelijk geslacht. Informatie over hun beroepsachtergrond is te vinden in tabel 1. Psychologen blijken verreweg de grootste groep te vormen (85 van de 179; 47%), op ruime afstand gevolgd door maatschappelijk werkers (42 van de 179; 23%) en medici (37 van de 179; 21%). Ruim eenderde van de geregistreerde seksuologisch hulpverleners (66 van de 179; 37%) blijkt tevens psychotherapeut te zijn. | ||||||||||||||
|
Werkplek Informatie over de werkplek van de geregistreerde seksuologisch hulpverleners is te vinden in tabel 2. Bij bijna de helft van de werkplekken (115 van de 256; 45%) blijkt het te gaan om een eigen of groepspraktijk. Belangrijke werkgevers zijn verder Academische Ziekenhuizen (34 van de 256; 13%), RIAGG's (29 van de 256; 11%), Algemene Ziekenhuizen (25 van de 256; 10%) en de Rutgers Stichting (24 van de 256; 9%). Bij een overgrote meerderheid van de eigen of groepspraktijken en bij alle vestigingen van de Rutgers Stichting kunnen cliënten op eigen initiatief aankloppen. Bij instellingen als RIAGG's, en Academische en Algemene Ziekenhuizen, dient men doorgaans te beschikken over een verwijsbrief.
Aandachtsgebied Op een overgrote meerderheid van de werkplekken (245 van de 256; 96%) behandelt de hulpverlener zowel cliënten van het mannelijk als van het vrouwelijk geslacht. Op zes plaatsen richt men zich uitsluitend op mannelijke en op vijf plaatsen uitslui | ||||||||||||||
|
|
| |||||||||||||
|
| ||||||||||||||
|
Tabel 1. De beroepsachtergrond van de 179 door de NVVS geregistreerde seksuologisch hulpverleners (meer dan één beroepsachtergrond mogelijk). | ||||||||||||||
|
Psychotherapeut Geen psychotherapeut Totaal Man Vrouw Man Vrouw 1 a Arts 2 1 5 9 17 b Huisarts 0 0 0 3 3 c Gynaecoloog 0 0 4 2 6 d Uroloog 0 0 2 0 2 e Psychiater 9 0 0 0 9
Totaal artsen 11 1 11 14 37
2 a Psycholoog 6 10 13 20 49 b Eerstelijnspsycholoog NIP 2 3 5 5 15 c Klinisch psycholoog NIP 13 4 3 8 28
Totaal psychologen 19 16 19 31 85
3 Andere academicus 2 6 3 5 16 4 Maatschappelijk werker 4 8 7 23 42 5 Verpleegkundige 0 0 1 2 3 6 Anders 0 1 1 1 3 Totaal 35 31 41 72 179
| ||||||||||||||
36 J.A. Vroege, P.A. Vruggink, P.R.I. Rabsztyn & J.M. Reinders
|
|
| tend op vrouwelijke cliënten. De desbetreffende hulpverleners blijken vooral werkzaam te zijn binnen de homocategorale hulpverlening, of als gynaecoloog of uroloog binnen een ziekenhuis. Wat de leeftijd van de cliënten betreft: volwassen cliënten (18-65) blijkt men vrijwel overal te behandelen (op 252 van de 256 werkplekken; 98%); ouderen (65+) op ongeveer tweederde (159 van de 256; 62%), jongeren (12-18) op minder dan de helft (112 van de 256; 44%) en kinderen (0-12) op ongeveer eentiende van de genoemde lokaties (24 van de 256; 9%). Op drie plaatsen (binnen centra voor kinder- en jeugdpsychiatrie) blijkt men zich uitsluitend bezig te houden met kinderen en jongeren, op één plaats (binnen een verpleeghuis) uitsluitend met ouderen. Informatie over het soort seksuele problemen waar de geregistreerde seksuologisch hulpverleners zich mee bezighouden, is te vinden in tabel 3. De geregistreerde seksuologisch hulpverleners blijken zich op vrijwel alle lokaties (244 van de 256; 95%) bezig te houden met het behandelen van seksuele dysfuncties. Slachtoffers van seksueel geweld en problemen met de eigen seksuele oriëntatie ziet men op respectievelijk driekwart (192 van de 256; 75%) en tweederde (177 van de 256; 69%) van de werkplekken. Cliënten met parafilieën en genderidentiteitsproblemen worden op de helft van de plaatsen behandeld (134 en 125 van de 256; 52% en 49%), en daders van seksueel geweld tenslotte op eenderde van de lokaties (90 van de 256; 35%).
|
| Werkplek en problematiek Waar de hulpverleners die zich bezighouden met de bovengenoemde zes probleemcategorieën werkzaam zijn, is eveneens te vinden in tabel 3. Het grootste aantal werkplekken waar men zich bezighoudt met de verschillende soorten seksuele problemen, blijkt steeds te vinden in de eigen of groepspraktijk. Bij de seksuele disfuncties zijn het vervolgens het Academisch Ziekenhuis en de RIAGG waar het grootste aantal werkplekken te vinden is, bij de parafilieën en problemen met de eigen seksuele oriëntatie de Rutgers Stichting en de RIAGG, bij de genderidentiteitsproblemen de RIAGG, de Rutgers Stichting en het Academisch Ziekenhuis, en bij slachtoffers en daders van seksueel geweld de RIAGG en de Rutgers Stichting.
Discussie
Op basis van de gegevens uit de `Gids geregistreerde seksuologen NVVS 1999' kan worden geconcludeerd dat de prototypische `Seksuoloog NVVS' ingeschreven in het register `Seksuologische Hulpverlening' inderdaad een vrouwelijke psycho-loog is, die ondermeer werkzaam is in een eigen of groepspraktijk. Betrokkene blijkt echter niet alleen gespecialiseerd te zijn in het behandelen van slachtoffers van seksueel geweld, maar ook in seksuele disfuncties en problemen met de eigen seksuele oriëntatie, en waarschijnlijk zelfs in parafilieën en genderidentiteitsproblemen.
|
|
|
|
|
|
|
Verwijzing Geen verwijzing Totaal nodig nodig
1 a Rutgers Stichting 0 24 24 b SAD-Schorerstichting 0 5 5 c Andere seksuologische instelling 0 2 2 2 Eigen praktijk/groepspraktijk 5 110 115 3 a RIAGG 20 9 29 b Anders GGZ 7 6 13 4 Instelling voor verslavingszorg 0 1 1 5 Forensisch-psychiatrische instelling 1 1 2 6 a Academisch Ziekenhuis 25 9 34 b Andere universitaire instelling 0 2 2 7 Algemeen ziekenhuis 21 4 25 8 a Revalidatiecentrum 2 0 2 b Verpleeghuis 1 0 1 9 Buiten Nederland 0 1 1
Totaal 82 174 256 Tabel 2. De werkplek van de door de NVVS geregistreerde seksuologisch hulpverleners en het feit of verwijzing naar die werkplek al dan niet noodzakelijk is (meer dan één werkplek mogelijk).
|
| | ||||||||||
NVVS-geregistreerde seksuologische hulpverleners 37 | |||||
|
Dat cliënten met dit soort seksuele problemen allemaal met grote regelmaat worden gezien, is daarmee niet gezegd. De betrokken hulpverlener zal - naar wij aannemen - tenminste enige ervaring hebben met het behandelen van dergelijke cliënten en is in ieder geval bereid om cliënten met dit soort klachten op de desbetreffende werkplek in behandeling te nemen. Om inzicht te krijgen in het aantal cliënten dat jaarlijks met verschillende soorten seksuele problemen aanklopt bij de hulpverlening, zal echter een beroep moeten worden gedaan op cliëntenregistraties (bijvoor-beeld Vroege, 1998). Wanneer de cijfers uit 1999 worden vergeleken met die van drie jaar daarvoor, dan valt op dat het aantal geregistreerde seksuologisch hulpverleners slechts in beperkte mate is toegenomen (179 versus 173; +3%). Ook met betrekking tot sekse en beroepsachtergrond zijn er in vergelijking met de cijfers uit 1996 geen grote verschillen. Wel weten we nu bijvoorbeeld dat van de psycholoog-seksuologen, het aantal dat ook `eerste |
lijnspsycholoog NIP' en/of `klinisch psycholoog NIP' is, destijds behoorlijk werd onderschat. Het aantal werkplekken waarvan in de huidige Gids melding wordt gemaakt, is - gezien de toename van het aantal SH'ers en vooral de opname van meer dan twee werkplekken - aanzienlijk groter dan in 1996 (256 versus 214; +20%). Met name het aantal eigen praktijken/groepspraktijken blijkt veel groter te zijn dan uit de eerste editie van de Gids viel op te maken (115 versus 86; +34%). Het aantal werkplekken binnen RIAGG's is echter juist kleiner dan in 1996 (29 versus 34; -15%). Toch zijn - net als in het vorige overzicht - werkplekken die oorspronkelijk hoorden bij een RIAGG maar thans zijn opgegaan in grote, regionale GGZ-instellingen, ge-classificeerd als werkplekken binnen een RIAGG. De toch al geringe aandacht voor de seksuologie binnen de ambulante geestelijke gezondheidszorg (Vroege, 1997b) lijkt - afgaande op het aantal SH'ers binnen deze sector - dus alleen nog maar af te nemen. | ||||
|
Tabel 3. De werkplekken waar de door de NVVS geregistreerde seksuologisch hulpverleners zich bezighouden met het behandelen van seksuele disfuncties (SD), parafilieën (PA), genderidentiteitsproblemen (GE), slachtoffers van seksueel geweld (SL), daders van seksueel geweld (DA), en problemen met de eigen (homo- of bi-) seksuele oriëntatie (SO).
SD PA GE SL DA SO Totaal
1 a Rutgers Stichting 24 17 12 22 14 21 24 b SAD-Schorerstichting 5 1 5 5 2 5 5 c Andere seksuologische instelling 2 2 2 2 2 2 2 2 Eigen praktijk/groepspraktijk 111 60 57 89 37 91 115 3 a RIAGG 29 16 16 27 14 17 29 b Anders GGZ 10 10 10 12 8 11 13 4 Instelling voor verslavingszorg 1 0 1 0 0 1 1 5 Forensisch-psychiatrische instelling 0 1 0 0 2 0 2 6 a Academisch Ziekenhuis 33 12 12 17 4 12 34 b Andere universitaire instelling 1 1 0 1 1 1 2 7 Algemeen ziekenhuis 25 13 9 15 5 15 25 8 a Revalidatiecentrum 2 0 0 1 0 0 2 b Verpleeghuis 1 0 0 0 0 0 1 9 Buiten Nederland 0 1 1 1 1 1 1
Totaal 244 134 125 192 90 177 256
| |||||
|
Literatuur
Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek. (1996). Onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma `Vraag en aanbod, kwaliteit en capaciteit van de seksuologische hulpverlening in Nederland. Aanzet tot een werkprogramma seksuologische hulpverlening 1996-2000. Auteur, Utrecht. Nederlandse Vereniging voor Seksuologie. (1996). Gids geregistreerde seksuologen NVVS 1996. Auteur/Eburon, Utrecht/Delft. |
Vroege, J. (1997a). Door de NVVS geregistreerde seksuologische hulpverleners: Een overzicht. Tijdschrift voor Seksuologie, 21: 171-176.Vroege, J. (1997b). RIAGG-hulp bij seksuele moeilijkheden: de stand van zaken. Tijdschrift voor Seksuologie, 21: 244-249. Vroege, J.A. (1998). LOPS-registratie 1997. Landelijk Overleg van Poliklinieken Seksuologie/Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek, Utrecht. Vroege, J.A., P.A. Vruggink, P.R.I. Rabsztyn en J.M. Reinders (red.) (1999). Gids geregistreerde seksuologen NVVS 1999. NVVS/Eburon, Den Haag/Delft. | ||||
Recht op seks en intimiteit gaan niet samen 39 | |||||
|
ele handelingen geweigerd kunnen worden. Het mag duidelijk zijn dat binnen het kader van een seksuele relatie deze twee artikelen meer aanleiding geven tot seksuele impasses dan tot prettige seks. Opeisen van seksuele rechten binnen een relatie is absurd omdat prettige seks nu eenmaal in vrijheid tot stand komt. Wat resteert is een seksueel individu dat in de privacy van de eigen vertrekken alle mogelijke seksuele handelingen en fantasieën kan uitvoeren en dat recht op privacy mag claimen maar dat in een seksuele relatie niet moet beginnen over zijn of haar fundamentele seksuele rechten. Verschil in verlangen los je niet op door je te beroepen op seksuele rechten. Opvallend is dat de opstellers geen seksuele plichten hebben geformuleerd. Dit terwijl rechten en plichten een natuurlijke eenheid vormen. Zo impliceert de alledaagse praktijk van een verkeers-deelnemer een scala van rechten en plichten die ervoor zorgen dat het verkeer redelijk efficiënt verloopt. Impliciet hebben de opstellers de plicht tot respect voor seksuele vrijheid geformuleerd. Aangenomen dat de fundamentele seksuele rechten voor alle mensen geldt, betekent dit immers dat allen ook deze rechten van derden dienen te respecteren. Voor de seksuoloog is de plicht tot respect van de seksuele integriteit van de patiënten in artikel 9 geformuleerd, wat stelt dat mensen met seksuele disfuncties recht hebben op een niet-moralistische deskundige seksuologische behandeling. Als een patiënt zich tekort gedaan voelt op dit punt kan hij/zij zich beklagen bij de beroepsvereniging. Voor de seksuoloog is de plicht tot een respectvolle bejegening terecht geëxpliciteerd. Voor het seksuele individu ontbreken expliciete plichten. Plichten ontstaan door deelname aan een rechtsgemeen-schap. Als de seksuoloog deel uit maakt van de beroepsgroep verplicht hij of zij zich volgens de regels van de beroepsgroep te gedragen. Plichten gelden niet voor niet-leden van de gemeenschap. Buitenaardse wezens en dieren hebben geen seksuele rechten of plichten! Zodra een individu echter de fundamentele seksuele rechten claimt bekent hij of zij zich ook tot de rechtsgemeenschap waarvoor de seksuele rechten gelden met de daarbij behorende plichten. Impliciet houden van de seksuele plichten suggereert dat individuen altijd vrij en ongebonden kunnen zijn en alleen maar rechten hebben.
Een moreel document
Seksuele zelfbeschikking vormt het morele uitgangs- |
punt van de opstellers. Het seksuele individu staat centraal en is van ultieme waarde. Inperking van zelfbeschikking moet worden tegengegaan en schade aan het individu moet worden voorkomen. Een liberale seksuele moraal. De rechtskracht van de seksuele rechten mag nog gering zijn, maar het is wel degelijk een moreel document. Er wordt immers een onderscheid gemaakt in goede (vrije) en slechte (gedwongen) seks. Seksuele handelingen als zodanig hebben echter geen a-priori morele waarde, zijn moreel neutraal. Seksuele handelingen hebben wèl morele gevolgen. Over de morele gevolgen gaan de seksuele rechten van de mens. Geen dwang is het zeer expliciete credo. Seksuele dwang of schade is een sociaal construct en een rekbaar begrip. Het seksuele plezier van vandaag kan op langere termijn toch als een inbreuk op de seksuele integriteit beleefd worden en zo seksuele schade creëren. De liberale seksuele moraal gaat uit van de pluriformiteit van seksuele relaties. De liberale moraal doet nadrukkelijk geen uitspraak over de inhoud van een seksuele handeling. Er bestaat geen principieel verschil tussen de diverse seksuele handelingen. Mits de seksuele handelingen in vrijheid tot stand komen zijn ze gelijk in morele waarde. Elke vrije seksuele uiting is toegestaan als geen schade wordt berokkend aan een seksuele partner. Vrijheid voor het seksuele individu en recht op genieten. Een sympathiek geformuleerde moraal die recht doet aan de persoonlijke integriteit van individuen. Anderzijds creëert dit denken in termen van seksuele rechten door het ontbreken van seksuele plichten zoals respect voor de persoonlijke seksuele integriteit een paradox, namelijk een mogelijkheid voor geanoni-miseerd seksueel consumentisme, waarbij seksuele diensten en behoeften in vrijheid worden aange-boden op een seksuele markt. Op die markt is het individu uitwisselbaar en anoniem. In de seksuele markt is wie je bent minder interessant dan je seksuele kenmerken. De seksuele consument is gericht op kenmerken en is wars van enige ideologie. Voorbeelden van seksueel consumentisme zijn aan de orde van de dag binnen de diverse media. De seksuele consument wordt geanonimiseerd en gedépersonificeerd. Persoonlijke seksuele ontboezemingen worden voor een anoniem publiek als een exces van seksuele vrijheid ingezet om hoge kijkcijfers te genereren. Seksuele vervreemding in optima forma! De liberale moraal stoelt onder meer op het ge-dachtegoed van Kant (Avineri,1992). Kant en in zijn navolging de hedendaagse liberale filosofen Rawls | ||||
40 W.A. Fonteijn | |||||
|
en Nozick (Avineri, 1992, Cliteur, 1990 & van de List,1990) stelden dat je de ander nooit als middel mag gebruiken voor het bereiken van een doel. Het individu is een doel op zichzelf. De morele verantwoordelijkheid voor de ander en dan niet alleen in termen van gevolg maar juist ook in termen van intentie is een plicht. Alleen binnen een liefdesrela-tie mogen geliefden elkaar als object `gebruiken' (Soble, 1998). Onpersoonlijke seks gericht op seksuele kenmerken is in termen van Kant's opvatting moreel verwerpelijk. De ander is een moreel doel op zichzelf. Een seksuele relatie is in deze morele termen gericht op welbevinden van de seksuele partners. De zorg voor seksueel welbevinden van een seksuele partner gaat verder dan het voorkomen van schade en doet geen afbreuk aan het recht op seksuele zelfbeschikking.
Seksuele rechten en intimiteit
Een seksueel intieme relatie creëert van begin af aan een al of niet impliciete morele code, aangaande wat wel en niet toelaatbaar wordt geacht door de intieme partners. Intimiteit impliceert positief gewaardeerde nabijheid. Om tot die positieve waardering te kunnen komen, zullen de intieme partners elkaar over allerlei intieme zaken informeren en trachten zich verder op elkaar af te stemmen. In tegenstelling tot de liberale seksuele moraal zijn seksuele handelingen binnen een intieme relatie niet moreel neutraal. Er wordt een onderscheid gemaakt in goede en slechte nabijheid, het intieme paar heeft expliciete opvattingen over wat voor hen goede intimiteit is. De afwezigheid van dwang is maar één van de criteria. En wat voor seksuele handelingen de intieme partner al of niet in vrijheid uitvoert zal de ander niet onverschillig laten. De grenzen van het intieme worden moreel bepaald. En die morele code is maatwerk voor dat intieme paar. Wat het intieme paar met elkaar wel of niet doet ontstaat in seksuele afstemming op elkaar. De morele code gaat voorbij de intieme ervaring en creëert een verwachting voor de volgende ontmoeting. De opvatting die het intieme paar aangaande trouw en loyaliteit heeft, bepaalt de verhouding tot derden. Waarbij niet zozeer de feitelijke handelingen met derden van belang zijn, maar de betekenis die de handelingen hebben. De intieme seksuele moraal is vooral een betekenismoraal en minder een handelingsmoraal. De seksueel intieme moraal laat zich net zomin als de algemene seksuele moraal reduceren tot seksueel gedrag. Bij een intieme moraal tellen vooral de intenties, bij een algemene |
moraal de consequenties. De intieme seksuele mo-raal kent een waarde toe aan de betekenis van handelingen. Dit terwijl de algemene seksuele moraal een waarde toekent aan het effect van de seksuele handeling, wel of niet schadelijk. De intieme morele code is gebaseerd op respect, vertrouwen, rechtvaardigheid, opoffering en een authentiek verlangen naar het welbevinden van de intieme partner. Een intieme morele code laat zich niet vertalen in seksuele rechten. Een opvatting die bij cliënten met een problematisch verschil in seksueel verlangen nog wel eens aanwezig is. Rechten en schade zijn geen goede items om verschil in verlangen te therapeutiseren. Respect, vertrouwen en leren verdragen van erotische spanning zijn dat wel. Intimiteit is persoonlijk, rechten zijn onpersoonlijk. Benadrukken van seksuele zelfbeschikking doet tekort aan de inhoudelijkheid van de intieme seksuele verhouding. Rechten passen bij een seksuele markt waarin economische verhoudingen bepalend zijn. Een intieme seksuele relatie laat zich niet formuleren in termen van rechten en afwezigheid van dwang, maar krijgt veeleer diepte en betekenis door positief geformuleerd respect voor de kwetsbaarheid van de intieme partner en verlangen naar seksueel intiem samenzijn.
Summary
To be entitled to sex does not tally with intimacy
Fundamental sexual rights as formulated in 1983 by the World Asssociation for Sexology are based on a liberal moral. The autonomy of the sexual individual is of ultimate value. The sexual rights are necessary to garantee sexual freedom. These rights create as an unwilling side-effect a freeplace for individual sexual consumentism and are not compatible with an intimate moral standard. An intimate moral standard can not be for-mulated in terms of rights and avoiding of harm. An intimate moral standard should be formulated in terms of respect and care for the sexual well-being of the intimate partner.
Literatuur
Ames, T.R.H. en P. Samowitz (1995). Inclusionary standard for determening sexual consent for individuals with develop-mental disabilities. Mental retardation, 33: 264-268. Avineri, S. (1992). Communitarianism and individualism, Oxford Oxford University Press, Oxford. Barstow, B.G. (1999). Female genital mutilation: the penultimate gender abuse. Child Abuse Negl., 23: 501-510. Cliteur, P.B. en C.A. van de List. (1990). Filosofen van het heden-daags liberalisme. Kok Agora, Kampen. Jansen, W. (1997). Islam en seksualiteit. In: H. Driessen (red.). In het huis van de islam: geografie, geschiedenis, geloofs-leer, cultuur, economie, politiek. Sun, Nijmegen. Nederlandse Vereniging voor Seksuologie (1999). Registratie-regeling van Seksuologen, Addendum: Fundamentele sek-suele rechten van de mens. Soble, A. (1998). The philosophy of sex and love. Paragon House, Minnnesota. | ||||
Tijdschrift voor Seksuologie, 2000, 24: 41-42 | ||||||
UITSPRAAK TUCHTRECHTCOMMISSIE NVVS0
M.C. Poelsma*
Hieronder vindt U een geanonimiseerde samenvatting van de feiten, overwegingen en de uitspraak inzake een klacht, waarover de Tuchtrechtcommissie van de NVVS op 5 mei 1999 uitspraak heeft ge-daan. Een onderdeel van de uitspraak is deze publicatie. De Tuchtrechtspraak is, zoals nadrukkelijk bij het opstellen van het reglement is gesteld, een instrument om de kwaliteit van het seksuologisch handelen te bevorderen en te bewaken. De Tuchtrechtcommissie refereert daarbij naar de Beroepscode voor Seksuologen. Publicatie van een door de Tuchtrechtcommissie behandelde klacht is bedoeld om alle leden kennis te laten nemen van een voorbeeld van overtreding van deze code. Niet om het aangeklaagde lid aan de schandpaal te nagelen, maar als reflectie op het eigen handelen, zodat inderdaad de kwaliteit van de seksuologie in Nederland wordt bevorderd. Onderstaande samenvatting is opgesteld door het bestuur van de NVVS en geaccordeerd door de Tuchtrechtcommissie bij monde van mr. A. Blok, plaatsvervangend voorzitter en prof. dr. M.W. Hengeveld, lid. | ||||||
|
Op 5 mei 1999 heeft de Tuchtrechtcommissie van de NVVS uitspraak gedaan in de volgende zaak:
Het aangeklaagde lid heeft, in opdracht van de werkgever van de klager, een schriftelijke gedragswetenschappelijke visie opgesteld, waarin o.a. over klager en diens gedragingen conclusies worden getrokken. Deze visie is aan een onderzoeksdossier toegevoegd en gebruikt in een ontslagprocedure. De klacht houdt in: - dat deze visie is opgesteld zonder dat klager hierover is gesproken, zonder medeweten en instemming; - dat bij het opstellen van deze visie gebruik is ge-maakt van door een medewerker van aangeklaagde schriftelijk uitgewerkte bandopnamen, daarbij is samenvattend en interpreterend te werk gegaan; - dat deze visie zonder toestemming van klager aan derden ter beschikking is gesteld; - dat klager daarmee onaanvaardbare en ernstige schade is toegebracht in de persoonlijke levenssfeer en aan klagers eer en goede naam, evenals in materiële en inmateriële zin.
De klacht is in eerste instantie voorgelegd aan de Klachtencommissie van de NVVS. Deze heeft de klacht ontvankelijk verklaard, maar deze vanwege |
de bijzondere aard, conform artikel 12 van het klach-tenreglement voor behandeling doorverwezen naar de Tuchtrechtcommissie.
Het aangeklaagde lid heeft zich zowel bij de Klach-tencommissie als bij de Tuchtrechtcommissie verzet tegen de ontvankelijkheidsverklaring, omdat bij het opstellen van deze visie er geen sprake zou zijn geweest van optreden als seksuoloog. Het aangeklaagde lid verlangde dat op de geplande hoorzitting alleen de ontvankelijkheid besproken zou worden. De Tuchtrechtcommissie heeft gepersisteerd in de ontvankelijkheidsverklaring en beklaagde geadviseerd inhoudelijk verweer te voeren. Het beklaag-de lid heeft daarop verklaard zich niet te willen onderwerpen aan de jurisdictie van de Tuchtrechtcom-missie en daaraan consequenties te verbinden. De hoorzitting heeft in afwezigheid van beklaagde plaatsgevonden. Ook op later toegezonden stukken heeft het aangeklaagde lid niet gereageerd.
De Tuchtrechtcommissie heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid o.a. de volgende overwegingen geformuleerd: - het aangeklaagde lid was ten tijde van de het vervaardigen van gewraakte visie lid van de NVVS en heeft volgens de definities in de | |||||
* Mevrouw drs M.C. Poelsma, arts-seksuologe NVVS, secretaris bestuur NVVS, Postbus 40551, 2504 LN Den Haag.° Buiten verantwoordelijkheid van de redaktie. | ||||||
42 M.C. Poelsma
|
|
| Beroepscode voor Seksuologen en volgens art. 1 van het reglement Tuchtrechtspraak NVVS in professioneel contact met klager gestaan; - in de gewraakte rapportage profileert het aangeklaagde lid zich als "psycholoog/seksuoloog NVVS"; - in een aanhangsel wordt een verkort CV van aangeklaagde geschetst, waarin het lidmaatschap van de NVVS, de registratie als seksuoloog NVVS en diverse functies binnen de NVVS worden genoemd; - in de rapportage zelf worden omschrijvingen gegeven van seksueel (getinte) gedragingen van klager, deze worden geïnterpreteerd en er worden conclusies aan verbonden.
De Tuchtrechtcommissie is van oordeel, dat op zijn minst de suggestie is gewekt, dat de seksuologische deskundigheid bij het vervaardigen van de rapportage op de voorgrond heeft gestaan. Daarmee is de gerechtvaardigde verwachting gewekt, dat aangeklaagde onderworpen zou zijn aan de tuchtrecht-spraak van de NVVS.
De Tuchtrechtcommissie heeft ten aanzien van de inhoud van de klacht de volgende aspecten in ogenschouw genomen: 1. Het beginsel van hoor en wederhoor is door aangeklaagde niet toegepast, hetgeen als onzorgvuldig en onrechtmatig handelen c.q. nalaten wordt toegerekend. 2. Ten aanzien van de klacht dat aangeklaagde onzorgvuldig of discutabel te werk is gegaan heeft de Tuchtrechtcommissie geen oordeel uitgesproken. Zij acht zich daarvoor niet competent, en zij heeft niet de beschikking over al het onderzoeksmateriaal. Een dergelijk diepgaand onderzoek naar, en oordeel over de kwaliteit, overstijgt haars inziens de doelstelling en werkingssfeer van de tuchtrechtspraak van de NVVS. 3. Aangeklaagde heeft de gewraakte rapportage aan klagers werkgever ter hand gesteld. Het is
|
| niet de verantwoordelijkheid van aangeklaagde dat delen hiervan later in de openbaarheid zijn gebracht. De Tuchtrechtcommissie spreekt wel het oordeel uit dat klager het recht toekwam om als eerste van het deel dat hem betrof, kennis te nemen, en dat deze niet aan zijn werkgever had mogen worden afgegeven, dan nadat hij daarop correcties had kunnen toepassen. 4. De Tuchtrechtcommissie acht het aannemelijk, dat de gewraakte rapportage een rol heeft gespeeld in het oordeel over klager. De commissie is echter van oordeel, dat niet de rapportage zelf onrechtmatig is, maar het niet in acht nemen van de vereiste zorgvuldigheid en waarborgen. De commissie neemt aan, dat klager daarvan schade heeft geleden. De commissie onthoudt zich van een oordeel over de verdeling en omvang van die schade.
De Tuchtrechtcommissie rekent aangeklaagde de houding gedurende de procedure aan, met name het gebrek aan bereidheid zich tuchtrechtelijk te verantwoorden. Door deze attitude heeft het aangeklaagde lid schade toegebracht aan de positieve beeldvorming over het beroep van seksuoloog en het respect voor de door de NVVS ingestelde kwa-liteits- en toetsingsinstrumenten. Aangeklaagde heeft verweer gevoerd jegens procedurele waarborgen, terwijl geen besef is getoond van het nadeel dat door juist die procedurele waarborgen niet in acht te nemen aan klager is berokkend.
Uitspraak De aard en de ernst van de klacht en bovenstaande overwegingen in aanmerking genomen is de Tuchtrechtcommissie van oordeel dat het opleggen van onderstaande maatregelen billijk is: - de maatregel van berisping; - ontzegging van het recht tot voortzetting van het lidmaatschap van commissies van de NVVS; - geanonimiseerde publicatie van deze uitspraak in het Tijdschrift voor Seksuologie.
|
|
|
|
|
|
| | |||||||||