Tijdschrift voor Seksuologie


1990, Jaargang 14, Nummer 1


Inhoudsopgave


Home
<- Vorige Archief Volgende ->









Abstracts

Uit de praktijk: mannen in sekstherapie
J.J. Drenth

Alleenstaande mannen met seksuele problemen zijn in de seksuologische praktijk een bijzondere groep. Ook mannen die wel een vaste partner hebben, maar niet te motiveren zijn om haar bij de behandeling te betrekken, stellen bijzondere eisen aan hun therapeut. In de groep mannen die alleen in behandeling komen kunnen drie subgroepen onderscheiden worden, die elk een eigen aanpak vereisen: de verlegen jongeman, de oudere weduwnaar of gescheiden man en de man met een geheim. Een aantal veel voorkomende kenmerken van mannen uit deze groep worden beschreven, en enige suggesties over het therapeutisch hanteren van hun specifieke weerstanden tegen sekstherapie.

Risicoseks bij Vlaamse homo-mannen
J. Vincke

Het eerste deel van deze studie beschrijft de frequentie van risicogedrag in een groep van Vlaamse homo-mannen (n=263). Begin 1988 bedroeg het percentage personen met risicogedrag 36% in onze onderzoeksgroep. Daarvan gebruikte slechts 1 op 3 (receptief anale seks) en 1 op 5 (insertieve anale seks) altijd condooms. Respondenten die receptieve anale contacten hebben zijn zeer frequente homo-barbezoekers in vergelijking met de rest van de onderzoeksgroep. Deze bevinding geldt niet voor hen die de insertieve variant toepassen. Een bijkomend belangrijk resultaat is dat homo-mannen met risicogedrag significant jonger zijn in vergelijking met de andere respondenten. Volgens onze data vormen jonge homo-mannen, die zeer frequent homo-bars aandoen, een belangrijke doelgroep voor preventiecampagnes. Het tweede deel van de studie analyseert de invloed van verschillende kenmerken van de seksuele carriereb (frequentie van homo-barbezoek, badhuizen, duur van der seksuele loopbaan, aantal partners ooit gehad) op het gebruik van meerdere seksuele technieken binenn een multivariaat kader. Een significante relatie komt naar voren. De opgesomde kenmerken van de seksuele carrière verklaren gedeeltelijk het gebruik van poppers.

De waarde van 'anatomisch correcte poppen' als bewijsmiddel; samenvatting van een rapport geschreven voor het gerechtshof te Amsterdam
B. RossenH. WakefieldR. Underwager

De toepassing van de 'poppenmethode' ondervindt de laatste tijd veel kritiek. Er is inmiddels een aantal onderzoeksrapporten verschenen over het gebruik van deze methode en sommige geven aan dat kinderen die seksueel zijn misbruikt anders op de poppen reageren dan kinderen die dat niet zijn. Die onderzoeken bevatten echter methodologische fouten die de onderzoeksresultaten niet-valide maken. Met toepassing van de stelling van Bayes, is te berekenen dat het percentage valspositieven in de praktijk zeer hoog is. Verder is gebleken dat bij de toepassing van de poppenmethode fundamentele fouten in de vraagstelling sluipen. Analyse van een aantal praktijkvoorbeelden laat zien dat deze fouten geen uitzonderingen zijn (Wakefield en Underwager, 1988). In veel gevallen gaan onderzoekers er vanaf de aanvang van de sessie al vanuit dat misbruik heeft plaatsgevonden, en beschouwen zij het als hun taak het bewijs ervoor op tafel te leggen. Daardoor is de ondervraging niet objectief. Gesloten, suggestieve, en dwingende vragen worden gesteld, bepaalde handelingen worden voorgedaan en het kind wordt voor zijn reacties selectief beloond of gestraft. De poppenspelsessie wordt een leerproces. Het kind leert wat het moet zeggen en doen om de ondervrager tevreden te stellen.

Forum: computerondersteuning bij seksuologische hulpverlening
L. Sommeling

'Sexpertise' maakt expertkennis van 15 jaar praktijkervaring, opgedaan bij de afdeling sexuologische hulpverlening van de Rutgersstichting toegankelijk. De programma's zijn on line op een netwerk te consulteren of op diskette verkrijgbaar. Sexpertise Professional ondersteunt hulpverleners bij de intake en bij de behandeling van seksuele problemen. Een ander programma, Personal Sexpertise, helpt mensen thuis om meer inzicht te krijgen in eigen seksualiteitsbeleving en in die van de mogelijke partner. Na een inleiding over het gebruik van computerprogramma's en netwerken binnen de geestelijke gezondheidszorg en de seksuologie, beschrijft dit artikel de verschillende versies van Sexpertise en schetst het ten slotte toekomstige mogelijkheden voor (bij)scholing, electronische consultatie en onderzoek.

Een beperkte blik binnen de seksuologie
P. Vennix

Stellingname in dit artikel is, dat in de seksuologische literatuur men over het geheel genomen nog steeds overdreven gericht is op coitaal klaarkomen en men te vaak weinig oog heeft voor andere, vaker voorkomende seksuele problemen. Ingegaan wordt in dit verband vooral op een aantal veronderstelde discrepanties tussen wens en werkelijkheid voorzover deze betrekking hebben op het niet of te weinig optreden van gewenste belevingen en gedragingen tijdens het vrijen.

Forum: congresverslag
J. Moors

Verslag van het van 17-19 november 1989 door R. Virag in Parijs georganiseerde 'Premier Symposium International sur l'Erection Pharmacologique' en de 'Troisieme Session d'Enseignement Techniques et Protocoles Diagnostiques et Therapeutiques'. Virag is de vaatchirurg, die in 1980 ontdekte dat inspuiting van de penis (arterieel) met papaverine, een enkele uren durende erectie veroorzaakte. In zijn sindsdien gestichte Centre d'etudes et de recherches de l'impuissance (CERI) zijn sindsdien meer dan 6000 mannrn behandeld. Artikel bespreekt kort de daar toegepaste anamnestische- en behandeltechnieken.

Forum: Women's health in the 1990s
J. Moors

Verslag van het 9e Internationale Congres over de Psychosomatiek van de Obstetrie en Gynaecologie, gehouden van 28 tot en met 31 mei 1989 in Amsterdam.

Literatuurbulletin Relaties en Seksualiteit, 1990, nr. 1

Inhoud: Recensies (p. 55-62); Annotaties pornografie: internationale perspektieven deel 1) (p. 62-70).