|
|
Abstracts |
Seksualiteit na amputatie van penis en scrotum
|
|
W.L. Gianotten, W.J. Kirkels,
S.M. Haensel
|
Beschreven wordt een 52-jarige man, die op de afdeling urologie wordt
opgenomen met een carcinoom aan de penis en bij wie zowel de penis als het
scrotum worden verwijderd. Tijdens de ziekenhuisopname wordt al gestart
met counseling door de psychiater. Later wordt seksuologische hulp
gezocht. Binnen 8 maanden ontwikkelt zich weer een voor beide partners
bevredigend seksleven. Voor dit positieve effect lijken enerzijds
verantwoordelijk de copingmechanismen van het paar en anderzijds het
vroegtijdig inschakelen van therapeutische hulptroepen. Interessant voor de
seksulogische hulpverlening is het gegeven dat er niet meer gesoebat hoeft
te worden over het hebben of kunnen krijgen van een erectie of penetratie.
Dit geeft een geheel andere dimensie aan de mogelijkheden van
seksuologische hulpverlening. Dergelijke voorbeelden kunnen de
hulpverlening helpen strategieën te ontwikkelen die ook bij minder
uitgesproken organische pathologie kunnen worden gebruikt.
|
|
Ernstige of invaliderende chronische ziekte; enkele gevolgen
voor de seksuele partnerrelatie
|
|
J.P.C. Moors
|
Er wordt een overzicht gegeven van sporadisch Nederlands onderzoek naar
seksuele gevolgen voor de partnerrelatie van chronische ziekte. Enkele
chronische ziekten, waarvan invloeden op de seksualiteit bekend zijn,
worden beschreven. Nagegaan wordt hoe de ziekte en het gedrag van patiënt
en partner de seksualiteit kunnen belemmeren. De gevolgen voor de eigen
identiteit, de partnerrelatie en de omgang met de ziekte zijn vaak ernstig
en door de partners onderling meestal slecht bespreekbaar. Veel partners
van chronische zieken hebben het moeilijk en durven voor hun verschraalde
seksualiteit geen hulp te vragen. Huisartsen en hulpverleners kunnen
patiënten en hun partners helpen door uit eigen beweging de seksualiteit
bespreekbaar te maken. Soms is het nodig dat een ander patroon van vrijen
wordt aangeleerd.
|
|
Homoseksualiteit in Nederland: een vergelijking tussen aselecte
groepen homoseksuele en heteroseksuele mannen
|
|
T.G.M. Sandfort, E.M.M. de Vroome
|
Op basis van een langlopend, representatief, telefonisch onderzoek, werd
bekeken hoe vaak homoseksualiteit onder mannen in Nederland voorkomt. Van
de 5686 geïnterviewde mannen rapporteerde 3,8% dat zij in het voorafgaande
halve jaar seksueel contact hadden gehad met een man of zich seksueel tot
mannen aangetrokken voelden. Vergeleken met andere recent uitgevoerde,
representatieve onderzoekingen is dit een relatief hoog percentage. Deze
aselecte groep van homoseksuele mannen verschilt op uiteenlopende wijzen
van de onderzochte heteroseksuele mannen. De gemiddelde leeftijd en het
opleidingsniveau van de homosekuele mannen zijn hoger. De homoseksuele
mannen wonen vaker in de grote steden, hebben vaker een progressieve
politieke voorkeur en minder vaak een religieuze overtuiging. De
homoseksuele mannen hebben minder vaak een vaste relatie dan de
heteroseksuele mannen, en wanneer zij een vaste relatie hebben is die
minder vaak monogaam; deze verschillen zijn echter minder groot dan men op
basis van recent onderzoek bij selecte steekproeven zou verwachten.
Verschillende bevindingen stemmen overeen met de zogenaamde
"elicitation/opportunity"-hypothese, die stelt dat het vóórkomen van
homoseksualiteit mede afhankelijk is van een sociaal klimaat dat
gelegenheid en ondersteuning biedt voor homoseksuele exploratie en
expressie.
|
|
Seksuele aspecten na het doormaken van een ischemische
hartziekte
|
|
H. Boudrez
|
Jaarlijks worden wereldwijd vele personen het slachtoffer van een
coronaire hartziekte. De gevolgen ervan treffen de patiënt in zijn
totaliteit, met inbegrip van de seksualiteitsbeleving. De seksuologische
advisering aan deze patiënten is de afgelopen decennia geëvolueerd van
negatief tot permissief. Alle beschikbare gegevens laten een volwaardige
seksualiteitsbeleving toe. Toch ervaren een aantal patiënten hierbij
problemen. Dit kan verbazing wekken en is tegenstrijdig met de
verwachtingen. Gepoogd wordt hiervoor enkele verklaringen aan te reiken.
Ten slotte wordt gepleit voor de systematische advisering i.v.m.
seksualiteit in de nabehandeling van een coronaire pathologie, evenals
voor ruimer wetenschappelijk onderzoek van deze materie.
|
|
Seksueel gedrag van kinderen: een kwantitatief onderzoek onder
moeders
|
|
P.T. Cohen-Kettenis, T. Sandfort
|
Via een schriftelijke enquête in het tijdschrift "Ouders van Nu" werden
gegevens over diverse aspecten van kinderseksualiteit verzameld. Het
betreft observaties van 648 moeders van het gedrag van hun oudste kind.
Deze kinderen variëren in leeftijd van 0 tot 12 jaar. Seksueel gedrag
blijkt als samenhangend construct goed meetbaar. Kinderen verschillen in
de mate waarin zij seksueel gedrag vertonen. Daarnaast worden niet alle
gedragingen in gelijke mate gerapporteerd. 'Volwassenen' aandoend seksueel
gedrag is zeldzaam, maar niet geheel afwezig in deze leeftijdsgroep. Er
werden significante, maar lage verbanden gevonden tussen kenmerken van de
moeders en het geobserveerde gedrag van de kinderen: moeders die een meer
open lichamelijke omgang met het kind hebben en moeders die meer positieve
opvattingen hebben over seksualiteit rapporteren meer seksueel gedrag.
|
|
Seksuele dienstverlening in de zorg-sector
|
|
M. Schreuder-Kniese
|
Informatie over de Stichting Alternatieve Relatiebemiddeling: oprichting,
doelstellingen, gang van zaken bij de dienstverlening. Ingegaan wordt
voorts op de vraag of er seksuele dienstverlening met behulp van werkenden
moet plaatsvinden in de zorgsector. Ten slotte wordt aandacht geschonken
aan de gastlessen die de auteur voor de SAR geeft aan diverse instellingen
in de gezondheidszorg.
|
|
25 jaar na 'Afscheid van de seksualiteit'. Hoe het anders ging
en hoe anders het ging
|
|
P. Schnabel
|
Allereerst wordt ingegaan op het boek 'Afscheid van de seksualiteit'
(1970), waarin Van Ussels eigen seksuele geschiedenis en seksuele problemen
hecht vervlochten zijn met zijn algemene visie op seksualiteit. In de visie
van Van Ussel mag de bevrijde seksualiteit geen doel op zich zijn; ze kan
hoogstens betekenis krijgen als een misschien onvermijdelijke
'eng-seksuele' fase in de ontwikkeling naar een meer 'totaal-menselijke'
visie. In de kwart eeuw sinds de publikatie van zijn boek liep het allemaal
anders en veel meer langs de lijnen van een 'eng-seksuele' geleidelijkheid
dan hij prettig zou hebben gevonden, maar in de banaliteit van het
eng-seksuele zijn toch trekken te bespeuren van de totaal-menselijke visie
waarop hij hoopte. De vraag 'hoe anders het ging en hoe het anders ging'
beantwoordt Schnabel door de bespreking van zeven met elkaar samenhangende
tendenties die er in de 'seks in Nederland' in de jaren negentig te zien
zijn: seksueel egalitarisme, egocentrisme, indifferentisme, essentialisme,
consumentisme, vulgarisme en biologisme.
|
|
Forum: Over onveranderlijkheid van biologische verschijnselen
gesproken
|
|
P. van der Schoot
|
Enkele kanttekeningen bij 'onveranderlijke' genen, hersenen,
hormonen en diergedrag in de context van de studie van sociaal
psychologische verschijnselen (zoals rondom seksualiteit) onder
mensen.
|
|
Literatuurbulletin Relaties en Seksualiteit, 1996, nr. 3
|
|
|
Inhoud: Recensies (p. 285-295); Overzicht seksuologische
tijdschriften (p. 295-300).
|
|
|
|